Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3264

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
201506525/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft het college het werkplan voor het kalenderjaar 2015 voor de groeve ’t Rooth goedgekeurd.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/310 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506525/1/R4.

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de stichting Stichting Verontruste Plateaubewoners, gevestigd te Klein Welsden, gemeente Eijsden-Margraten, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft het college het werkplan voor het kalenderjaar 2015 voor de groeve ’t Rooth goedgekeurd.

Tegen dit besluit heeft de stichting bezwaar gemaakt.

De stichting heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft nadere stukken ingediend, waaronder de brief van Sibelco Europe van 22 september 2015.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 september 2015, waar de stichting, vertegenwoordigd door P. Oosterlee, bijgestaan door mr. J. Rutteman, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door R.H.J. Pepels en R.W.P. van Tol, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord Sibelco Europe en B.V. Grondbezit Bemelen (hierna tezamen en in enkelvoud: Sibelco), vertegenwoordigd door D.L.M. Jans, bijgestaan door mr. M.R.J. Baneke.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Voor de ontgronding van de groeve ’t Rooth (hierna: de zuidelijke groeve) is op 13 juni 2000 vergunning verleend. In dit gebied vindt geen mergelwinning meer plaats. In het op grond van die vergunning ingediende werkplan staat dat de werkzaamheden binnen dit gebied bestaan uit de opslag van mergel afkomstig van de uitbreiding groeve ‘t Rooth (hierna: de noordelijke groeve) en verder in het teken zullen staan van werkzaamheden met betrekking tot het integraal eindplan.

3. Sibelco stelt dat het verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu het verzoek de statutaire doelstelling van de stichting te buiten gaat en de stichting voorts sinds 2008 geen activiteiten meer verricht.

3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

3.2. De voorzieningenrechter overweegt dat voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, bepalend is of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

3.3. In artikel 2, eerste lid, van de statuten van de stichting staat dat de stichting ten doel heeft het Plateau van Margraten te behoeden voor elke ingreep van buitenaf, hetzij van de zijde van de overheid, hetzij van de zijde van enig particuliere onderneming. Ingevolge het tweede lid tracht de stichting haar doel te verwezenlijken door het voeren van acties en het geven van informatie, alsmede via elke andere wettelijk toegestane weg welke tot het gestelde doel kan leiden.

3.4. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de opslag in de zuidelijke groeve van mergel afkomstig uit de noordelijke groeve kan worden aangemerkt als een ingreep van buiten en derhalve dat het aanvechten van de goedkeuring van het werkplan de statutaire doelstelling van de stichting niet te buiten gaat.

Ter zitting heeft de stichting toegelicht dat zij in het verleden partijen heeft proberen te bewegen de afwerking van de groeve eerder ter hand te nemen en een tijdschrift uitgaf en dat sinds 2010 geen werkzaamheden meer zijn verricht, nu destijds de juridische procedure omtrent de ontgrondingsvergunning voor de groeve ’t Rooth is afgerond.

Nu in het werkplan nieuwe activiteiten in de groeve worden toegestaan heeft zij haar werk als belangenbehartiger weer opgepakt. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van continuïteit van werkzaamheden. Het vorenstaande in aanmerking genomen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het door de stichting in het bijzonder behartigde belang rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken zodat de stichting kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb en het verzoek ontvankelijk is.

3.5. De noodzaak voor de opslag van mergel uit de noordelijke groeve in de zuidelijke groeve is erin gelegen dat ENCI de winning van mergel medio 2018 dient te stoppen. Door de stagnerende bouw in de afgelopen jaren is de vraag naar mergel verminderd. Als de mergel niet tijdig wordt gewonnen, komt de herinrichting van de ENCI-groeve in de knel. ENCI heeft de mergel verkocht aan Sibelco en Sibelco zal in de periode dat zij de ENCI-mergel gebruikt de mergel die uit de noordelijke groeve wordt gewonnen tijdelijk opslaan in de zuidelijke groeve.

In het bestreden besluit heeft het college over de aanvoer van ENCI-mergel naar Sibelco en de aanleg van een mergeldepot in de groeve ’t Rooth meegewogen dat de levering van ENCI-mergel aan Sibelco een positieve invloed heeft op het behoud van werkgelegenheid bij zowel ENCI, Sibelco als de transportsector en ertoe leidt dat het goedgekeurde eindplan voor de ENCI-groeve alsnog gerealiseerd kan worden. Verder wordt optimaal gebruik gemaakt van de schaarse en dus kostbare oppervlakte delfstof mergel en wordt geld gegenereerd voor een verdere verfraaiing van de ENCI-groeve en de omgeving.

3.6. De stichting kan zich niet verenigen met de goedkeuring van het werkplan. De opslag van mergel zal leiden tot het voortzetten van de werkzaamheden in de zuidelijke groeve voor een langere periode dan voorzien en tot uitstel van de afwerking van de groeve. Een gevolg van de uitvoering van het werkplan zal zijn dat de omwonenden van de groeve en de stichting nog voor een periode van onbekende duur na 2017 geconfronteerd zullen blijven met activiteiten in de groeve ’t Rooth.

3.7. In de brief van 22 september 2015 alsmede ter zitting heeft Sibelco toegezegd dat het oostelijk gelegen deel van de zuidelijke groeve waarop een tijdelijk mergeldepot zal worden gerealiseerd uiterlijk in april 2016 zal worden afgewerkt conform het goedgekeurde eindplan alvorens met de inrichting van het depot zal worden begonnen. Het overige gedeelte van de zuidelijke groeve zal uiterlijk per 10 mei 2017 zijn afgewerkt, zodat het gehele groevegebied uiterlijk per die datum zal zijn opgeleverd.

3.8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de onder 3.7 opgenomen toezegging tegemoetgekomen is aan de belangen van de stichting met betrekking tot de afwerking van de zuidelijke groeve, zodat geen aanleiding bestaat in zoverre een voorlopige voorziening te treffen. Voor zover na de afwerking van de zuidelijke groeve daar nog opslag zal plaatsvinden, ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding op dat punt een voorlopige voorziening te treffen - nog daargelaten of dat in verband met het toepassingsbereik van de ontgrondingsvergunning en het werkplan mogelijk zou zijn -, gelet op de belangen die zijn gemoeid met de aanleg van het depot, zoals weergegeven onder 3.5.

4. Het verzoek dient te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. van Leeuwen-Gerkema, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Leeuwen-Gerkema

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015

472.