Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
201410103/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:13463, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juli 2013 heeft de staatssecretaris de stichting meegedeeld dat hij het voor 2014 maximaal beschikbare subsidiebedrag met 50 procent zal korten en de subsidierelatie met ingang van 1 januari 2015 zal beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410103/1/A2.

Datum uitspraak: 21 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de stichting Stichting Montesquieu (hierna: de stichting), gevestigd te 's-Gravenhage,

2. de staatssecretaris van Onderwijs Cultuur en Wetenschap,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 november 2014 in zaken nrs. 14/3225 en 14/4074 in het geding tussen:

de stichting,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2013 heeft de staatssecretaris de stichting meegedeeld dat hij het voor 2014 maximaal beschikbare subsidiebedrag met 50 procent zal korten en de subsidierelatie met ingang van 1 januari 2015 zal beëindigen.

Bij besluit van 28 februari 2014 heeft de minister aan de stichting een subsidie van maximaal € 558.000,00 verleend en ermee ingestemd dat dit bedrag wordt besteed overeenkomstig het voorstel van de stichting.

Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de staatssecretaris het door de stichting tegen het besluit van 26 juli 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 10 april 2014 heeft de stichting bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 februari 2014 en het bestuursorgaan verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het bestuursorgaan heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.

Bij uitspraak van 4 november 2014 heeft de rechtbank de door de stichting tegen de besluiten van 28 februari 2014 en 11 maart 2014 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris en de stichting hebben verweerschriften ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2015, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. J. Dijkgraaf, werkzaam bij PNO Legal & Tax B.V., vergezeld door mr. N.R.M.N. Cramer, drs. L.M. Weijs en drs. J.J.M. Nielen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.W. Mulder, mr. G.C. Katerberg en mr. R.A. Derksen, allen werkzaam voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In het regeerakkoord van het kabinet Rutte-II is een subsidietaakstelling opgenomen op het terrein van onderwijs en onderzoek. De taakstelling bedraagt in 2014 € 100 miljoen en vanaf 2015 structureel € 200 miljoen. Bij brief van 30 mei 2013 hebben de minister en de staatssecretaris de Tweede Kamer geïnformeerd over de invulling van de taakstelling. Daarbij zijn de uitgangspunten geformuleerd die worden gehanteerd. In de eerste plaats geldt dat aan de lumpsum van instellingen niet wordt getornd. In de tweede plaats geldt dat beleidsprioriteiten worden ontzien. Dit betekent dat niet wordt gekort op subsidies die ten goede komen aan de kwaliteit van leraren, techniek en praktijkgericht onderzoek in het hbo. In de derde plaats geldt dat er maatwerk is geleverd, waarbij alle subsidies zijn getoetst aan de criteria dat versnippering wordt tegengegaan en het aantal beleidsprioriteiten wordt verminderd en wordt gefocust op de kerntaken van het stelsel. Tot slot is ten aanzien van de resterende subsidies een efficiencykorting toegepast van 10% structureel.

In de bijlage bij de brief van 30 mei 2013 aan de Tweede Kamer is over de stichting vermeld dat zij onderzoek doet en voorlichting geeft op het terrein van de Europese parlementaire democratieën. Er is geen sprake van een unieke, excellente instelling die noodzakelijk is voor ons wetenschapsstelsel. De werkzaamheden van het instituut kunnen indien wenselijk worden uitgevoerd door, en onder verantwoordelijkheid van, de huidige partners, waaronder de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Maastricht en het Parlementair Documentatie Centrum van de Universiteit Leiden. De subsidie aan de stichting van € 1,1 miljoen zal zodoende worden beëindigd, aldus de bijlage.

2. Aan het besluit van 11 maart 2014 heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat hij, gelet op de uit het regeerakkoord van het kabinet Rutte-II voortvloeiende subsidietaakstelling, genoodzaakt was om zijn subsidiebeleid te herzien. Dit betekende dat er scherpe en pijnlijke keuzes moesten worden gemaakt. Daarbij is ervoor gekozen om meer onderwijs en onderzoek te laten doen door universiteiten en instellingen voor hoger onderwijs die worden gefinancierd door een lumpsum en via fundamentele lijnen van het NWO in plaats van door instituten die in de rand daarvan georganiseerd zijn. De stichting voldoet niet aan de criteria van het ter uitvoering van deze keuze in de brief van 30 mei 2013 opgenomen beleid, aldus de staatssecretaris. Hij heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de stichting niet uniek en excellent is en dat haar kernactiviteiten niet aansluiten bij de beleidsprioriteiten van het kabinet. Verder heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de activiteiten die bij de stichting zijn belegd, worden uitgevoerd door derde partijen, hoofdzakelijk de bestaande partners die in de stichting participeren en dat niet aannemelijk is gemaakt dat met het stopzetten van de subsidie van de stichting ook de door de partners uitgevoerde activiteiten zullen stoppen. Daarbij neemt hij in aanmerking dat de stichting een organisatie is die het faciliteren van de uitvoering van diverse activiteiten tot haar voornaamste taak heeft en in dat kader circa tachtig procent van de ontvangen subsidie uitkeert aan andere partijen, veelal de vijf partners.

Het hoger beroep van de stichting

3. De stichting komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris met de bekendmaking van het door hem te voeren beleid, bij brief van 30 mei 2013 aan de Tweede Kamer, een indicatie heeft gegeven van de inhoud van nog te nemen besluiten op aanvraag en het oordeel dat dit beleid niet in strijd is met de Awb. Samengevat voert de stichting in dit verband aan dat in de bijlage bij de brief van 30 mei 2013 reeds is vermeld dat haar subsidie zal worden beëindigd, zodat reeds voordat zij een aanvraag had ingediend vaststond dat daarop negatief zou worden beslist. Hierdoor is de wettelijke aanvraagprocedure ten onrechte buiten toepassing gelaten en is in strijd gehandeld met artikel 4:23, eerste lid, van de Awb, op grond waarvan voor het verstrekken van subsidie een wettelijke grondslag vereist is, aldus de stichting.

3.1. Niet is in geschil dat de subsidierelatie tussen partijen langdurig is. Uit artikel 4:51 van de Awb volgt dat een langdurige subsidierelatie slechts kan worden beëindigd, als deze beëindiging tijdig wordt aangekondigd, zodat de subsidieontvanger de gelegenheid heeft zich hierop voor te bereiden. Bij brief van 26 juli 2013 heeft de staatssecretaris - onder verwijzing naar de brief van 30 mei 2013 aan de Tweede Kamer, met bijlage - aangekondigd het voor 2014 maximaal beschikbare subsidiebedrag met 50% te zullen korten en de subsidierelatie met ingang van 1 januari 2015 geheel te zullen beëindigen. Hiermee heeft de staatssecretaris uitvoering gegeven aan de verplichting om de beëindiging van de langdurige subsidierelatie tijdig aan te kondigen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het hierbij gaat om een indicatie van de inhoud van de nog te nemen besluiten op aanvraag en deze werkwijze niet in strijd is met de Awb. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de wettelijke aanvraagprocedure buiten toepassing is gelaten, aangezien met de brief van 26 juli 2013 niet is beslist op een concrete aanvraag.

Het betoog faalt.

4. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te beoordelen of de door de staatssecretaris gevolgde selectieprocedure zorgvuldig was. Zij voert in dit verband aan dat het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris beleidsvrijheid heeft bij het toekennen van subsidies in het kader van het beleid dat is neergelegd in de brief van 30 mei 2013 aan de Tweede Kamer en dat de aanwending daarvan terughoudend dient te worden getoetst onverlet laat dat de rechter moet beoordelen of de door de staatssecretaris gevolgde selectieprocedure zorgvuldig was.

4.1. Het betoog van de stichting gaat er aan voorbij dat in de brief van 30 mei 2013 en de bijlage daarbij niet op subsidieaanvragen is beslist en derhalve geen selectieprocedure heeft plaatsgevonden. In de brief is het beleid uiteengezet voor de invulling van de subsidietaakstelling op het terrein van onderwijs en onderzoek. Daarbij is aangegeven wat voor de stichting de gevolgen van dit beleid zullen zijn. Daarmee is echter slechts een voornemen geuit. Geen rechtsregel verbiedt een bestuursorgaan het voornemen te uiten om bij een toekomstige aanvraag zijn beleidsvrijheid op een bepaalde wijze te gebruiken. Dit laat onverlet dat het bestuursorgaan vervolgens een zorgvuldig besluit op die aanvraag moet nemen. Tegen dat besluit staan de gebruikelijke rechtsmiddelen open en de rechter toetst een met een voornemen overeenkomend besluit op dezelfde wijze als een besluit waaraan geen voornemen is voorafgegaan. Het enkele feit dat een besluit dezelfde strekking heeft als een eerder geuit voornemen betekent niet dat dit besluit onzorgvuldig is of in strijd is met het in artikel 2:4 van de Awb neergelegde verbod van vooringenomenheid.

Het betoog faalt.

5. De stichting komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat in het beleid vier criteria zijn te onderscheiden waaraan de subsidieaanvragen van onderzoeks- en wetenschapsinstellingen worden getoetst, maar dat het voor de beoordeling van de aanvragen niet uitmaakt of de toetsingscriteria zijn te onderscheiden in drie of vier hoofdcriteria, nu de stichting cumulatief aan alle criteria dient te voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen. In dit verband voert de stichting aan dat uit de brief van 30 mei 2013 kan worden afgeleid dat het niet gaat om cumulatieve criteria maar om een integraal beoordelingskader. Daarbij is van belang dat er ook instellingen zijn die evenmin aan alle vier criteria voldoen, maar waarvan de subsidie niet geheel is beëindigd. De stichting wijst in dit verband op de subsidies aan de stichting SURF en de stichting Kennisnet. Verder is volgens de stichting van belang dat het toetsen aan absolute cumulatieve criteria leidt tot onzekerheid over het aantal instellingen dat uiteindelijk nog subsidie zal ontvangen en dientengevolge ook tot onzekerheid over de vraag of de subsidietaakstelling uiteindelijk wel gehaald zal worden, zodat ook daarom niet aannemelijk is dat het gaat om cumulatieve criteria.

5.1. In de brief van 30 mei 2013 zijn de criteria opgenomen waaraan subsidies aan onderzoeks- en wetenschapsinstellingen worden getoetst. Daarbij is het volgende vermeld:

"Allereerst geldt dat er sprake moet zijn van een unieke, excellente wetenschappelijke instelling. Daarnaast moet de instelling noodzakelijk zijn voor het stelsel en dient het doel van de subsidie aan te sluiten bij de beleidsprioriteiten van het kabinet. Ten slotte geldt dat de activiteiten van de instelling niet door andere partijen dan door OCW kunnen worden bekostigd en geldt dat er geen sprake is van dubbeling met subsidiëring of bekostiging door andere partijen."

De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat deze passage uit de brief van 30 mei 2013 niet anders kan worden begrepen dat dat het - ongeacht het precieze aantal criteria dat kan worden onderscheiden - gaat om criteria waaraan cumulatief moet zijn voldaan om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen.

5.2. Dat, naar de stichting stelt, de stichting SURF en de stichting Kennisnet, hoewel zij niet aan alle criteria voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen, doet aan het vorenstaande niet af. Daarbij is van belang dat het niet om onderzoeks- en wetenschapsinstellingen gaat, zodat de in 5.1 genoemde criteria niet van toepassing zijn bij de toetsing van de subsidies aan beide stichtingen. Uit de omstandigheid dat beide stichtingen nog wel subsidie krijgen kan dan ook niet worden afgeleid dat het bij de beoordeling van de subsidies van onderzoeks- en wetenschapsinstellingen niet gaat om cumulatieve criteria maar om een integraal beoordelingskader.

5.3. Tot slot volgt de Afdeling de stichting niet in haar standpunt dat het hanteren van cumulatieve criteria leidt tot onzekerheid over het aantal instellingen dat uiteindelijk subsidie zal ontvangen en derhalve de vraag of uiteindelijk de subsidietaakstelling kan worden gehaald. In dit verband is van belang dat, naar de staatssecretaris ter zitting uiteen heeft gezet, bij het maken van de in het beleid neergelegde keuzes en het opstellen van daarbij passende criteria steeds de subsidietaakstelling voor ogen is gehouden.

5.4. Het betoog faalt.

6. De stichting komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is voldaan aan het criterium dat de subsidie dient aan te sluiten bij de beleidsprioriteiten van het kabinet. De stichting betoogt dat de rechtbank er aldus aan voorbij is gegaan dat de staatssecretaris haar dit niet heeft tegengeworpen. Verder betoogt zij dat het oordeel van de rechtbank op inhoudelijke gronden geen stand kan houden, aangezien, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de activiteiten die zij verricht wel degelijk bij de beleidsprioriteiten van het kabinet aansluiten. Zij voert daartoe aan dat de valorisatie-activiteiten die zij verricht zijn gericht op het verbeteren van de kwaliteit van leraren binnen het kennisdomein van de stichting en dat zij begeleidingsactiviteiten heeft ontwikkeld voor leraren rond concrete Europese thema’s. De stichting voert verder aan dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de staatssecretaris het criterium dat het doel van de subsidie dient aan te sluiten bij de beleidsprioriteiten van het kabinet niet consistent toepast, aangezien instellingen die niets van doen hebben met de drie beleidsprioriteiten van het kabinet hun subsidie toch hebben behouden. Tot slot betoogt de stichting dat zij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat haar activiteiten versnippering niet tegengaan. Doordat zij een coördinerende taak uitoefent ten opzichte van de partners treden er synergie-effecten op en wordt versnippering juist tegengegaan, aldus de stichting.

6.1. Hoewel summier gemotiveerd, heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 11 maart 2014 op het standpunt gesteld dat de kernactiviteiten van de stichting niet aansluiten bij de beleidsprioriteiten van het kabinet. In zoverre berust het betoog van de stichting dan ook op een onjuiste lezing van het besluit van 11 maart 2014.

6.2. Dat, naar de stichting stelt, haar activiteiten mede gericht zijn op het verbeteren van de kwaliteit van leraren vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, haar activiteiten niet aansluiten bij de beleidsprioriteiten van het kabinet. Daarbij is van belang dat de stichting in bezwaar en beroep uiteen heeft gezet dat haar activiteiten in hoofdzaak bestaan uit onderzoek, onderwijs en valorisatie op het snijvlak van democratie, politiek en parlementaire besluitvorming in Nederland en Europa. De Afdeling onderschrijft het standpunt van de staatssecretaris dat deze activiteiten onvoldoende direct aansluiten bij de beleidsprioriteit leraren.

6.3. De stichting kan niet worden gevolgd in haar betoog dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de staatssecretaris het criterium dat het doel van de subsidie dient aan te sluiten bij de beleidsprioriteiten van het kabinet niet consistent toepast. Daarbij is van belang dat de instellingen die de stichting noemt en die hun subsidie behouden geen onderzoeks- en wetenschapsinstellingen zijn, zodat het beleid dat wordt gevoerd bij onderzoeks- en wetenschapsinstellingen, waaronder de eis dat het doel waarvoor de subsidie wordt verleend bij de beleidsprioriteiten van het kabinet moet aansluiten, niet van overeenkomstige toepassing is. Verder is van belang dat de staatssecretaris uiteen heeft gezet dat er op de in de brief van 30 mei 2013 aan de Tweede Kamer genoemde beleidsprioriteiten niet wordt gekort, maar dat er daarnaast nog andere beleidsprioriteiten zijn en de activiteiten van de door de stichting genoemde instellingen, anders dan de activiteiten van de stichting, wel aansluiten bij die beleidsprioriteiten van het kabinet.

6.4. Tot slot kan ook het betoog van de stichting dat zij, gelet op de coördinerende rol die zij vervult ten opzichte van haar partners, versnippering tegengaat niet worden gevolgd. Zoals de staatssecretaris uiteen heeft gezet, is het tegengaan van versnippering één van de beleidsprioriteiten van het kabinet. In de brief van 30 mei 2013 heeft hij uiteen gezet dat instellingen die werkzaam zijn op hetzelfde gebied de samenwerking meer moeten gaan opzoeken. De samenwerking kan verschillende vormen aannemen, met als meest ultieme vorm een fusie. In het geval van de stichting gaat het weliswaar om samenwerking tussen haar partners, maar het aantal instellingen wordt niet verminderd, aldus de staatssecretaris. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de stichting versnippering niet tegengaat.

6.5. Het betoog faalt.

7. De stichting komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij niet voldoet aan het criterium dat haar activiteiten niet door andere partijen dan door OCW kunnen worden bekostigd en er geen sprake is van een dubbeling met subsidiëring of bekostiging door andere partijen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de Nederlandse universiteiten waaraan de vijf partners die in de stichting participeren verbonden zijn een zogenoemde lumpsum krijgen om hun activiteiten te bekostigen en zij de activiteiten die thans door de stichting worden uitgevoerd kunnen blijven voortzetten door deze uit die lumpsum te bekostigen. De stichting betoogt dat de rechtbank er aldus aan voorbij is gegaan dat zij een zelfstandige en onafhankelijke taak heeft die niet door haar partners kan worden voortgezet, aangezien zij niet tot doel hebben die taak uit te voeren en te bekostigen. Dit geldt, naar zij ter zitting heeft toegelicht, in het bijzonder voor haar valorisatie-activiteiten. De partners hebben bovendien verklaard dat zij niet over de financiële middelen beschikken voor het voortzetten van haar activiteiten, aldus de stichting. De stichting voert verder aan dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de staatssecretaris willekeurig, inconsistent en onzorgvuldig heeft gehandeld door een aantal instellingen te blijven subsidiëren die evenmin voldoen aan het criterium dat de activiteiten van de instelling niet door andere partijen dan door OCW kunnen worden bekostigd. Volgens de stichting zijn er instellingen die, net als zij, een samenwerkingsverband vormen van instituten en afdelingen van universiteiten die hun subsidie wel behouden.

7.1. Niet in geschil is dat in de stichting vijf partners participeren die zijn verbonden aan Nederlandse universiteiten. Ingevolge artikel 1.3, eerste lid van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) zijn universiteiten gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. In elk geval verzorgen zij initiële opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, verrichten zij wetenschappelijk onderzoek, voorzien zij in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper en dragen zij kennis over ten behoeve van de maatschappij. Uit deze bepaling volgt dat de valorisatie van kennis een van de taken is van de universiteiten. Dit betekent dat de stichting in zoverre niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat haar partners haar activiteiten niet kunnen voortzetten. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat, naar de staatssecretaris onbestreden heeft gesteld, de activiteiten die bij de stichting zijn belegd, worden uitgevoerd door derde partijen, hoofdzakelijk de bestaande partners die in de stichting participeren, en dat ongeveer tachtig procent van de subsidie die de stichting ontvangt wordt uitgekeerd aan die partijen.

De Nederlandse universiteiten, waaraan de vijf partners van de stichting zijn verbonden, ontvangen een lumpsum voor de bekostiging van hun activiteiten. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, hebben de universiteiten, mede gelet op artikel 1.3, eerste lid, van de WHW, de mogelijkheid om daarvan geld beschikbaar te stellen voor het organiseren en uitvoeren van de activiteiten die voorheen via de stichting werden bekostigd. Dat de partners, naar zij hebben verklaard, dat niet willen of niet kunnen in verband met andere prioriteiten, doet daaraan niet af.

7.2. Over het betoog van de stichting dat de staatssecretaris willekeurig, inconsistent en onzorgvuldig heeft gehandeld door een aantal andere instellingen wel te blijven subsidiëren, terwijl ook zij niet voldoen aan het criterium dat de activiteiten van de instelling niet door andere partijen dan door OCW kunnen worden bekostigd en er geen sprake is van dubbeling met subsidiëring of bekostiging door andere partijen, overweegt de Afdeling dat zij het standpunt van de staatssecretaris deelt dat de genoemde instellingen niet vergelijkbaar zijn met de stichting. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de door de stichting genoemde instellingen in de bijlage bij de brief van 30 mei 2013 niet zijn genoemd in de paragraaf over onderzoeks- en wetenschapsinstellingen, zodat de daarvoor geldende criteria niet van toepassing zijn. Verder is van belang dat, naar de staatssecretaris uiteen heeft gezet, de activiteiten van de door de stichting genoemde instellingen, anders dan de activiteiten van de stichting, aansluiten bij beleidsprioriteiten van het kabinet.

7.3. Het betoog faalt.

8. Het betoog van de stichting dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris geen consistent en transparant beoordelingskader heeft toegepast met als gevolg dat de uitkomst van de bezuinigingsoperatie willekeurig is, heeft, gelet op hetgeen is overwogen in deze uitspraak, geen zelfstandige betekenis, zodat dit reeds daarom niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kan leiden.

9. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar geen beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank niet tot dat oordeel heeft kunnen komen, nu de staatssecretaris niet heeft gereageerd op het door haar in beroep gevoerde gedetailleerde betoog dat zijn standpunt dat de andere instellingen wezenlijk verschillen van de stichting geen stand kan houden.

9.1. In verband met de subsidietaakstelling op het terrein van onderwijs en onderzoek heeft de staatssecretaris keuzes moeten maken. Daarbij ging het niet om de vraag welke instelling waardevol is, maar om de vraag welke activiteiten aansluiten bij de beleidsprioriteiten van het kabinet. In het besluit van 11 maart 2014 heeft de staatssecretaris de door hem gemaakte keuzes nader gemotiveerd. Daarbij heeft hij uiteengezet dat de activiteiten van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek, het Nationaal Centrum voor Wetenschap en Technologie en het Rathenau Instituut aansluiten bij de beleidsprioriteiten van het kabinet. Over het Natural Biodiversity Center is opgemerkt dat het, anders dan de stichting geen doorsluisfunctie van gelden vervult. De genoemde instellingen verschillen in zoverre dan ook van de stichting. In beroep heeft de stichting betoogt dat dit niet wegneemt dat de andere instellingen niet voldoen aan alle in het beleid voor onderwijs- en onderzoeksinstellingen genoemde cumulatieve criteria om voor subsidie in aanmerking te komen. Naar het oordeel van de Afdeling vormt dit geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat gelet op de wezenlijke verschillen tussen de instellingen het beroep van de stichting op het gelijkheidsbeginsel geen doel treft. Daarbij is van belang dat de door de stichting genoemde instellingen niet vallen onder het subsidiebeleid dat geldt voor onderwijs- en onderzoeksinstellingen. Dit betekent dat op die instellingen de criteria die voor de stichting gelden niet onverkort van toepassing zijn.

Het betoog faalt.

Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris

10. De staatssecretaris heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van de stichting gegrond is. Nu het hoger beroep van de stichting, gelet op het voorgaande, ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan kan derhalve niet worden toegekomen.

Conclusie

11. Het hoger beroep van de stichting is ongegrond. Het door de staatssecretaris ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is daarmee vervallen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Slump w.g. Wieland

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2015

502.