Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3245

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
201501956/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2015 heeft het college het uitwerkingsplan "Laan van ’t Haantje, Groenrijk en aangrenzend woongebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501956/1/R4.

Datum uitspraak: 21 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Rijswijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2015 heeft het college het uitwerkingsplan "Laan van ’t Haantje, Groenrijk en aangrenzend woongebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2015, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door ir. J. de Oude, bijgestaan door mr. W.J. E. van der Werf, advocaat te ’s-Gravenhage, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In september 2011 is het bestemmingsplan "Sion-‘t Haantje" vastgesteld. Dit plan bevat in artikel 14 en 16 van de planregels een uitwerkingsplicht. Dit uitwerkingsplan is vastgesteld ter voldoening aan die uitwerkingsplicht en voorziet in de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg Laan van ’t Haantje, de uitbreiding van het bestaande tuincentrum Groenrijk en de ontwikkeling van het woongebied tussen Groenrijk en de Prinses Beatrixlaan.

2. [appellante] woont aan de [locatie] te Rijswijk, in de nabijheid van het plangebied. Zij vreest met name een toename van grondwateroverlast als gevolg van de in het uitwerkingsplan voorziene inrichting.

3. Door het onherroepelijk worden van de uit te werken bestemming in het bestemmingsplan "Sion-‘t Haantje" moet de aanvaardbaarheid van de thans voorliggende bestemmingen in beginsel als een gegeven worden beschouwd. Voor zover de uitwerkingsregels ruimte laten om binnen de daarin bepaalde grenzen de inrichting van het gebied in het uitwerkingsplan nader te bepalen, moet worden bezien of de gekozen inrichting van het uitwerkingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

4. [appellante] stelt dat er een toename van het risico op grondwateroverlast bij haar perceel zal ontstaan wanneer de wateronttrekking bij het DSM terrein wordt stopgezet of verminderd, dat er onvoldoende beheersing is van het huidige oppervlaktewaterpeil, en dat maatregelen met betrekking tot bestrijding van de mogelijke toename van wateroverlast onvoldoende zijn beschreven in het uitwerkingsplan. Dit is temeer het geval nu het college in het verweerschrift een effect van 50 cm noemt als gevolg van eventuele stopzetting van de wateronttrekking.

[appellante] vreest voorts voor de gevolgen van de werkzaamheden ter voorbereiding op nieuwe bebouwing en het doortrekken van de Laan van ‘t Haantje. De nieuwe bebouwing komt ongeveer 30 cm hoger te liggen dan het huis waar [appellante] woont. Zij voert aan dat de drainage die daarvoor wordt aangelegd, niet toereikend zal zijn voor haar huis. [appellante] stelt dat monitoring van het grondwaterpeil en eventueel te treffen maatregelen onvoldoende zijn gewaarborgd in het uitwerkingsplan.

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat dit aspect reeds aan de orde is geweest in het bestemmingsplan en destijds voldoende is onderzocht. De problemen vanwege het hoge grondwaterpeil is een reeds bestaand probleem dat niet wordt veroorzaakt door de werkzaamheden met het oog op de in het uitwerkingsplan voorziene ontwikkelingen.

In paragraaf 4.8 van de toelichting op het uitwerkingsplan staat beschreven hoe de huidige en toekomstige situatie van het oppervlaktewatersysteem en het grondwaterpeil destijds ten behoeve van het bestemmingsplan zijn onderzocht. Daarin staat dat bij de bouw van woningen en andere voorzieningen rekening zal worden gehouden met een mogelijke peilstijging van het grondwater en dat er een drainagenetwerk wordt aangelegd, waar ook de bestaande woningen in het gebied profijt van zullen hebben.

Voor zover [appellante] vreest voor grondwateroverlast als gevolg van de stopzetting of vermindering van de wateronttrekking bij het DSM-terrein, stelt het college dat deze grondwateronttrekking plaatsvindt op Delfts grondgebied, dat het college niet betrokken is bij de gemeenschappelijke regeling die deze grondwateronttrekking verzorgt en dat hij derhalve ook niet is betrokken bij de besluitvorming daarover. Mocht in de toekomst worden besloten tot een afbouw van de grondwateronttrekking, dan zal op dat moment worden bezien wat voor consequenties dat heeft voor bestaande en nog te bouwen woningen in Rijswijk Buiten, aldus het college.

4.2. In de plantoelichting staat dat in Rijswijk Buiten de groenstructuur wordt versterkt en een nieuw watersysteem wordt gerealiseerd. Voorts staat in paragraaf 4.8 dat in het kader van de milieueffectrapportage ten behoeve van het bestemmingsplan "Sion-’t Haantje" een waterparagraaf is opgesteld. Daarin is het toekomstige waterhuishoudkundige systeem voor het totale gebied beschreven.

In het rapport "Duurzaamheidsprofiel ’t Haantje", van 11 augustus 2014, staat dat de ecologische oevers natuurvriendelijk worden aangelegd, het regenwater op wegen langs watergangen direct daarop wordt geloosd en er ruim voldoende drooglegging, in combinatie met drainage onder het openbaar gebied is. Volgens het Duurzaamheidsprofiel is door de drainage regulering van het grondwaterpeil goed mogelijk, ook in droge periodes.

4.3. In de waterparagraaf "Rijswijk-Zuid", opgesteld door Witteveen+Bos, ten behoeve van bestemmingsplan "Sion-’t Haantje", van 21 april 2011, staat beschreven dat de knelpunten uit het waterplan die zich binnen het plangebied bevinden in het toekomstige systeem worden opgelost door een aantal maatregelen te treffen. In paragraaf 4.4 van de waterparagraaf staat dat de gewenste drooglegging en het peilbeheer voor de verschillende functies in stedelijk gebied worden bepaald in overleg met de gemeente. Er zijn in overleg met de gemeente een drooglegging van 1,3 m (boezem en polder) en een maaiveldniveau van NAP+0,1 m (polder) afgesproken. Bij de aanleg van bebouwing en voorzieningen moet rekening worden gehouden met een mogelijke peilstijging van 60 cm. Dat betekent dat lozingspunten en kwetsbare functies (zoals delen van de woning) niet beneden dit niveau mogen worden aangelegd. Voorts staat in de waterparagraaf dat er een meetprogramma is gestart om de grondwaterstanden te monitoren.

4.4. De Afdeling overweegt dat de gevolgen voor het waterbeheer en het grondwaterpeil van de in het uitwerkingsplan voorziene ontwikkelingen reeds zijn onderzocht in de waterparagraaf ten behoeve van het bestemmingsplan "Sion-’t Haantje" en dat een mogelijke peilstijging van 60 cm reeds is onderkend. Tevens is in dat kader bezien welke maatregelen getroffen zullen worden om het waterpeil te beheren en is een meetprogramma gestart om de grondwaterstanden te monitoren.

In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over het grondwaterpeil zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de waterparagraaf zodanige gebreken of leemten bevat dat het college zich bij het vaststellen van het uitwerkingsplan hier niet op heeft mogen baseren. [appellante] heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van omstandigheden die nopen tot nader onderzoek, dan wel tot een actualisatie op dit punt.

Er zijn voorts geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het treffen van maatregelen en monitoring van de grondwaterstanden voldoende zijn gewaarborgd.

Het betoog faalt.

5. [appellante] stelt dat onduidelijk is welke uitgangspunten zijn gehanteerd bij het verkeersonderzoek en waarop deze zijn gebaseerd. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk welke leeftijdscategorie is gehanteerd voor toekomstige bewoners van de woningen. Zij stelt dat in de nota van zienswijzen weliswaar staat dat de uitgangspunten en bevindingen van het verkeersonderzoek zijn beschreven in de rapportage van Goudappel Coffeng van 11 november 2010, maar dat ook daarin geen uitleg is gegeven over de gehanteerde gegevens. Nu deze gegevens ten grondslag zijn gelegd aan andere onderzoeken, vreest zij voor overschrijding van de wettelijke grenswaarden voor geluid en luchtkwaliteit.

5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in het verkeersonderzoek ervan is uitgegaan dat de nieuwbouw ten westen van de Lange Kleiweg, ongeveer 3400 woningen, in 2020 zal zijn gerealiseerd. Volgens het masterplan Rijswijk-Zuid zouden in het deelgebied ten oosten van de Lange Kleiweg in de periode tot 2030 nog eens 850 woningen worden gebouwd. In die situatie wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder, aldus het college. Nadien is echter besloten om het deelgebied ten oosten van de Lange Kleiweg niet op te nemen in het bestemmingsplan. Dat betekent dat te minder aannemelijk is dat de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder wordt overschreden. Er zullen immers minder bewoners gebruik maken van de Laan van ’t Haantje als verbindingsweg tussen de Lange Kleiweg en de Prinses Beatrixlaan, aldus het college.

Voorts stelt het college dat toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit niet aan de orde is, omdat het project Sion - ’t Haantje is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL), onder IB-nr. 1451, nog daargelaten dat geen toetsing plaatsvindt in het kader van een uitwerkingsplan, aldus het college

5.2. In het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ten behoeve van het bestemmingsplan "Sion-’t Haantje" - Uitwerkingsplan "Laan van ’t Haantje, Groenrijk en aangrenzend woongebied", van 13 augustus 2014, uitgevoerd door Kuiper Compagnons (hierna: het geluidrapport) staat in hoofdstuk 3 dat de uitgangspunten voor de geluidberekeningen voor de Laan van ’t Haantje, de Prinses Beatrixlaan en de Lange Kleiweg zijn gebaseerd op het "Verkeersonderzoek Rijswijk-Zuid", uitgevoerd door Goudappel Coffeng in het kader van de milieueffectrapportage Rijswijk-Zuid, van 11 november 2010 (hierna: het verkeersonderzoek).

In het verkeersonderzoek staat in hoofdstuk 2 dat voor de verkeersberekeningen gebruik is gemaakt van het verkeersmodel Haaglanden Periferie. In dit model is de gemeente Rijswijk gedetailleerd opgenomen. Dit model voor Rijswijk is in 2009 geactualiseerd. In bijlage 1 van het verkeersonderzoek staan de uitgangspunten genoemd die zijn gehanteerd in het verkeersmodel, zoals het aantal inwoners, het aantal woningen en scholen, supermarkten en overige winkelvoorzieningen. Volgens deze bijlage kan voor Rijswijk Zuid worden uitgegaan van circa 4.250 woningen, wat bij benadering leidt tot circa 10.000 inwoners. In zoverre is er geen aanleiding voor het oordeel dat onduidelijk is welke uitgangspunten bij het verkeersonderzoek zijn gehanteerd.

In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de leeftijdscategorie van toekomstige bewoners is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat bij het verkeersonderzoek van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. Voorts zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het verkeersonderzoek zodanige gebreken of leemten bevat dat dit niet ten grondslag gelegd had mogen worden aan het geluidrapport en dat het college zich bij het vaststellen van het uitwerkingsplan hier niet op heeft mogen baseren.

Volgens het geluidrapport zullen de ontwikkelingen in het uitwerkingsplan bij de woning van [appellante] niet tot een overschrijding van de wettelijke voorkeursgrenswaarde leiden. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder wordt voldaan.

5.3. Ten aanzien van de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit overweegt de Afdeling als volgt.

In artikel 5.16, tweede lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) zijn de bevoegdheden en wettelijke voorschriften genoemd, waarbij een toets aan het eerste lid is aangewezen.

Het project "Sion-‘t Haantje" is vastgesteld met toepassing van artikel 5.16, eerste lid, onder d, van de Wm. Uit het tweede lid, onder c, van artikel 5.16 van de Wm volgt dat dit artikel ziet op het vaststellen van een bestemmingsplan en niet op een uitwerkingsplan dat is gebaseerd op een bestemmingsplan. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat bij het vaststellen van een uitwerkingsplan niet opnieuw aan de normen uit de Wm behoeft te worden getoetst.

Het betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Heinen, griffier.

w.g. Michiels w.g. Heinen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2015

632.