Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3292

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
201400041/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/305 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400041/3/R2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Ooij, gemeente Groesbeek,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna: tezamen en in enkelvoud [appellant sub 2]), wonend te Kekerdom, gemeente Groesbeek,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Ubbergen, thans gemeente Groesbeek,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Er zijn nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2015, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. A.N. Jansse, en de raad vertegenwoordigd door mr. M.H.A. Merkus en H.M. Schot, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 8 april 2015, in de zaak nr. 201400041/1/R2, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 25 juni 2015 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Buitengebied" gewijzigd vastgesteld.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over het besluit van 25 juni 2015 naar voren te brengen. Van deze gelegenheid hebben zij geen gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Beroep [appellant sub 2]

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] overwogen dat het besluit van de raad van 21 november 2013 voor zover dat ziet op de mogelijkheid om een bed & breakfast te exploiteren op het perceel [locatie 1] te Kekerdom zoals geregeld in artikel 21, lid 21.5.1, aanhef en onder a, van de planregels, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid nu het initiatief van [appellant sub 2] voldoende concreet was en ook tijdig kenbaar was gemaakt bij het gemeentebestuur maar het gemeentebestuur niet heeft bezien of hieraan medewerking kan worden verleend.

2. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 2] gegrond. Het besluit van 21 november 2013 dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 21, lid 21.5.1, aanhef en onder a, van de planregels voor zover het betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de gronden aan de [locatie 1] te Kekerdom wegens strijd met artikel 3:2 van de van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak nader te bezien of hij artikel 21, lid 21.5.1, aanhef en onder a, van de planregels voor wat betreft de omvang van de bed & breakfast voor zover van toepassing op het perceel [locatie 1] te Kekerdom wenst te handhaven.

4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 25 juni 2015 de planregeling aangevuld. Ingevolge artikel 21, lid 21.1.2, aanhef en onder f, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - theetuin/bed & breakfast' mede het gebruik van gebouwen en bouwwerken toegestaan ten behoeve van een theetuin/theeschenkerij en een bed & breakfast, met dien verstande dat voor de theetuin/theeschenkerij maximaal 50 m2 mag worden aangewend en voor de bed & breakfast maximaal 70 m2. Voorts is ten behoeve van de theetuin/theeschenkerij het gebruik van maximaal 100 m2 van het onbebouwde deel van de buitenruimte (tuin/erf) toegestaan. In de verbeelding is daartoe de aanduiding "specifieke vorm van wonen - theetuin/bed & breakfast" aan de gronden [locatie 1] te Kekerdom toegekend.

5. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

6. De raad is met het besluit van 25 juni 2015 geheel tegemoetgekomen aan het beroep van [appellant sub 2]. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is daarom geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 25 juni 2015 waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" gewijzigd is vastgesteld.

Beroep [appellant sub 1]

7. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] overwogen dat het besluit van de raad van 21 november 2013 voor zover dat ziet op het toekennen van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" aan de gronden aan de [locatie 2] te Ooij, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid nu uit het door [appellant sub 1] overgelegde kaartmateriaal, foto’s en ingewonnen informatie is gebleken dat op het perceel op grote schaal kleiwinning heeft plaatsgevonden en dat tot grote diepte puin is gestort.

8. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 1] gegrond. Het besluit van 21 november 2013 dient te worden vernietigd voor zover het betreft het toekennen van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" aan de gronden aan de [locatie 2] te Ooij wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

9. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak nader te bezien of hij de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" toegekend aan de gronden aan de [locatie 2] te Ooij wenst te handhaven.

10. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 25 juni 2015 de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" toegekend aan de gronden aan de [locatie 2] te Ooij geschrapt.

11. De raad is met het besluit van 25 juni 2015 geheel tegemoetgekomen aan het beroep van [appellant sub 2]. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is daarom geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 25 juni 2015 waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" gewijzigd is vastgesteld.

Proceskostenveroordeling

12. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is in geval van [appellant sub 2] niet gebleken. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Groesbeek van 21 november 2013, voor zover het betreft:

a. artikel 21, lid 21.5.1, aanhef en onder a, van de planregels planregels voor zover het betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de gronden aan de [locatie 1] te Kekerdom;

b. voor zover dit ziet op het toekennen van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 4" aan de gronden aan de [locatie 2] te Ooij;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Groesbeek tot vergoeding in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten van [appellant sub 1] tot een bedrag van € 539,49 (zegge: vijfhonderdnegenendertig euro en negenenveertig cent), waarvan € 490,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

IV. gelast dat de raad van de gemeente Groesbeek aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 1],

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 2A] en

[appellant sub 2B], met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten aanzien van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans, en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Hagen w.g. Ouwehand

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015

224.