Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3247

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
201500681/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft de raad van de voormalige gemeente Maasdonk het bestemmingsplan "Buitengebied Maasdonk, herziening [locatie 1] Geffen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/1028
OGR-Updates.nl 2015-0274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500681/1/R3.

Datum uitspraak: 21 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Geffen, gemeente Oss,

en

de raad van de gemeente Oss, voorheen gemeente Maasdonk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft de raad van de voormalige gemeente Maasdonk het bestemmingsplan "Buitengebied Maasdonk, herziening [locatie 1] Geffen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2015, waar [appellant], bijgestaan door J.H.G.M. van Goch, en de raad, vertegenwoordigd door R.W.E.M. van de Rakt, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door P.A. Jans, zijn verschenen. Verder is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Ter zitting heeft [appellant] de beroepsgrond over de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant ingetrokken.

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. Bij besluit van 31 januari 2012 heeft de raad het gelijknamige bestemmingsplan "Buitengebied Maasdonk, herziening [locatie 1] Geffen" vastgesteld. Dat plan voorzag in een bedrijfsbestemming ten behoeve van een veehandelstransportbedrijf op het perceel [locatie 1] te Geffen. Bij uitspraak van 4 september 2013 in zaak nr. 201202652/1/R3, op het door [appellant] ingestelde beroep, heeft de Afdeling dat besluit vernietigd en de raad opgedragen om binnen 24 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen. Het bestreden besluit beoogt hierin te voorzien.

5. Aan het perceel [locatie 1] te Geffen is de bestemming "Bedrijf" toegekend. Verder is aan het grootste deel van het perceel de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - veehandelstransportbedrijf" toegekend. In het midden van het perceel is de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - verzamelen en verladen van vleesvarkens" opgenomen. Voorts is aan het noordelijke deel van het perceel de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - parkeren" toegekend. In de directe omgeving van het plangebied zijn burgerwoningen en andere bedrijven aanwezig. De woning van [appellant] bevindt zich op ongeveer 67 m ten westen van het bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf".

6. [appellant] voert aan dat het plan volgens de plantoelichting aansluit bij een eerder besluit van het college van burgemeester en wethouders waarbij op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, vrijstelling is verleend voor de vestiging van een veehandelstransportbedrijf op het perceel. Dit vrijstellingsbesluit is evenwel door de rechtbank vernietigd. Dit betekent volgens

[appellant] dat in het kader van deze bestemmingsplanprocedure aan dit besluit geen betekenis meer kan toekomen.

6.1. De raad stelt dat de rechtbank het vrijstellingsbesluit om procedurele redenen heeft vernietigd. Het is volgens de raad onjuist om te stellen dat er door de uitspraak van de rechtbank geen grond meer is het bestemmingsplan vast te stellen.

6.2. Anders dan [appellant] stelt is met het plan niet beoogd gevolg te geven aan een onherroepelijk vrijstellingsbesluit. De uitspraak van de rechtbank staat er niet aan in de weg ten behoeve van de vestiging van het veehandelstransportbedrijf een bestemmingsplan vast te stellen omdat dit een eigenstandige bevoegdheid is van de raad met de daarbij behorende procedure. Het betoog faalt.

7. Voor zover [appellant] betoogt dat in de plantoelichting ten onrechte is vermeld dat in de omgeving van het perceel een veehandelsbedrijf is gevestigd overweegt de Afdeling dat aan de plantoelichting geen bindende betekenis toekomt. Voorts is de gestelde onjuiste informatie in de plantoelichting niet van wezenlijk belang geweest voor de vaststelling van het plan. Het betoog over de plantoelichting kan derhalve niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

8. [appellant] voert aan dat in het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met de ruimtelijke uitstraling van de op het perceel buiten gestalde vrachtauto’s. Hij stelt dat in de plantoelichting is vermeld dat ten westen van de bedrijfskavel een houtsingel zal worden aangelegd, maar dat dit ten onrechte niet wordt gegarandeerd in de planregels.

8.1. In de nota van zienswijzen heeft de raad gesteld dat, omdat parkeren buiten slechts op een specifieke plek mag plaats vinden, in het plan voldoende rekening is gehouden met de landschappelijke uitstraling van de gestalde vrachtauto’s naar de omgeving. Ter zitting heeft de raad evenwel verklaard dat hij de aanleg van een houtsingel op de westgrens van het perceel vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht voor de landschappelijke inpassing. De aanleg en instandhouding van de houtsingel volgens een inpassingsplan is echter niet in de planregels gewaarborgd. Nu de raad de aanleg en instandhouding van een houtsingel op de westgrens van het perceel noodzakelijk acht, is ten onrechte niet een voorwaardelijke verplichting daartoe in het bestemmingsplan opgenomen. Het betoog slaagt.

9. [appellant] voert aan dat de planregels ten onrechte geen tijdstippen bevatten waarop het verzamelen en verladen van varkens mag plaatsvinden. Dit is nodig omdat de vrachtwagens nu niet geheel in de stal passen en varkens niet inpandig kunnen worden verzameld en verladen.

9.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. veehandelstransportbedrijf ten behoeve van het transporteren, verzamelen en verladen van vleesvarkens, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - veehandelstransportbedrijf", met dien verstande dat:

1. de ondergeschikte activiteit van het verzamelen en verladen van maximaal 200 vleesvarkens uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - verzamelen en verladen van vleesvarkens" is toegestaan;

[…];

Het verzamelen en lossen van vleesvarkens dient ter plaatse inpandig plaats te vinden.

9.2. Gelet op artikel 4, lid 4.1, van de planregels is gewaarborgd dat het verzamelen en verladen van de dieren inpandig moet plaatsvinden.

Over de tijden waarop het verzamelen en verladen mag plaatsvinden heeft de raad ter zitting verklaard dat hij het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht dat dit alleen overdag plaatsvindt. Het verzamelen en verladen van vleesvarkens in de nachtperiode wordt evenwel, anders dan de raad heeft beoogd, niet uitgesloten in de planregels. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

10. [appellant] stelt dat volgens de nota van zienswijzen voor het akoestisch onderzoek dat aan het plan ten grondslag ligt is uitgegaan van 40 extra verkeersbewegingen per etmaal vanwege het veehandelstransportbedrijf en dat dit verkeer ontsloten wordt via het kruispunt Elst/Kepkensdonk. Dit is volgens hem ten onrechte niet vastgelegd in de planregels.

10.1. Bij het akoestisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Bestemmingsplan [belanghebbende], [locatie 1] te Geffen" van 29 oktober 2013 (hierna: het akoestisch onderzoeksrapport) van de Omgevingsdienst Brabant Noord (hierna: ODBN) is de te verwachten hoeveelheid verkeer van en naar de inrichting berekend aan de hand van zogeheten GPS gegevens van de vrachtwagens. In het akoestisch onderzoeksrapport wordt uitgegaan van 30 verkeersbewegingen van vrachtauto’s en 10 bewegingen van personenauto’s van en naar de inrichting per etmaal. [appellant] heeft de juistheid van dit uitgangspunt niet betwist.

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een aantal van 40 verkeersbewegingen per etmaal een representatieve weergave vormt van de op basis van de planologische mogelijkheden te verwachten hoeveelheid verkeer en dat er geen aanleiding bestaat om het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting vast te leggen in de planregels.

Het betoog faalt.

11. [appellant] voert aan dat in het akoestisch onderzoeksrapport ten onrechte wordt uitgegaan van een representatief bronvermogen van 105 dB(A) van de vrachtauto’s op het perceel. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in de genoemde uitspraak van 4 september 2013 moet van een representatief bronvermogen van 108 dB(A) worden uitgegaan. [appellant] betoogt dat het plan niet uitsluit dat binnen de inrichting vrachtauto’s met een bronvermogen groter dan 105 dB(A) worden gebruikt.

[appellant] stelt verder dat, zelfs als wordt uitgegaan van een bronvermogen van 105 dB(A), de maximale geluidbelasting op de gevel van de woningen aan De [locatie 2] en [locatie 3] in de nachtperiode 63 dB(A) bedraagt, waarmee de grenswaarde uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit milieubeheer) met 3 dB(A) wordt overschreden. [appellant] betoogt dat weliswaar krachtens artikel 2.20, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer maatwerkvoorschriften kunnen worden vastgesteld voor een hogere waarde voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode, maar dat hieraan de voorwaarde is verbonden dat in de woningen een etmaalwaarde van 35 dB(A) dient te worden gewaarborgd. Hij stelt dat de etmaalwaarde in genoemde woningen volgens het akoestisch onderzoeksrapport 40 dB(A) bedraagt bij een bronvermogen van 105 dB(A).

Verder betwist [appellant] het standpunt van de raad dat bij een maximaal geluidniveau van 63 dB(A) in de nachtperiode op de gevel van de woningen De [locatie 2] en [locatie 3] geen sprake zal zijn van een onacceptabele geluidhinder als het maximale geluidniveau in deze woningen in de nachtperiode beperkt blijft tot 42 dB(A). De raad heeft volgens hem onvoldoende gemotiveerd waarom een dergelijk geluidniveau van beneden de in het Activiteitenbesluit milieubeheer opgenomen grenswaarde van 45 dB(A) binnen de woning acceptabel is. In dit verband merkt [appellant] op dat het hier niet gaat om in- en aanpandige gebouwen waar het Activiteitenbesluit milieubeheer van uitgaat, maar om vrijstaande woningen in het buitengebied.

Voorts betoogt [appellant] dat in de planregels een hoger maximaal geluidniveau is opgenomen voor de nachtperiode, maar dat de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet op deze manier kunnen worden verruimd, omdat daarvoor maatwerkvoorschriften moeten worden vastgesteld.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een bronvermogen van maximaal 105 dB(A) representatief is voor de inrichting, omdat vrachtwagens van derden in de relevante avond- en nachtperiode in de planregels zijn uitgesloten en het maximale geluidniveau in de nachtperiode is gesteld op 63 dB(A), waarbij volgens het akoestisch onderzoeksrapport een bronvermogen van maximaal 105 dB(A) hoort. De raad stelt dat bij dit bronvermogen de maximale geluidbelasting in de nachtperiode op de gevel van de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 3] hoger ligt dan de toegestane maximale geluidbelasting van 60 dB(A) in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De raad stelt dat niettemin sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat omdat de maximale geluidbelasting binnen de woningen [locatie 2] en [locatie 3] in de nachtperiode beneden de grenswaarde van 45 dB(A) ligt als genoemd in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorts stelt de raad dat de omgeving waarin deze woningen staan een gemengde omgeving is met verschillende soorten bedrijven in de nabijheid van de woningen en dat daarom aangesloten kon worden bij de grenswaarde voor in- en aanpandige woningen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorts zullen maatwerkvoorschriften worden vastgesteld waarbij het maximale geluidniveau in de nachtperiode wordt gesteld op 63 dB(A).

11.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels mag het maximale geluidniveau (LAmax) ter plaatse van de gevels van de woningen [locatie 2] en [locatie 3] niet meer bedragen dan 63 dB(A) tussen 23.00 en 07:00 uur (nachtperiode). Tussen 19.00 uur en 07.00 uur (avond- en nachtperiode) mogen geen vrachtwagens van derden in of uit de inrichting rijden, maar uitsluitend eigen vrachtwagens.

11.3. In tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit milieubeheer is, voor zover hier van belang, met betrekking tot het maximale geluidniveau op de gevel van een gevoelig gebouw voor het tijdvak van 23:00 tot 07:00 uur 60 dB(A) als grenswaarde in de zin van artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, vermeld. Daarnaast is met betrekking tot het maximale geluidniveau binnen in- en aanpandige gevoelige gebouwen voor het tijdvak 23.00 tot 07.00 uur een grenswaarde van 45 dB(A) vermeld.

Ingevolge artikel 2.20, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan het bevoegd gezag slechts hogere waarden dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12 vaststellen, indien binnen geluidgevoelige ruimten dan wel verblijfsruimten van gevoelige gebouwen die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd.

11.4. In het akoestisch onderzoeksrapport wordt bij de berekening van het maximale geluidniveau uitgegaan van vrachtauto’s met een bronvermogen van 105 dB(A). Dit is de hoogste waarde van de gemeten niveaus bij de vrachtauto’s die [belanghebbende] feitelijk gebruikt binnen de inrichting. Zoals de Afdeling in de genoemde uitspraak van 4 september 2013 heeft overwogen bedraagt het bronvermogen van een gemiddelde vrachtauto 108 dB(A). De planregels sluiten niet uit dat in de avond- en nachtperiode binnen de inrichting op het perceel ook eigen vrachtauto’s met een hoger bronvermogen dan 105 dB(A) worden gebruikt. De raad heeft dit, zo is ter zitting gebleken, niet onderkend en is derhalve niet uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt.

11.5. De Afdeling overweegt dat in een nieuw te nemen besluit een planregel kan worden vastgesteld waarbij in de avond- en nachtperiode uitsluitend eigen vrachtwagens met een bronvermogen van maximaal 105 dB(A) in of uit de inrichting mogen rijden, zoals door de raad beoogd en waartegen [belanghebbende] geen bezwaar heeft. Met het oog op een finale beslechting van het geschil zal de Afdeling gelet op deze mogelijkheid de overige beroepsgronden bespreken, waarbij het aan het akoestisch onderzoeksrapport ten grondslag gelegde bronvermogen van 105 dB(A) als uitgangspunt wordt genomen.

11.6. Volgens het akoestisch onderzoeksrapport zal als gevolg van het optrekken en afremmen van vrachtauto’s binnen de inrichting op de gevel van de woningen [locatie 2] en [locatie 3] in de nachtperiode een maximale geluidbelasting optreden van 63 dB(A). Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met tabel 2.17a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer bedraagt de grenswaarde voor het maximale geluidniveau op de gevel van een vrijstaande woning in de nachtperiode 60 dB(A). Krachtens artikel 2.20, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan onder voorwaarden bij maatwerkvoorschrift een hogere waarde worden vastgesteld.

De raad heeft in het verweerschrift, zoals toegelicht ter zitting, verklaard dat een dergelijk maatwerkvoorschrift zal worden vastgesteld.

[belanghebbende] heeft gesteld daartegen geen bezwaar te hebben.

Zoals de Afdeling in de uitspraak van 3 september 2014 in zaak nr. 201307924/1/R3 heeft geoordeeld hoeven maatwerkvoorschriften niet al voor de vaststelling van een bestemmingsplan te zijn vastgesteld. De raad moet er wel op voorhand in redelijkheid van kunnen uitgaan dat de maatwerkvoorschriften stand houden in een beroepsprocedure. Het bevoegd gezag kan ingevolge artikel 2.20, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer een hogere waarde vaststellen voor de waarde die is opgenomen in tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit milieubeheer, mits binnen de geluidgevoelige ruimte van deze woning een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) is gewaarborgd. Anders dan [appellant] stelt volgt uit het akoestisch onderzoeksrapport niet dat de etmaalwaarde in de woningen [locatie 2] en [locatie 3] hoger ligt dan 35 dB(A). De etmaalwaarde waarnaar [appellant] verwijst is geen waarde in de woningen maar op de gevels. Uit tabel 1 van het akoestisch onderzoeksrapport volgt dat de etmaalwaarde van de geluidbelasting op de gevel van deze woningen, ondanks de maximale geluidbelasting in de nachtperiode van 63 dB(A), varieert van 38 tot 40 dB(A). Ter zitting heeft de deskundige van ODBN toegelicht dat een enkele piekbelasting in de nachtperiode niet van invloed is op de etmaalwaarde en dat de isolerende werking van de gevel van de woningen leidt tot een reductie van het geluidniveau binnen in de woning van ten minste 20 dB(A) ten opzichte van het geluidniveau op de gevel. Hieruit kan volgens deze deskundige worden afgeleid dat de etmaalwaarde van het geluidniveau binnen geluidgevoelige ruimten van de woningen [locatie 2] en [locatie 3] ruim beneden de 35 dB(A) ligt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze beoordeling onjuist is. Gelet op het voorgaande heeft de raad er in redelijkheid vanuit kunnen gaan dat er maatwerkvoorschriften kunnen worden vastgesteld die voldoen aan artikel 2.17a van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

11.7. Dat hogere waarden kunnen worden vastgesteld voor de geluidbelasting op de gevel in de nachtperiode bij de woningen [locatie 2] en [locatie 3] krachtens artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer betekent niet zonder meer dat kan worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de boordeling van de aanvaardbaarheid van de maximale geluidbelasting op de gevel van de woningen [locatie 2] en [locatie 3] in de nachtperiode heeft de raad zich niet gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening waarop de hiervoor genoemde uitspraak van 4 september 2013 zag, doch aangesloten bij de grenswaarde van 45 dB(A) voor het maximale geluidniveau binnen de woning in de nachtperiode als opgenomen in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Weliswaar is deze waarde ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing op in- en aanpandige gevoelige gebouwen, terwijl het hier gaat om vrijstaande woningen, maar de raad heeft deze grenswaarde in redelijkheid kunnen gebruiken als maatstaf. Daarbij is in aanmerking genomen dat bij een binnenwaarde als gevolg van de piekgeluidbelasting van minder dan 45 dB(A) volgens het memo van ODBN van 29 oktober 2013 geen sprake zal zijn van slaapverstoring of schrikreacties. Overigens zal de raad zoals hiervoor onder 9.2 is overwogen het verzamelen en verladen van vleesvarkens in de nachtperiode in de planregels uitsluiten.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vrachtauto’s binnen de inrichting met een bronvermogen van maximaal 105 dB(A) in de nachtperiode niet zullen leiden tot een onaanvaardbare geluidbelasting op de woningen [locatie 2] en [locatie 3].

12. [appellant] voert aan dat de raad heeft nagelaten om in het kader van een goede ruimtelijke ordening te beoordelen of de indirecte hinder door piekgeluiden, die met het rij- en stopgedrag van vrachtwagens van [belanghebbende] op de kruising Elst/Kepkensdonk nabij zijn woning ontstaan, aanvaardbaar is. Hierbij stelt [appellant] dat volgens het akoestisch onderzoeksrapport bij een bronvermogen van 105 dB(A) de vrachtauto’s een maximale geluidbelasting van 69 dB(A) op de gevel van zijn woning [locatie 4] zullen veroorzaken. Bij deze beoordeling dient volgens hem rekening te worden gehouden met het feit dat de vrachtauto’s vlak langs zijn woning zullen rijden. [appellant] betwist het standpunt van de raad dat het verkeer van en naar de inrichting ter hoogte van de kruising Elst/Kepkensdonk wordt opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Het gaat hier volgens hem om een T-splitsing waarbij het verkeer pas wordt opgenomen in het heersende verkeersbeeld op de Kepkensdonk. Zijn woning staat 20 m voor de T-splitsing.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het verkeer van en naar de inrichting ter plaatse van het kruispunt Elst/Kepkensdonk is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Het stop- en rijgedrag van het verkeer behorende bij de inrichting is bij dit kruispunt gelijk aan het stop- en rijgedrag van het overige verkeer. Daarnaast leidt het veehandelstransportbedrijf volgens hem slechts tot een beperkte toename van verkeer.

12.2. Niet in geschil is dat de vrachtauto’s van en naar het veehandelstransportbedrijf rijden via de Elst en het kruispunt Elst/Kepkensdonk. De afstand tussen de oprit van het veehandelstransportbedrijf en de kruising bedraagt ongeveer 90 m. In het akoestisch onderzoeksrapport wordt opgemerkt dat de vrachtauto’s ter hoogte van de kruising zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit betekent naar het oordeel van de Afdeling dat de vrachtauto’s zich door hun snelheid en stop- en rijgedrag nog niet dan wel niet meer onderscheiden van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Daarnaast wordt in het rapport opgemerkt dat het overige verkeer op de Elst een vergelijkbare, dan wel hogere maximale geluidbelasting op de woning [locatie 4] veroorzaakt.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze beoordeling van ODBN onjuist is. Dat zijn woning 20 m voor de T-splitsing staat is daarvoor onvoldoende, omdat niet valt in te zien waarom ander vrachtverkeer dan dat van de inrichting van [belanghebbende] op die afstand van de splitsing een andere snelheid en rij- en stopgedrag zou hebben. Verder staat in het akoestisch onderzoeksrapport dat op de Elst in de bestaande situatie 800 voertuigen per etmaal rijden, tegenover 40 extra verkeersbewegingen per etmaal van en naar de inrichting als gevolg van het plan. Het veehandelstransportbedrijf leidt daarmee tot een relatief geringe toename van het verkeer.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verkeer van en naar de inrichting ter plaatse van het kruispunt Elst/Kepkensdonk is opgenomen in het heersende verkeersbeeld en de indirecte geluidhinder als gevolg van vrachtautoverkeer van en naar de inrichting niet onaanvaardbaar is.

Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

13. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de in 8.1, 9.2 en 11.4 geconstateerde gebreken in de planregels binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe:

a. de aanleg en instandhouding van de houtsingel aan de westgrens van het perceel in de planregels te waarborgen.

b. het verzamelen en verladen van vleesvarkens in de nachtperiode in de planregels uit te sluiten,

c. in de planregels te waarborgen dat in de avond- en nachtperiode uitsluitend eigen vrachtwagens met een bronvermogen van maximaal 105 dB(A) in of uit de inrichting rijden;

d. dan wel indien daartoe aanleiding bestaat, het bestemmingsplan op andere wijze te wijzigen.

Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de wijziging van het besluit niet te worden toegepast. De raad dient de wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

14. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Oss op om binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van overweging 8.1, 9.2 en 11.4 de daar omschreven gebreken te herstellen door:

a. de aanleg en instandhouding van de houtsingel aan de westgrens van het perceel in de planregels te waarborgen;

b. het verzamelen en verladen van vleesvarkens in de nachtperiode in de planregels uit te sluiten;

c. in de planregels te waarborgen dat in de avond- en nachtperiode uitsluitend eigen vrachtwagens met een bronvermogen van maximaal 105 dB(A) in of uit de inrichting rijden;

d. dan wel, indien daartoe aanleiding bestaat, het bestemmingsplan op andere wijze te wijzigen;

e. de Afdeling en andere partijen de uitkomst mede te delen en

f. de wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Boermans

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2015

429-656.