Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3270

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
201408576/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:6087, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408576/1/V2.

Datum uitspraak: 16 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 23 september 2014 in zaak nr. 14/7430 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 september 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de grieven 1 en 2, in onderlinge samenhang bezien en voor zover thans van belang, betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat hij in de eerste asielprocedure van de vreemdeling de gestelde bekering tot het christendom in Iran niet aannemelijk gemaakt heeft geacht, niet ter zake doet bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de aan onderhavige asielaanvraag ten grondslag gelegde bekering in Nederland. Voorts betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank, door te overwegen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling met zijn verklaringen de oprechtheid van de bekering niet aannemelijk heeft gemaakt, niet heeft onderkend dat de vreemdeling tegenover hem nog altijd geen overtuigende verklaringen heeft afgelegd over zijn bekering en het proces dat daartoe heeft geleid. Gelet hierop komt voorts, anders dan de rechtbank heeft overwogen, aan de door de vreemdeling overgelegde verklaringen van een voorganger van de Iraanse Kerk in Almere van 30 mei 2013 en van de Commissie Plaisier van de Protestante Kerk in Nederland van 11 juli 2013 geen betekenis toe, aldus de staatssecretaris.

1.1. In de eerste asielprocedure van de vreemdeling heeft de staatssecretaris - bij in rechte onaantastbaar besluit van 18 november 2010 - de gestelde bekering in Iran niet aannemelijk geacht, omdat de vreemdeling geen inzicht heeft kunnen geven in de motieven voor en het proces van die gestelde bekering. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 10 april 2014 in zaak nr. 201304684/1/V2, wordt juist in zo een geval van een vreemdeling verwacht ermee bekend te zijn dat hij in een opvolgende aanvraag die motieven voor en dat proces van die gestelde bekering kan beschrijven. Zoals de staatssecretaris terecht betoogt, geldt het vereiste dat een vreemdeling de motieven voor en het proces van een gestelde bekering inzichtelijk maakt thans te meer, nu de vreemdeling blijft bij de gestelde bekering in Iran en die bekering eraan zou hebben bijgedragen dat in Nederland een echte en oprechte bekering, eindigend in een doop, tot stand is gekomen. Door te overwegen dat voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering in Nederland niet ter zake doet dat de staatssecretaris de gestelde eerdere bekering in Iran niet aannemelijk heeft geacht, is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat de vreemdeling zelf een verband heeft gelegd tussen zijn bekering in Iran, waarvan thans in rechte vaststaat dat hij deze niet aannemelijk heeft gemaakt, en de motieven voor en het proces van de gestelde bekering in Nederland. De staatssecretaris heeft dan ook in het kader van het onderzoek naar de oprechtheid van de gestelde bekering in Nederland terecht de verklaringen van de vreemdeling over die eerdere bekering in Iran betrokken en van de vreemdeling verlangd dat hij het verband tussen die bekering in Iran en de motieven voor en het proces van de gestelde bekering in Nederland inzichtelijk maakt.

1.2. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling daarin niet is geslaagd, nu hij onvoldoende concreet heeft verklaard over de aanleiding voor zijn bekering, over zijn persoonlijke geloofsbeleving en -verandering, de betekenis van het nieuwe geloof in zijn leven en de betekenis van de doopplechtigheid. Daartoe heeft de staatssecretaris van belang geacht dat uit de verklaringen van de vreemdeling volgt dat de directe aanleiding voor zijn - verdere of hernieuwde - bekering in Nederland de zitting bij de rechtbank in zijn eerste asielprocedure is geweest en dat hij heeft verklaard tijdens die zitting in zijn hart te zijn geraakt door God, zich vanaf dat moment aan God te hebben overgeleverd en zich sindsdien blij, actief en vreugdevol te voelen. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling met deze verklaringen niet inzichtelijk gemaakt welke innerlijke veranderingen bij hem teweeg zijn gebracht die hebben geleid tot een ongebruikelijke, niet vanzelfsprekende keuze voor het christelijk geloof. Dat, zoals de vreemdeling voorts heeft verklaard, zijn activiteiten voor de kerkgemeenschap zijn toegenomen, kan weliswaar een uiting zijn van geloof, maar ook dit geeft volgens de staatssecretaris geen blijk van een weloverwogen, oprechte en welbewuste keuze voor de gestelde geloofsverandering. Voorts heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de vreemdeling, die naar eigen zeggen in Iran al was gedoopt, niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij zich in Nederland nog een keer heeft laten dopen. Uit zijn verklaring dat de voorgangers van de kerk hem hebben verteld dat zijn doop in Iran niet volgens het boek is gegaan en dat de kerk waar hij opnieuw is gedoopt de doopplechtigheid strikter toepast dan andere kerken in Nederland, blijkt immers niet van een welbewuste en persoonlijke keuze voor een hernieuwde doop in de desbetreffende kerk, aldus de staatssecretaris.

1.3. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris met de hiervoor weergegeven motivering ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling het verband tussen de eerdere niet aannemelijk gemaakte bekering in Iran en de motieven voor en het proces van de gestelde bekering in Nederland niet inzichtelijk heeft gemaakt en dat zijn verklaringen onvoldoende blijk geven van een weloverwogen en welbewuste keuze zich in Nederland tot het christendom te bekeren. De door de vreemdeling overgelegde verklaring van een voorganger van de Iraanse Kerk in Almere, inhoudend dat de vreemdeling een actief lid is van de Iraanse Kerk in Almere en regelmatig deelneemt aan kerkdiensten, conferenties en bijbelstudies, en de verklaring van de Commissie Plaisier van de Protestante Kerk in Nederland, waarin staat dat de vreemdeling tegenover die commissie heeft verklaard dat het christelijk geloof hem thans veel waard is en dat hij graag ook anderen over het geloof wil vertellen, leiden niet tot een ander oordeel. Daargelaten dat dergelijke verklaringen de verantwoordelijkheid van de vreemdeling onverlet laten om (ook) tegenover de staatssecretaris overtuigende verklaringen af te leggen over zijn bekering en het proces dat daartoe heeft geleid (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 6 maart 2014 in zaak nr. 201311217/1/V2 en 5 juni 2015 in zaak nr. 201410596/1/V2), heeft de vreemdeling met deze verklaringen, die voortborduren op zijn verklaringen over de eerdere, niet aannemelijk gemaakte bekering in Iran, het verband tussen die eerdere bekering en de motieven voor en het proces van de gestelde bekering in Nederland niet alsnog inzichtelijk gemaakt.

De grieven slagen.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

3. De vreemdeling heeft betoogd dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van een in Nederland opgenomen film, getiteld 'Silent Believers', en van zijn betrokkenheid als cameraman daarbij, aangezien de film op verschillende wijzen - onder meer via YouTube - is verspreid. Om die reden loopt hij bij terugkeer naar Iran gevaar, aldus de vreemdeling.

3.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de door de staatssecretaris in zijn verweerschrift bij de rechtbank aangehaalde uitspraak van 5 maart 2014 in zaak nr. 201304859/1/V2, en ook in die van 24 april 2015 in zaak nr. 201403860/1/V2, blijkt niet dat de Iraanse autoriteiten alle Iraniërs van wie informatie op internet is te vinden, in de gaten houden of dat zij alle Iraniërs die terugkeren naar Iran bij aankomst onderzoeken. Met de door hem ingeroepen stukken, voor zover deze niet reeds bij voormelde uitspraak van 24 april 2015 zijn betrokken, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat dat wel het geval is.

3.2. De vreemdeling heeft derhalve met persoonlijke feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken dat hij in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat (zie voormelde uitspraak van de Afdeling van 24 april 2015). Aan zijn standpunt dat de vreemdeling daarin niet is geslaagd, heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat niet is onderbouwd dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van alle op YouTube geplaatste films en dat de vreemdeling voorts zelf heeft verklaard niet in de film te zien te zijn en evenmin daarin, als cameraman van de film, genoemd te worden. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Iraanse autoriteiten van het bestaan van de film en de betrokkenheid van de vreemdeling daarbij op de hoogte zijn, zodat hij evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk in de negatieve belangstelling van die autoriteiten staat.

De beroepsgrond faalt.

4. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte tegen hem een inreisverbod heeft uitgevaardigd. Daartoe heeft hij erop gewezen dat zich dezelfde omstandigheden voordoen als ten tijde van het besluit van 29 juli 2013 en dat de staatssecretaris in dat besluit heeft afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Voorts heeft de staatssecretaris volgens de vreemdeling ondeugdelijk gemotiveerd waarom het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.

4.1. De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 november 2013 in zaak nr. 13/19565 het door de vreemdeling tegen het besluit van 29 juli 2013, waarbij de staatssecretaris aanvankelijk de asielaanvraag van de vreemdeling had afgewezen, ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Dat de staatssecretaris in dat besluit had afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod, maakt niet dat hij in een nieuw te nemen besluit - indien daarvoor gronden bestaan - niet tot uitvaardiging van een inreisverbod kan overgaan.

4.2. In het besluit van 13 maart 2014 heeft de staatssecretaris een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. De vreemdeling heeft van de negen gronden die de staatssecretaris aan het bestaan van dat risico ten grondslag heeft gelegd er slechts vier gemotiveerd bestreden. Wat er ook zij van hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd, de staatssecretaris heeft, gelet op de overige in het besluit neergelegde gronden en het bepaalde in artikel 5.1b, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6.1, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, deugdelijk gemotiveerd dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Mitsdien bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte tegen de vreemdeling een inreisverbod heeft uitgevaardigd.

De beroepsgrond faalt.

5. Aan de resterende bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond wordt niet toegekomen. Over die beroepsgrond heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die beroepsgrond en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Die beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geschil.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 23 september 2014 in zaak nr. 14/7430;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Klinkers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2015

549.