Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
201500155/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:10936, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 17 oktober 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag voor de jaren 2009 en 2010 herzien naar nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500155/1/A2.

Datum uitspraak: 21 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 december 2014 in zaak nr. 13/4224 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 17 oktober 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag voor de jaren 2009 en 2010 herzien naar nihil.

Bij besluit van 26 september 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2015, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, werkzaam bij de dienst, is verschenen.

Overwegingen

1. Aan het besluit van 26 september 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat de kinderopvang in 2009 en 2010 heeft plaatsgehad op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) en onvoldoende is aangetoond dat [appellante] daadwerkelijk betalingen heeft verricht.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank het besluit van 2 december 2011 ten onrechte niet heeft aangemerkt als definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2010, zodat herziening daarvan slechts mogelijk is met toepassing van artikel 21 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir). Uit een brief aan haar van 15 juli 2011 moet worden afgeleid dat de Belastingdienst/Toeslagen na toezending van de bij die brief gevraagde gegevens de toeslag definitief zou vaststellen, aldus [appellante].

2.1. In het besluit van 2 december 2011 is vermeld dat het voorschot kinderopvangtoeslag 2010 is gewijzigd. Uit de tekst blijkt dat het niet een definitieve vaststelling betrof. Dat de Belastingdienst/Toeslagen in de brief van 15 juli 2011 aan [appellante] heeft medegedeeld: "Voordat wij uw kinderopvangtoeslag definitief berekenen, willen wij uw gegevens nog controleren", maakt niet dat het besluit van 2 december 2011 niettemin moet worden aangemerkt als definitieve vaststelling voor het jaar 2010. De Belastingdienst/Toeslagen was ook niet gehouden na de brief van 15 juli 2011 de kinderopvangtoeslag voor 2010 definitief vast te stellen.

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat, nu in de overgelegde overeenkomsten, die zijn aangegaan op 15 december 2009, zowel de aan de gastouder te betalen uurprijs als het adres van de kinderen ontbreken. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2014 in zaak nr. 201304819/1/A4 kan worden afgeleid dat indien een van de gegevens ontbreekt, dit niet betekent dat een overeenkomst niet als bewijs voor kinderopvang kan dienen. Bovendien heeft de Belastingdienst/Toeslagen de ter zitting in hoger beroep overgelegde overeenkomsten in zaak nr. 201306939/1/A2 wel geaccepteerd, aldus [appellante].

3.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van de kosten van kinderopvang per kind, die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 14 januari 2015 in zaak nr. 201403141/1/A2 moet, indien een ouder aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, deze inzicht geven in de met het gastouderbureau gemaakte afspraken over de kinderopvang door een overeenkomst over te leggen, waaruit die afspraken blijken. Uit artikel 7, eerste lid, van de Wko blijkt dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag onder meer afhankelijk is van de kosten van kinderopvang per kind, die worden bepaald door het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar en de voor die kinderopvang te betalen prijs. De voor de kinderopvang te betalen prijs is een van de wezenlijke onderdelen van de overeenkomst. In de door [appellante] aangehaalde uitspraak ontbrak anders dan in dit geval slechts de datum van ondertekening van de overeenkomst.

3.3. Dat [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen in de zaak 201306939/1/A2 tot een schikking zijn gekomen, maakt niet dat de bij brief van 20 september 2012 overgelegde overeenkomsten van 1 januari 2010 en 1 mei 2010 door de dienst zijn aanvaard.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich voorts op het standpunt mogen stellen dat de overeenkomsten die [appellante] in de zaak nr. 201306939/1/A2 en in deze zaak in hoger beroep heeft overgelegd, niet als voldoende bewijs kunnen worden aangemerkt. [appellante] heeft eerder overeenkomsten die zijn aangegaan op 15 december 2009 overgelegd. In de nadien overgelegde overeenkomsten wordt niet naar die overeenkomsten verwezen. Niet aannemelijk is dat de nadien overgelegde overeenkomsten een aanvulling op de eerder overgelegde overeenkomsten zijn. Verder heeft [appellante] de nadien opgestelde overeenkomsten pas ruim nadat de dienst haar om de ontbrekende gegevens had gevraagd, overgelegd in een andere procedure. [appellante] heeft geen verklaring gegeven waarom deze overeenkomsten niet eerder zijn of konden worden overgelegd.

3.4. Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt ten slotte tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat de Belastingdienst/Toeslagen haar ten onrechte niet heeft gehoord alvorens te beslissen op haar bezwaar. Nu de door [appellante] overgelegde overeenkomst niet aan de gestelde eisen voldeed, was er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat zij over 2009 en 2010 geen aanspraak had op kinderopvangtoeslag. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen van het horen van [appellante] mocht afzien (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2014 in zaak nr. 201308714/1/A2).

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2015

362.