Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:326

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
201307708/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013, kenmerk BE 13/3085, heeft de raad van de gemeente Bergambacht, thans gemeente Krimpenerwaard, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Wetering" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/677
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307708/2/R4.

Datum uitspraak: 11 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Verti B.V., gevestigd te Bergambacht,

appellante,

en

de raad van de gemeente Bergambacht, thans gemeente Krimpenerwaard, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013, kenmerk BE 13/3085, heeft de raad van de gemeente Bergambacht, thans gemeente Krimpenerwaard, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Wetering" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Verti beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2014, waar Verti, vertegenwoordigd door mr. A.S.D. Lijkwan, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door M.A. Bruinen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 14 mei 2014, in zaak nr. 201307708/1/R4 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 25 juni 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad een nadere motivering voor het bestreden besluit gegeven.

Verti heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, haar zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 4 december 2014, waar Verti, vertegenwoordigd door mr. A.S.D. Lijkwan, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door M.A. Bruinen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Na de behandeling ter zitting heeft Verti, daartoe in de gelegenheid gesteld, nog een reactie ingediend. Deze reactie is aan de raad toegezonden. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, derde lid, van de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening Ruimte), zoals dat gold ten tijde van belang, moeten bestemmingsplannen voor gronden die zijn gelegen op bedrijventerreinen (zoals aangeduid op kaart 6) bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein mogelijk maken, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die mogelijk zijn op grond van een onherroepelijk bestemmingsplan of de provinciale structuurvisie. De toelichting van het bestemmingsplan moet hierover een verantwoording bevatten.

Ingevolge het vierde lid is afwijking van het bepaalde in het derde lid mogelijk indien in regionaal verband afspraken zijn gemaakt over het voorzien in voldoende ruimte voor bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie die mogelijk zou zijn op het betreffende bedrijventerrein. De toelichting van het bestemmingsplan moet hierover een verantwoording bevatten.

Ingevolge artikel 21, derde lid, kan in afwijking van het bepaalde in deze verordening in een bestemmingsplan een bouw- of gebruiksrecht uit een geldend bestemmingsplan opnieuw worden bestemd, indien het belang bij strikte handhaving van deze verordening niet in verhouding staat tot het belang bij het behoud van het bouw- of gebruiksrecht.

2. Het perceel van Verti, kadastraal bekend als gemeente Bergambacht, sectie [.], nr. [….] (hierna: het perceel), is gelegen op een bedrijventerrein zoals aangeduid op kaart 6 behorende bij de Verordening Ruimte. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 4.4. geoordeeld dat het plan wat betreft het toekennen van de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie" aan het perceel in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat noch uit de plantoelichting noch anderszins naar voren is gekomen dat het niet toekennen van een bestemming als bedrijventerrein aan het perceel het gevolg is van afspraken die in regionaal verband zijn gemaakt over het voorzien in voldoende ruimte voor bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie die mogelijk zou zijn op het desbetreffende perceel. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het belang bij strikte handhaving van de Verordening Ruimte niet in verhouding staat tot het belang bij het behoud van de recreatiebestemming.

3. Gelet hierop is het beroep van Verti gegrond, zodat het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie" voor het perceel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

4. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen onder 4.4 is overwogen het gebrek in het besluit van 25 juni 2013 te herstellen door alsnog te motiveren waarom aan het perceel de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie" is toegekend, dan wel het besluit in zoverre te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling die in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 8, derde lid, van de Verordening Ruimte.

5. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad in zijn brief van 1 juli 2014 het besluit van 25 juni 2013 nader gemotiveerd. De raad wijst erop dat in 2009 in regionaal verband afspraken zijn gemaakt om het bedrijventerrein niet in zuidelijke richting maar juist aan de oostzijde uit te breiden, welke afspraken zijn neergelegd in de regionale structuurvisie K-5 gemeenten (hierna: de regionale structuurvisie). Deze regionale structuurvisie is volgens de raad nog altijd actueel. Er is hierdoor voorzien in voldoende ruimte voor bedrijven in de hoogst mogelijke milieucategorie die mogelijk zou zijn op het perceel. De aan het perceel toegekende recreatiebestemming doet volgens de raad dan ook niet af aan het belang van de provincie dat wordt gediend met artikel 8, derde lid, van de Verordening Ruimte. De raad stelt voorts dat het plan voldoet aan artikel 21, derde lid, van de Verordening Ruimte, omdat het belang bij het behoud van de recreatiebestemming opweegt tegen het belang bij strikte handhaving van de Verordening Ruimte. De recreatiebestemming vervult niet alleen een belangrijke functie voor het dorp, maar zorgt vooral voor behoud van de robuuste groene inpassing van het bedrijventerrein naar het open landschap aan de zuidzijde.

6. In haar zienswijze betoogt Verti dat de raad zich niet met vrucht kan beroepen op de afwijkingsmogelijkheid van artikel 8, vierde lid, van de Verordening Ruimte. Verti betoogt dat deze bepaling alleen grondslag biedt om af te wijken van de plicht de hoogst mogelijke milieucategorie op het bedrijventerrein toe te kennen. Voor zover deze bepaling het al mogelijk maakt om op het perceel in het geheel geen bedrijven toe te staan, voorziet de regionale structuurvisie volgens Verti niet in voldoende ruimte voor bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie die mogelijk zou zijn op het perceel. Verti wijst er daarbij op dat de uitbreiding in oostelijke richting een verkleining is ten opzichte van het bedrijventerrein zoals aangewezen in de Verordening Ruimte.

Verti stelt voorts dat het belang bij behoud van de recreatiebestemming niet zodanig groot is dat de strikte handhaving van de Verordening Ruimte daarvoor moet wijken. Bovendien lijkt de afwijkingsmogelijkheid van artikel 21, derde lid, van de Verordening Ruimte te zijn opgenomen in het belang en ter bescherming van degene die over het bouw- en gebruiksrecht beschikt, aldus Verti. Volgens Verti kan de raad gelet hierop niet het algemeen belang bij het behoud van de groene buffer inroepen.

7. De raad heeft zich bij het toekennen van de recreatiebestemming aan het perceel onder meer beroepen op artikel 8, vierde lid, van de Verordening Ruimte.

Over het betoog van Verti dat artikel 8, vierde lid, van de Verordening Ruimte niet de mogelijkheid biedt om een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming toe te kennen, overweegt de Afdeling dat de bewoordingen van deze bepaling een zodanige afwijking van artikel 8, derde lid, van de Verordening Ruimte niet uitsluiten. Het betoog faalt.

In de regionale structuurvisie, waarin het perceel niet is opgenomen als bedrijventerrein, zijn afspraken gemaakt teneinde te voorzien in voldoende ruimte voor bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie die mogelijk zou zijn op onder meer het perceel. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat zich ten tijde van de vaststelling van het plan leegstand voordeed op het betrokken bedrijventerrein. Verti heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een tekort aan ruimte voor bedrijven zou zijn, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat onvoldoende is voorzien in ruimte voor bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie die mogelijk zou zijn op het perceel. Het betoog faalt.

8. Gezien het vorenstaande heeft de raad zich kunnen beroepen op artikel 8, vierde lid, van de Verordening Ruimte en in redelijkheid de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie" aan het perceel kunnen toekennen. Gelet hierop behoeft de motivering van de raad op grond van artikel 21, derde lid, van de Verordening Ruimte en hetgeen daarover door Verti is aangevoerd geen bespreking meer.

9. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 25 juni 2013, voor zover vernietigd, in stand blijven.

10. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bergambacht, thans gemeente Krimpenerwaard, van 25 juni 2013, kenmerk BE 13/3085, wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie" voor het perceel, kadastraal bekend als gemeente Bergambacht, sectie [.], nr. [….];

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Krimpenerwaard tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Verti B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.715,00 (zegge: zeventienhonderdvijftien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Krimpenerwaard aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Verti B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015

271-817.