Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
201502432/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:3295, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502432/1/V3.

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, (hierna: de rechtbank) van 5 maart 2015 in zaken nrs. 15/2295 en 15/2296 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 maart 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.P. van Empel-Bouman, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het incidenteel hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

1. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2. Het incidenteel hoger beroep is kennelijk ongegrond.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de Maltese autoriteiten het overnameverzoek van de staatssecretaris op 9 januari 2015 hebben geaccepteerd, zodat zij op grond van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013 L 180) verantwoordelijk zijn geworden voor de behandeling van de asielaanvraag.

4. In zijn grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat overdracht van de vreemdeling aan Malta, gelet op zijn specifieke situatie, geen reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) oplevert. De rechtbank heeft voor haar oordeel ten onrechte redengevend geacht dat de vreemdeling na overdracht het risico loopt te worden gedetineerd, terwijl aannemelijk is geworden dat hij tijdens een eerdere detentie vanwege zijn auditieve handicap dagelijks is mishandeld door medegedetineerden en daartegen door de Maltese autoriteiten onvoldoende is beschermd, en dat uit het patiëntendossier van de vreemdeling blijkt van een kwetsbare psychische gezondheidstoestand, aldus de staatssecretaris.

Hiertoe betoogt hij dat de vreemdeling in zijn gehoren slechts heeft verklaard in een gevangenis in Libië te zijn mishandeld en eerst in beroep heeft gesteld op Malta door medegedetineerden te zijn mishandeld. Die laatste stelling heeft de rechtbank ten onrechte als vaststaand feit aangenomen, waarbij zij er voorts aan voorbij is gegaan dat niet aannemelijk is gemaakt dat de vreemdeling tevergeefs bij de (hogere) Maltese autoriteiten om bescherming zou hebben verzocht. Voorts betoogt hij dat de kwetsbaarheid van de vreemdeling is te herleiden tot zijn psychische en somatische gezondheidssituatie, waarbij als uitgangspunt dient te gelden dat de medische voorzieningen in de lidstaten in beginsel vergelijkbaar worden geacht en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een benodigde behandeling op Malta niet zal kunnen krijgen. Bovendien zal hij voor overdracht een fit-to-fly test laten uitvoeren en de Maltese autoriteiten inlichten over de specifieke medische situatie van de vreemdeling, zodat er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, vanuit mag worden gegaan dat hem, voor zover nodig, na aankomst passende opvang en medische voorzieningen zullen worden geboden, zo stelt de staatssecretaris.

5. Daargelaten of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in detentie op Malta door medegedetineerden is mishandeld, volgt uit zijn verklaringen over die mishandelingen dat hij op enig moment op eigen verzoek naar een andere afdeling is overgeplaatst, zodat op grond van die verklaringen niet kan worden geoordeeld dat de Maltese autoriteiten blijk hebben gegeven van onwil of onmacht om de vreemdeling voor mishandeling te behoeden. Voor zover de gestelde mishandelingen zouden hebben samengehangen met de auditieve handicap van de vreemdeling is niet zonder belang dat de Maltese autoriteiten een gehoorapparaat aan de vreemdeling hebben verstrekt.

Voorts heeft de vreemdeling geen informatie ingebracht waaruit blijkt dat hij thans onder specialistische behandeling staat voor zijn medische klachten, dan wel of, en zo ja welke, specialistische behandeling op korte termijn noodzakelijk is, zodat reeds daarom geen grond bestaat voor het oordeel dat vanwege het ontbreken van behandelingsmogelijkheden op Malta van overdracht dient te worden afgezien. Voor zover uit de overgelegde medische informatie volgt dat de vreemdeling dient te worden bijgestaan bij het innemen van zijn medicatie, is gesteld noch gebleken dat daartoe op Malta geen voorzieningen zouden zijn, te meer nu de vreemdeling aldaar eerder eveneens medicijnen zijn verstrekt. Daarnaast heeft de staatssecretaris toegezegd dat hij op het moment van de feitelijke overdracht zal bezien of overdracht van de vreemdeling aan Malta verantwoord is door het laten verrichten van een vliegreisgeschiktheidsonderzoek en dat voorafgaand aan de overdracht de medische gegevens van de vreemdeling aan de Maltese autoriteiten zullen worden doorgegeven. Op deze wijze is voldoende gewaarborgd dat bij overdracht rekening wordt gehouden met de medische situatie van de vreemdeling.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat overdracht van de vreemdeling aan Malta, gelet op zijn specifieke situatie, geen reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM oplevert.

De grief slaagt.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 5 februari 2015 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 maart 2015 in zaak nr. 15/2295;

IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Verbeek

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015

574.