Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3248

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
201503246/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college van b en w) omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van onder meer drie regelwerken ten behoeve van het project Waterberging Valkenswaard-Zuid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Waterwet
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet bodembescherming
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7167
JBO 2015/327 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2015/1020
JOM 2015/1023
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503246/1/A4.

Datum uitspraak: 21 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Valkenswaard

2. [appellante sub 2], gevestigd te Valkenswaard, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]),

3. [appellant sub 3] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Valkenswaard,

appellanten,

en

1. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

2. het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college van b en w) omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van onder meer drie regelwerken ten behoeve van het project Waterberging Valkenswaard-Zuid.

Bij besluit van 23 januari 2015 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college van gs) vastgesteld dat op de locatie van het waterbergingsgebied Valkenswaard-Zuid sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is, en heeft het ingestemd met een deelsaneringsplan.

Bij besluit van 9 maart 2015 heeft het college van gs het door het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel op 6 januari 2015 vastgestelde projectplan Waterberging Valkenswaard-Zuid (hierna: het projectplan) goedgekeurd.

Tegen de besluiten van 23 december 2014, 23 januari 2015 en 9 maart 2015 hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

Het college van gs, het dagelijks bestuur en het college van b en w hebben verweerschriften ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht).

[appellant sub 3], [appellante sub 2] en [appellant sub 1], het dagelijks bestuur, het college van gs en het college van b en w hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellante sub 2] en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2015, waar [twee appellanten sub 1], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigden] en vergezeld door [persoon], [appellant sub 3], het college van gs, vertegenwoordigd door mr. P.W.A.M. van 't Veer-Damen en J.W. Sonnevijlle, werkzaam bij de provincie, het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M.A.J. Martens, drs. M.H. Berg en ing. N.J.A. ten Helgeler, werkzaam bij het waterschap, en het college van b en w, vertegenwoordigd door ing. E. Gans en ing. C.J.J.A. Sandkuijl, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Projectplan

1. Het dagelijks bestuur heeft het projectplan vastgesteld ten behoeve van het project Waterberging Valkenswaard-Zuid. Met dit project beoogt het een bijdrage te leveren aan de bescherming van bebouwde gebieden in de regio Eindhoven tegen wateroverlast in situaties van hoogwater door uitzonderlijke regenval. Het gaat daarbij om waterafvoersituaties die zich op basis van inschattingen van klimaatontwikkelingen naar verwachting eens in de 25 jaar voordoen.

Het projectplan voorziet in de aanleg en inrichting van een gebied voor waterberging, gelegen nabij Dommelen in het Dommeldal en ten zuidwesten van Valkenswaard. Het projectplan strekt tot de aanleg van een kade van 24 m +NAP en ophoging van enkele percelen tot 23 m +NAP, zodat een ongeveer 42 ha groot gebied ontstaat waarin water kan worden geborgen. Nadat het water vanuit de Dommel is opgevangen in het waterbergingsgebied, wordt het via regelwerken, waarin het projectplan ook voorziet, gecontroleerd in de Dommel gelaten waarna het in de richting van Eindhoven stroomt.

In het gebied wordt berging van ten hoogste 290.000 m3 water voorzien. In het waterbergingsgebied zal het te bergen water een peil van ten hoogste 23,66 m +NAP bereiken. De maaiveldhoogte van gronden in het waterbergingsgebied varieert en bedraagt 22 tot 22,5 m +NAP of meer. In het projectplan staat dat als water in het waterbergingsgebied wordt geborgen dit hooguit drie tot vier dagen duurt.

De gronden in het waterbergingsgebied zijn deels eigendom van de gemeente en voor het overige in handen van particuliere eigenaren.

2. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] zijn eigenaren en/of gebruikers van enkele agrarische percelen die binnen of in de directe nabijheid van het in het projectplan voorziene waterbergingsgebied zijn gelegen. Zij stellen te vrezen voor ernstige nadelige gevolgen voor hun bedrijfsvoering door het projectplan.

Uitvoeringsbesluiten

3. Ter uitvoering van de in het projectplan voorziene aanleg en inrichting van het gebied is door het college van b en w een omgevingsvergunning voor het bouwen van onder meer drie regelwerken verleend. Door het college van gs is een beschikking op grond van de Wet bodembescherming genomen, waarbij is vastgesteld dat op de locatie van het waterbergingsgebied sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is, en waarbij het heeft het ingestemd met een deelsaneringsplan.

Het college van gs heeft met toepassing van artikel 5.8, eerste lid, van de Waterwet een gecoördineerde voorbereiding van het projectplan en deze besluiten bevorderd.

4. Ter zitting heeft [appellante sub 2] te kennen gegeven dat zijn beroep is beperkt tot het besluit van het college van gs tot goedkeuring van het projectplan.

5. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] richten zich blijkens de bewoordingen van de beroepschriften mede tegen de beschikking op grond van de Wet bodembescherming van het college van gs en tegen de door het college van b en w verleende omgevingsvergunning. Zij hebben echter geen gronden aangevoerd die geacht kunnen worden (mede) tegen deze besluiten te zijn gericht.

De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

Belanghebbendheid

6. Het college van gs en het dagelijks bestuur stellen zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit, betreffende goedkeuring van het projectbesluit, niet-ontvankelijk is, omdat [appellant sub 1] geen gronden in eigendom of in gebruik heeft die binnen het in het projectplan voorziene waterbergingsgebied zijn gelegen, en daarom niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

6.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen.

6.2. [appellant sub 1] is eigenaar van drie percelen in de onmiddellijke nabijheid van het in het projectplan voorziene waterbergingsgebied. Geen grond bestaat voor het oordeel dat [appellant sub 1] op deze gronden geen gevolgen zou kunnen ondervinden van de in het projectplan voorziene aanleg en inrichting van het waterbergingsgebied. [appellant sub 1] dient dan ook als belanghebbende te worden aangemerkt. Geen aanleiding bestaat om het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk te achten.

Gecoördineerde projectprocedure

7. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het projectplan ten onrechte is voorbereid met toepassing van de projectprocedure als bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de Waterwet. Zij voeren daartoe aan dat de enkele omstandigheid dat wordt beoogd de realisering van het projectplan mede te financieren uit subsidie die kan worden verkregen als op korte termijn met de uitvoering wordt begonnen, niet betekent dat spoed als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet aanwezig is.

7.1. Ingevolge artikel 5.5 van de Waterwet is paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van die wet onder meer van toepassing op projectplannen ten behoeve van andere waterstaatswerken van bovenlokale betekenis die met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht.

7.2. Ter zitting heeft het college van gs te kennen gegeven dat de projectprocedure van hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de Waterwet is gevolgd omdat het projectplan moet worden aangemerkt als waterstaatswerk van bovenlokale betekenis dat met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht.

In het projectplan is vermeld dat de aanleg en inrichting van het waterbergingsgebied ertoe leidt dat het watersysteem voor nu en in de toekomst op orde wordt gehouden conform het Nationaal Bestuursakkoord Water-Actueel. Het dagelijks bestuur acht het wenselijk om nu tot aanleg over te gaan, ook al is het waterbergingsgebied niet strikt noodzakelijk om het watersysteem in 2015 op orde te hebben. Aanleg is gewenst in verband met de doelstellingen voor de periode 2015-2050 en gelet op de volgens het KNMI te verwachten klimaatontwikkelingen, zoals vermeld in het rapport "KNMI '14-klimaatscenario's voor Nederland", aldus het dagelijks bestuur. Voorts is de aanleg van het waterbergingsgebied gewenst omdat het gebied bijdraagt aan de flexibiliteit en robuustheid van het watersysteem. Het college van gs en het dagelijks bestuur hebben ter zitting toegelicht dat zij het voorts van belang achten om voor het einde van 2015 met de aanleg te beginnen, omdat de aanleg dan voor ongeveer de helft kan worden bekostigd met subsidie.

Gezien het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gs spoed alleen aanwezig heeft geacht vanwege de financieringsmogelijkheid uit te verkrijgen subsidie, wat daar overigens ook van zij. Gelet op de door het dagelijks bestuur genoemde omstandigheden, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat spoed als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet ontbreekt en het projectplan niet met toepassing van de projectprocedure van hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de Waterwet had mogen worden voorbereid.

Het betoog faalt.

Voorfase

8. [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 1] betogen dat het college van gs het projectplan niet had mogen goedkeuren, omdat in het ter inzage gelegde ontwerp van het projectplan onvoldoende betekenis is toegekend aan door hen en anderen in de voorfase naar voren gebrachte bezwaren en aan voorgestelde alternatieven voor de in het projectplan voorziene waterberging.

8.1. Geen bepaling schrijft voor dat het dagelijks bestuur voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp van het projectplan de gelegenheid tot inspraak had moeten bieden. De aangevoerde omstandigheid dat in het ontwerp onvoldoende betekenis is gegeven aan bezwaren en alternatieven, wat daar ook van zij, kan dan ook op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat het projectplan onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Het betoog faalt.

Terinzagelegging stukken

9. [appellant sub 3] betoogt dat het rapport "Archeologische Quickscan Waterberging Valkenswaard-Zuid, gemeente Valkenswaard" van RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. van 9 juli 2014 (hierna: het rapport van RAAP) ten onrechte niet met het ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd.

9.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

9.2. Het rapport van RAAP is opgesteld in verband met de benodigde omgevingsvergunning voor de bouw van twee stuwen, die in het projectplan zijn voorzien, en behoort als gewaarmerkt stuk bij de door het college van b en w verleende omgevingsvergunning.

Niet is gebleken dat het rapport van RAAP redelijkerwijs nodig was voor de beoordeling van het ontwerp van het projectplan. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het rapport van RAAP ten onrechte niet ter inzage is gelegd met het ontwerp van het projectplan.

Het betoog faalt.

Reikwijdte projectplan

10. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waterwet is toepassing van die wet gericht op voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, geschiedt de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan.

Ingevolge artikel 5.7, eerste lid, behoeft het projectplan goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie op wier grondgebied het wordt uitgevoerd. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

11. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012 in zaak nr. 201111989/1/A4 (www.raadvanstate.nl), wordt overwogen dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Waterwet (Kamerstukken II 2006-2007, 30 818, nr. 3, blz. 44 tot en met 46) bij waterberging juridisch drie elementen zijn te onderscheiden:

- De aanwijzing van een gebied tot bergingsgebied. Dit is primair een kwestie van ruimtelijke ordening, een planologische aanwijzing. Het gewenste bergingsgebied moet als zodanig ruimtelijk worden ingepast. Voorts neemt de beheerder het bergingsgebied op op de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. Bij de aanwijzing op de legger worden de geografische ligging en de omvang van het bergingsgebied exact bepaald;

- De aanleg en de inrichting van het bergingsgebied. De inrichtingsmaatregelen die nodig zijn voor de goede werking van een bergingsgebied, zoals een in- of uitlaatwerk, een extra (vlucht)weg of kaden, worden in een projectplan als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet vastgesteld;

- De daadwerkelijke ingebruikstelling van het gebied als waterberging, waarvoor geen afzonderlijk besluit behoeft te worden genomen, aangezien grondeigenaren dit ingevolge artikel 5.26 van de Waterwet moeten dulden.

11.1. Voor zover [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellante sub 2] het doel van en het belang bij de aanleg van het waterbergingsgebied betwisten en aanvoeren dat hun belangen worden geschaad indien het gebied ten behoeve van waterberging wordt gebruikt, betreffen deze gronden de aanwijzing van het gebied als waterbergingsgebied. De aanwijzing van de gronden, waarbij het belang daarvan en de verenigbaarheid met andere functies van het aangewezen gebied aan de orde komen, betreft een kwestie van ruimtelijke inpassing en is in deze procedure derhalve niet aan de orde. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 31 oktober 2012 in zaken nrs. 201103930/1/R3 en 201107147/1/R3 (www.raadvanstate.nl), kunnen in het kader van een projectplan wel de frequentie en mate van inundatie van gronden in het waterbergingsgebied aan de orde komen.

Ook voor zover [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellante sub 2] alternatieven hebben aangedragen, die erop neerkomen dat in het projectplan begrepen gronden niet ten behoeve van waterberging zullen worden gebruikt, dan wel dat niet in het projectplan begrepen gronden ten behoeve van waterberging worden gebruikt, betreft dat de aanwijzing van de gronden en derhalve de ruimtelijke inpassing van het waterbergingsgebied, die in deze procedure niet aan de orde is. Al hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellante sub 2] in dit verband hebben aangevoerd kan om die reden niet slagen.

De betogen falen.

11.2. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat het college van gs niet tot goedkeuring van het projectplan had mogen overgaan, voordat de procedures tot aanwijzing van het gebied als waterbergingsgebied en tot vaststelling van een legger, waarop de in het projectplan voorziene maatregelen staan, waren afgerond, kan dat betoog niet slagen. Geen rechtsregel staat er aan in de weg dat een projectplan wordt vastgesteld en goedgekeurd voordat besluiten betreffende de ruimtelijke inpassing en de vaststelling van de legger in rechte onaantastbaar zijn. Geen grond bestaat voorts voor het oordeel dat het college van gs bij het besluit ten onrechte ervan is uitgegaan dat ruimtelijke inpassing van de waterberging mogelijk was.

11.3. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat het projectplan niet had mogen worden goedgekeurd, omdat daarin de bestaande afwateringsmogelijkheden en waterpeilen in de situatie dat het gebied niet daadwerkelijk voor waterberging wordt gebruikt, niet zijn vastgelegd, kan dat betoog niet slagen. Het projectplan heeft naar zijn aard uitsluitend betrekking op inrichtingsmaatregelen die nodig zijn om het gebied als waterbergingsgebied te kunnen gebruiken. Bestaande afwateringsmogelijkheden en waterpeilen behoeven daarin dan ook niet te worden vastgelegd.

Verder is in de stukken noch ter zitting aannemelijk gemaakt dat de vistrap, die [appellant sub 1] in het projectplan vastgelegd wenst te zien, enige functie vervult in het kader van waterberging en redelijkerwijs niet kan worden gemist in het projectplan.

In het ontbreken van deze elementen in het projectplan heeft het college van gs terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden.

De betogen falen.

Zienswijze

12. [appellant sub 1] betoogt dat zijn zienswijze niet dan wel onvoldoende is betrokken bij het projectbesluit.

12.1. Het dagelijks bestuur heeft de zienswijze van [appellant sub 1], zo blijkt uit de nota van zienswijzen, betrokken bij het projectplan. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat zijn zienswijze onvoldoende is betrokken bij het projectplan.

Het betoog faalt.

Correctie van gegevens

13. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het college van gs het projectplan niet had mogen goedkeuren, omdat het dagelijks bestuur in de ontwerpfase van diverse onjuiste gegevens is uitgegaan, hetgeen het naar aanleiding van ingebrachte zienswijzen heeft gecorrigeerd. [appellant sub 1] voert in dit verband aan dat de van het projectplan deel uitmakende kaart 2323-100, zoals ter inzage gelegd bij het ontwerp van het projectplan, enkele onjuiste aanduidingen van waterwegen bevat. Hij betoogt dat op de bij het vastgestelde projectplan behorende kaart weliswaar de juiste aanduidingen zijn vermeld, maar dat het nummer van die kaart ten onrechte niet is gewijzigd.

13.1. Niet is gebleken dat de kaart met nummer 2323-100 die deel uitmaakt van het vastgestelde projectplan, onjuistheden bevat of dat daaruit redelijkerwijs niet kan worden afgeleid waar de daarop aangeduide maatregelen zijn voorzien. Dat op 12 december 2014 aanpassing van de codering van watergangen heeft plaatsgevonden, zoals op die kaart is vermeld, en dat daarbij aan de kaart geen nieuw nummer is toegekend, maakt dat niet anders. Niet aannemelijk is gemaakt dat aan het projectplan zoals dat door het college van gs is goedgekeurd onjuiste gegevens ten grondslag liggen.

13.2. Het betoog faalt.

Inzet waterbergingsgebied, maximaal peil en bergingscapaciteit

14. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat in het projectplan mogelijk niet is uitgegaan van een juiste inzet van het waterbergingsgebied en maximaal peil tijdens inundatie van het waterbergingsgebied, nu het dagelijks bestuur voorafgaand aan het opstellen van het ontwerp van het projectplan is uitgegaan van een geringere inzet van eens in de 50 jaar en een lager maximaal peil van 23,60 m +NAP. [appellante sub 2] wijst er daarnaast op dat in het stuk, waarin ingebrachte zienswijzen worden beantwoord, een maximaal peil van 23,70 m +NAP is vermeld, hetgeen eveneens afwijkt van het maximale peil, waarvan in het projectplan is uitgegaan.

14.1. In het projectplan is vermeld dat de daarin vastgelegde maatregelen zijn afgestemd op een inzet van het waterbergingsgebied van niet meer dan eens in de 25 jaar en een maximaal peil van het te bergen water van 23,66 m +NAP.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat het dagelijks bestuur bij het vaststellen van het projectplan, dan wel het college van gs bij goedkeuring van dat plan, niet van een dergelijke inzet en peil heeft mogen uitgaan. De omstandigheid dat het dagelijks bestuur in de voorfase van een andere frequentie en een ander peil is uitgegaan, geeft daarvoor geen aanleiding. De vermelding in het bij het projectplan behorende stuk "Nota van zienswijzen", dat uit analyse is gebleken dat het areaal dat inundeert tot een waterstand van 23,70 m +NAP nauwelijks toeneemt en dat deze hoogte, met een marge van 4 cm, als maximum is gedefinieerd, staat niet op gespannen voet met de uitgangspunten van het projectplan.

Mede gelet op het deskundigenbericht, waarin staat dat om maximale waterberging in het gebied mogelijk te maken het water tot 23,66 m +NAP moet worden opgestuwd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de in het projectplan voorziene maatregelen wat betreft inzet en peil ten onrechte niet zijn afgestemd op juiste uitgangspunten. Het college van gs heeft hierin dan ook terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden.

Het betoog faalt.

15. [appellante sub 2] betoogt dat in het projectplan mogelijk niet is uitgegaan van deugdelijke gegevens omtrent de bergingscapaciteit, nu de aan het projectplan ten grondslag gelegde cijfers omtrent de bergingscapaciteit anders zijn dan de cijfers die zijn vermeld in het rapport "Hydrologische berekeningen waterberging Valkenswaard-Zuid" van Royal HaskoningDHV van 21 juli 2014 (hierna: het rapport van Royal HaskoningDHV), dat als bijlage bij het projectplan is gevoegd.

15.1. Blijkens het projectplan zijn de daarin vastgelegde maatregelen afgestemd op een maximale bergingscapaciteit van 290.000 m3. Daarbij is ervan uitgegaan dat de reeds in het gebied aanwezige natuurlijke bergingscapaciteit 120.000 m3 bedraagt en de toename als gevolg van de te treffen maatregelen derhalve 170.000 m3. De Afdeling stelt vast dat deze gegevens nagenoeg gelijk zijn aan de gegevens omtrent de bergingscapaciteit, die in het rapport van Royal HaskoningDHV op pagina 26 zijn vermeld als bergingscapaciteit bij een maximale inzet van het waterbergingsgebied met een herhalingstijd van 25 jaar. In het aangevoerde wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat in het projectplan ten onrechte is uitgegaan van een bergingscapaciteit van het waterbergingsgebied van 290.000 m3. Het college van gs heeft in het aangevoerde dan ook terecht hierin geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden.

Het betoog faalt.

Grondwaterstand percelen [appellant sub 1]

16. [appellant sub 1] stelt te vrezen dat de in het projectplan vastgelegde maatregel, inhoudende het verwijderen van een duiker die de watergangen DL31 en het Broek verbindt (aangeduid als ingreep W.2.F), tot gevolg heeft dat het waterpeil in watergang DL31 stijgt en dat dit zal leiden tot verhoging van de grondwaterstand op zijn percelen, kadastraal bekend sectie H, nummers 51 en 56 (hierna: percelen H51 en H56), met nadelige gevolgen voor het agrarische gebruik van die percelen. Volgens [appellant sub 1] kan verhoging van de grondwaterstand worden vermeden door ter plaatse een klepduiker aan te leggen.

16.1. Vast staat dat in de bestaande situatie water van watergang DL31, die buiten het waterbergingsgebied is gelegen, via de bedoelde duiker stroomt naar de watergang het Broek en vervolgens naar watergang DL29, die binnen het waterbergingsgebied is gelegen. In het projectplan is vermeld dat de duiker bij inzet van het waterbergingsgebied kan leiden tot ongewenste overstroming van het gebied ten westen van het waterbergingsgebied. Om die reden is in het projectplan vastgelegd dat de duiker wordt verwijderd.

In het deskundigenbericht staat dat het verwijderen van de duiker, bij een bui die statistisch gezien gemiddeld eens per jaar of eens in de tien jaar voorkomt, niet of nauwelijks tot een hoger waterpeil in watergang DL31 ter hoogte van het perceel H56 leidt. Een stijging van het grondwaterpeil ter plaatse is volgens de StAB dan ook niet te verwachten. Ter hoogte van perceel H51 zal het waterpeil in watergang DL31 bij een bui die gemiddeld eens per jaar voorkomt, weliswaar met maximaal 25 cm kunnen stijgen, maar wateroverlast als gevolg daarvan is volgens de StAB op dat perceel niet te verwachten vanwege de afstand van 150 m tussen dat perceel en de watergang, de hogere ligging van het perceel en de daar voorkomende grondwaterstanden. In het deskundigenbericht is voorts geconcludeerd dat geen effecten voor de afwatering van het bergingsgebied te verwachten zijn.

Partijen hebben de juistheid van genoemde uitgangspunten en conclusies van de StAB niet met concrete argumenten betwist. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om op dit punt te twijfelen aan de juistheid van het deskundigenbericht.

Nu aannemelijk is dat als gevolg van het projectplan geen nadelige effecten zijn te verwachten op de grondwaterstand ter hoogte van de percelen van [appellant sub 1], wordt in het aangevoerde geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college van gs het projectplan niet had mogen goedkeuren.

Het betoog faalt.

Grondwaterstand begraafplaats

17. [appellant sub 1] betoogt dat met de in het projectplan voorziene maatregelen onvoldoende wordt tegengegaan dat bij inzet van het waterbergingsgebied de grondwaterstand stijgt ter plaatse van de begraafplaats aan de Bergstraat te Valkenswaard.

17.1. De door [appellant sub 1] bedoelde begraafplaats ligt ten noordwesten van het waterbergingsgebied en bevindt zich op geringe afstand daarvan.

In het deskundigenbericht staat dat inzet van het waterbergingsgebied geen gevolgen heeft voor de grondwaterstand ter plaatse van bedoelde begraafplaats. Een periode van waterberging gedurende niet meer dan drie tot vier dagen, is volgens de StAB te kort om een kwelstroom teweeg te kunnen brengen die de begraafplaats kan bereiken. Daar komt volgens de StAB bij dat ten oosten van de begraafplaats een sloot ligt, die eventueel kwelwater zou kunnen opvangen.

Voor zover [appellant sub 1] in reactie op het deskundigenbericht heeft gesteld dat verhoging van de grondwaterstand is te verwachten, omdat een regelstuw aan de westzijde van het waterbergingsgebied door het dagelijks bestuur zal worden ingezet om het gebied te vernatten, overweegt de Afdeling dat het projectplan niet voorziet in maatregelen die bedoeld zijn om het gebied te vernatten. [appellant sub 1] heeft zijn stelling dat vanwege verhoging van het peil in watergang DL31 verhoging van de grondwaterstand ter plaatse van de begraafplaats is te verwachten, niet onderbouwd. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding om in zoverre te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de StAB.

Nu niet aannemelijk is dat als gevolg van het projectplan verhoging van de grondwaterstand ter plaatse van de begraafplaats is te verwachten, wordt in het aangevoerde geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college van gs het projectplan niet had mogen goedkeuren.

Het betoog faalt.

Grondwaterstand en afwatering percelen van [appellante sub 2]

18. [appellante sub 2] betoogt dat het college van gs het projectplan niet had mogen goedkeuren, nu hij als gevolg van de in het projectplan voorziene maatregelen nadelige gevolgen zal ondervinden op zijn percelen ten oosten van het waterbergingsgebied. Daartoe voert hij aan dat inzet van het waterbergingsgebied tot verhoging van de grondwaterstand op die percelen leidt. Hij stelt te vrezen dat dit tot schade leidt, nu hij op die percelen onder meer het gewas Ilex vertilicata (besheesters) teelt, dat zeer gevoelig is voor verhoging van de grondwaterstand. Verder voert hij aan dat inzet van het waterbergingsgebied tot gevolg zal hebben dat het waterpeil in afwateringssloten stijgt, hetgeen de afwatering van zijn percelen zal belemmeren. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [appellante sub 2] een rapport van De Bakelse Stroom van 23 april 2015 ingebracht.

18.1. In het deskundigenbericht van 23 juli 2015 is uiteengezet dat afwatering van de buiten het waterbergingsgebied gelegen percelen van [appellante sub 2] plaatsvindt via watergang DL32. Deze watergang ligt ook buiten het waterbergingsgebied en zal niet worden gebruikt voor de afvoer van water uit het waterbergingsgebied. De StAB heeft geconcludeerd dat de ontwatering in percelen ten oosten van het waterbergingsgebied via watergang DL32 als gevolg van inzet van het waterbergingsgebied enigszins zal verbeteren, omdat het peil van de Dommel benedenstrooms daalt. Daardoor zal de watergang DL32 daarop beter afwateren. De inzet van het waterbergingsgebied zal daarom geen negatieve gevolgen hebben op de waterstanden in de DL32 en de grondwaterstand zal in zoverre dan ook niet stijgen, zo staat in het deskundigenbericht.

In het rapport van De Bakelse Stroom wordt niet betwist dat de watergang DL32 beter zal afwateren op de Dommel, zodat de Afdeling geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de StAB. Nu niet aannemelijk is dat het projectplan in zoverre voor de afwatering van de percelen van [appellante sub 2] nadelige gevolgen heeft, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gs het projectplan in zoverre niet had mogen goedkeuren.

Het betoog faalt.

18.2. Wat de grondwaterstanden op de percelen van [appellante sub 2] betreft, overweegt de Afdeling als volgt.

Blijkens het projectplan wordt het waterbergingsgebied slechts ingezet in situaties van langdurige periodes met veel neerslag.

In het deskundigenbericht is uiteengezet dat die situaties als zodanig leiden tot hogere grondwaterstanden. Omdat bij inzet van het waterbergingsgebied het water niet langer dan ten hoogste gedurende drie tot vier dagen zal worden geborgen, kan volgens de StAB geen beïnvloeding van grondwaterstanden rondom het waterbergingsgebied als gevolg van bijvoorbeeld kwel optreden. Een stijging van de grondwaterstand als gevolg van een verhoging van het peil in watergang DL32 is volgens de StAB, nu de afwatering van DL32 niet verslechtert, evenmin te verwachten.

Onder deze omstandigheden is niet aannemelijk dat ten gevolge van het projectplan verhoging van grondwaterstanden op de percelen van [appellante sub 2] optreedt, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college van gs het projectplan in zoverre niet had mogen goedkeuren.

Het betoog faalt.

18.3. Wat betreft het perceel van [appellante sub 2] dat grenst aan de Dommel en ten oosten van het waterbergingsgebied ligt, is in het projectplan vastgelegd dat een grondwal wordt aangelegd aan de westelijke zijde en gedeeltelijk aan de noordelijke en zuidelijke zijde van het perceel. De grondwal moet voorkomen dat het water uit het waterbergingsgebied naar het perceel stroomt. Vast staat dat het perceel gedraineerd is, waarbij afwatering plaatsvindt op een sloot ten noorden van het perceel. Deze sloot staat in verbinding met de Dommel en het waterbergingsgebied.

In het deskundigenbericht staat vermeld dat bij inzet van het waterbergingsgebied water uit dat gebied de sloot kan instromen omdat deze in verbinding staat met het waterbergingsgebied. De drains in het westelijke deel van het perceel, dat 30 cm lager ligt dan het oostelijke deel, zouden dan vol water kunnen lopen.

Het dagelijks bestuur heeft in zijn reactie op het deskundigenbericht gesteld dat de StAB eraan voorbij is gegaan dat het waterbergingsgebied alleen wordt ingezet in de situatie dat vanwege langdurige hevige regenval de grondwater- en oppervlaktewaterstanden al hoog zijn. In die situatie staan volgens het dagelijks bestuur de drainagebuizen op het perceel al vol met water en heeft een kleine verhoging van het slootpeil daarop geen invloed, aldus het dagelijks bestuur. Als de drainagebuizen kortstondig volstaan, levert dit volgens het dagelijks bestuur nog niet direct vernatting van het perceel op.

Wat er ook zij van het antwoord op de vraag of de drainagebuizen vollopen ten gevolge van inzet van de waterberging dan wel door verhoogde grondwaterstanden ten gevolge van langdurige regenval, de Afdeling overweegt dat het dagelijks bestuur niet heeft betwist de juistheid van de stelling van de StAB dat daarnaast ten gevolge van de inzet van de waterberging water langs de noordelijke grondwal kan stromen naar de oostzijde van het perceel en dat daardoor een oppervlakkige afstroming naar het westelijke deel kan plaatsvinden. In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat ook deze omstandigheid mogelijk kan leiden tot vernatting van het westelijke deel van het perceel. Volgens de StAB zal dit gevolgen kunnen hebben voor de groeiomstandigheden op het perceel.

Onder deze omstandigheden acht de Afdeling het niet onaannemelijk dat [appellante sub 2] op het bedoelde perceel nadelige gevolgen zal kunnen ondervinden van de inzet van het waterbergingsgebied. Gelet echter op de omstandigheid dat naar verwachting deze nadelige gevolgen zich niet vaker zullen voordoen dan eens in de 25 jaar en dat het dagelijks bestuur ter zitting heeft bevestigd dat [appellante sub 2] indien schade wordt geleden door inundatie van zijn gronden kan verzoeken om schadevergoeding, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gs, gelet op de betrokken belangen, geen goedkeuring kon verlenen aan het projectplan. Daarbij is van betekenis dat ingevolge artikel 5.7 van de Waterwet goedkeuring slechts kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

18.4. Wat betreft de afwatering van de overige percelen van [appellante sub 2] ten oosten van het waterbergingsgebied is in het deskundigenbericht geconcludeerd dat als gevolg van de in het projectplan voorziene maatregelen geen nadelige gevolgen zijn te verwachten van inzet van het waterbergingsgebied. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie. Derhalve wordt in het aangevoerde geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college van gs het projectplan niet had mogen goedkeuren.

Het betoog faalt.

Verontreiniging gronden

19. [appellant sub 3] en [appellante sub 2] betogen dat de wijze waarop inzet van het waterbergingsgebied in het projectplan wordt voorzien leidt tot verontreiniging van het perceel, kadastraal bekend sectie E, nummer 512 (hierna: perceel E512), dat eigendom is van [appellant sub 3] en waarop [appellante sub 2] Ilex vertilica teelt. Volgens hen leidt de wijze waarop het water overeenkomstig het projectplan door het waterbergingsgebied wordt gevoerd ertoe dat vervuild slib, afkomstig uit de Dommel, op dat perceel wordt afgezet.

20. Vast staat dat het water van de Dommel is verontreinigd met onder meer zink, cadmium en thallium. Voorts staat vast dat het perceel van [appellante sub 2] in de natuurlijke situatie niet overstroomt en bij gestuurde waterberging wel. De inzet van het waterbergingsgebied kan leiden tot afzet van verontreinigd slib op perceel E512 en daarmee tot verslechtering van de bodemkwaliteit, zo staat in het deskundigenbericht. Volgens de StAB zal echter vanwege de korte periode dat de gronden in het waterbergingsgebied onder water staan en omdat continue doorstroming van het water door de wijze van inrichting van het waterbergingsgebied is gegarandeerd, de afzetting van verontreinigd materiaal beperkt zijn. In de enkele betwisting daarvan door [appellante sub 2] wordt geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door de StAB gehanteerde uitgangspunt dat bij doorstromend water minder neerslag van verontreinigd materiaal plaatsvindt dan bij stagnerend water. Volgens het deskundigenbericht zal het perceel E512, omdat het een hoge ligging heeft, verder als laatste inunderen. De verwachting is dat het verontreinigde slib met name op lager gelegen delen van het waterbergingsgebied wordt afgezet.

Nu de afzetting van verontreinigd materiaal op het perceel zich naar verwachting slechts in geringe mate zal voordoen en het dagelijks bestuur met de wijze van doorstroming van het waterbergingsgebied heeft getracht sedimentatie zoveel mogelijk tegen te gaan, bestaat in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gs het projectplan in zoverre niet hadden mogen goedkeuren. Daarbij is nog van belang dat [appellante sub 2] en [appellant sub 3] indien schade is ontstaan door inundatie van de gronden een verzoek om schadevergoeding kunnen doen.

Het betoog faalt.

Conclusie

21. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het college van gs het projectplan ten onrechte niet in strijd met het recht of het algemeen belang heeft geacht.

22. De beroepen zijn ongegrond.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2015

163-727.