Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3199

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
201409015/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hun opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hen uitgevaardigd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409015/1/V1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3]; tezamen hierna: de vreemdelingen),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 9 oktober 2014 in zaak nr. 13/31841 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hun opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hen uitgevaardigd.

Bij besluit van 12 december 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 oktober 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam, hebben een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een zienswijze ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De vreemdelingen hebben een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd volgens de overgangsregeling van de Regeling langdurig verblijvende kinderen (hierna: de Regeling), ten tijde van de aanvraag neergelegd in paragraaf B22/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000).

Vreemdeling 3 is de moeder van vreemdelingen 1 en 2. De vreemdelingen hebben bij hun aanvraag vreemdeling 1 aangemerkt als hoofdpersoon.

3. Hetgeen in het incidenteel hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014 in zaak nr. 201402671/1/V1, waarbij de Afdeling blijft en waaraan hetgeen in incidenteel hoger beroep is aangevoerd niet afdoet, geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

4. Het incidenteel hoger beroep is kennelijk ongegrond.

5. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, in het licht van hetgeen de vreemdelingen hebben aangevoerd over het in de Regeling gemaakte onderscheid tussen vreemdelingen met en zonder asielachtergrond, zijn besluit in zoverre ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij zich, gelet op de achtergrond van het gemaakte onderscheid, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit onderscheid gerechtvaardigd is.

5.1. De door de staatssecretaris in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 22 oktober 2014 in zaak nr. 201402671/1/V1. Uit de overwegingen van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft en waaraan hetgeen de vreemdelingen in verweer hebben aangevoerd niet afdoet, volgt dat de grief slaagt.

6. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het beroep van de vreemdelingen op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) ondeugdelijk gemotiveerd heeft weerlegd. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij voldoende heeft gemotiveerd waarom het beroep van de vreemdelingen op artikel 8 van het EVRM faalt.

6.1. De staatssecretaris heeft aan zijn standpunt het volgende ten grondslag gelegd. De vreemdelingen zijn in 2000 Nederland ingereisd. Vreemdeling 1 was toen zeven en vreemdeling 2 elf jaar oud. Pas in 2004 hebben de vreemdelingen een aanvraag om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen ingediend. Na afwijzing van deze aanvraag bij besluit van 22 februari 2005 hebben zij hun verblijf in Nederland voortgezet zonder dat zij in het bezit waren van een verblijfsvergunning. Het langdurig verblijf van de vreemdelingen in Nederland en de gedurende dat verblijf aangegane banden zijn geen bijzondere omstandigheden. Voorts heeft de staatssecretaris van belang geacht dat vreemdeling 3 het grootste deel van haar leven in Egypte heeft gewoond en dat de vreemdelingen de Nederlandse taal niet bijzonder goed beheersen. Tussen de vreemdelingen en hun 76-jarige (groot)moeder, die de Nederlandse nationaliteit bezit, bestaan geen meer dan gebruikelijke banden. Weliswaar bevestigt de door de vreemdelingen overgelegde informatie van de huisarts dat zij bekend is met diverse medische klachten, doch niet valt in te zien dat deze leiden tot een bijzondere afhankelijkheid tussen haar en de vreemdelingen. De geschetste omstandigheden wijzen er niet op dat zij volledig afhankelijk is van haar familieleden. Dat de vreemdelingen met haar samenwonen terwijl zij geen rechtmatig verblijf hebben, leidt de staatssecretaris niet tot een ander oordeel. Uit de door de vreemdelingen overgelegde stukken valt af te leiden dat vreemdeling 1 autistisch is, als gevolg waarvan hij niet tegen veranderingen kan. De staatssecretaris onderkent dat het voor hem moeilijker zal zijn dan voor anderen om zich in een ander land te vestigen, maar neemt in aanmerking dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat in Egypte geen speciale hulp of scholing mogelijk is en dat vreemdeling 1 niet alleen, maar in het gezelschap van vreemdelingen 2 en 3 moet terugkeren naar Egypte, waar vreemdeling 3 het grootste deel van haar leven heeft gewoond. Gelet hierop valt volgens de staatssecretaris in redelijkheid niet in te zien dat vreemdeling 1 zich niet zou kunnen aanpassen aan het leven in Egypte. De door de vreemdelingen gestelde ongunstige sociaal-economische positie van vrouwen - met name van gescheiden vrouwen zoals vreemdeling 3 - in Egypte en de gestelde moeilijkheid om huisvesting te vinden zijn geen objectieve belemmeringen om het gezins- en privéleven in Egypte uit te oefenen. Hetgeen de vreemdelingen hebben aangevoerd over de veiligheidssituatie in Egypte betreft volgens hem een asielgerelateerd aspect. Indien de vreemdelingen om die reden in Nederland willen blijven, kunnen zij een asielaanvraag indienen, aldus de staatssecretaris.

6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 november 2013 in zaak nr. 201207970/1/V3) volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, en Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09 (hierna: het arrest Butt) (www.echr.coe.int) - en de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2) - dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een fair balance moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

Uit het arrest Butt kan voorts worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouders van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders gebruikmaken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Indien de desbetreffende vreemdeling dan wel diens ouders konden - althans hadden moeten - weten dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was, bestaat slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat artikel 8 van het EVRM dwingt tot het laten voortzetten van het privéleven onderscheidenlijk familie- en gezinsleven.

6.3. De rechter moet beoordelen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de staatssecretaris een fair balance heeft getroffen tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toetsing.

6.4. De vreemdelingen konden door de afwijzing van de door hen in 2004 ingediende aanvraag weten dat hun verblijfspositie onzeker was. De vreemdelingen beschikken niet over een verblijfsvergunning, zodat het risico bestaat dat vreemdeling 3 gebruik maakt van de positie van vreemdelingen 1 en 2 om een verblijfsrecht te verkrijgen. Gelet op 6.2 bestaat daarom slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat artikel 8 van het EVRM dwingt tot het laten voortzetten van het privéleven onderscheidenlijk familie- en gezinsleven in Nederland.

De vreemdelingen hebben het standpunt van de staatssecretaris, dat uit de verklaring van de school van vreemdeling 1 van 29 januari 2013 niet kan worden afgeleid dat zijn situatie dusdanig ernstig is dat hij de andere vreemdelingen niet naar Egypte kan volgen en dat die verklaring er veeleer op wijst dat vreemdeling 1 weliswaar moeite heeft met veranderingen maar dat deze voor hem niet onoverkomelijk zijn, niet gemotiveerd bestreden.

Verder kan uit de door de vreemdelingen genoemde Reports on Human Rights Practices for 2012 van het U.S. State Department, dat over Egypte vermeldt dat personen met een geestelijke handicap worden gediscrimineerd en dat een wettelijk verbod op discriminatie in onderwijs en toegang tot gezondheidszorg of andere overheidsvoorzieningen ontbreekt, niet worden afgeleid dat in Egypte geen speciale hulp of scholing bestaat voor jongvolwassenen die, zoals vreemdeling 1, bekend zijn met de autismespectrumstoornis PDD-NOS.

Voorts heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de vreemdelingen langdurig bij hun (groot)moeder wonen, vreemdeling 1 aan een autismespectrumstoornis lijdt en zijn vormende jaren bij haar heeft doorgebracht en de (groot)moeder gezondheidsklachten heeft - volgens een verklaring van haar huisarts is zij bekend met chronische maagklachten, chronische luchtwegklachten en een forse artrose van de rechterknie en heeft zij een galblaasoperatie ondergaan - geen blijk geeft van een dusdanige bijzondere afhankelijkheid dat tussen de (groot)moeder en de ten tijde van het besluit van 12 december 2013 meerderjarige vreemdelingen meer dan de normale emotionele banden bestaan.

Het betoog van de vreemdelingen dat de staatssecretaris wegens de algemene veiligheidssituatie in Egypte van hen niet mag vergen dat zij naar dat land terugkeren, kan in de voorliggende procedure niet worden beoordeeld. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen desgewenst een asielaanvraag kunnen indienen.

6.5. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van de vreemdelingen uitvalt.

De grief slaagt.

7. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 12 december 2013 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

8. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat onder de door hen genoemde omstandigheden de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet krachtens artikel 4:84 van de Awb ten gunste van hen van het beleid is afgeweken. Die omstandigheden bestaan er volgens de vreemdelingen uit dat zij gepoogd hebben hun verblijf te legaliseren, de moeder van vreemdeling 3 (hierna: de (groot)moeder) de Nederlandse nationaliteit heeft en wegens haar gezondheidstoestand van hen afhankelijk is, vreemdelingen 1 en 2 geworteld zijn, de vreemdelingen gezinsleven met hun (groot)moeder hebben, vreemdeling 1 bekend is met PDD-NOS, de vreemdelingen vervreemd zijn geraakt van hun land van herkomst, Egypte, waar zij geen familie, woning en werk hebben, de situatie in Egypte zeer onveilig is en de situatie van vrouwen en met name gescheiden vrouwen in Egypte slecht is.

8.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2009 in zaak nr. 200808634/1/V3 volgt dat aangevoerde omstandigheden slechts tot afwijking van een beleidsregel kunnen nopen, indien die omstandigheden binnen strekking en reikwijdte van de wettelijke bevoegdheid vallen ter invulling waarvan de beleidsregel strekt. Voorts volgt uit die uitspraak dat alleen omstandigheden die moeten worden geacht niet bij de totstandkoming van de beleidsregel te zijn betrokken, bijzonder zijn als bedoeld in voormeld artikel 4:84 van de Awb.

8.2. Het langdurig verblijf van vreemdelingen in Nederland en de gevolgen daarvan zijn omstandigheden die de staatssecretaris bij de vaststelling van de Regeling heeft betrokken. De overige door de vreemdelingen aangevoerde omstandigheden vallen buiten de strekking en reikwijdte van de bevoegdheid ter invulling waarvan de Regeling strekt. De aangevoerde omstandigheden zijn derhalve niet bijzonder als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.

Deze beroepsgrond faalt.

9. De vreemdelingen hebben voorts aangevoerd dat onder de hiervoor, onder 8. genoemde omstandigheden de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan de in artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) opgenomen hardheidsclausule.

9.1. Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 wijst de staatssecretaris de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv-vereiste).

Ingevolge artikel 3.71, vierde lid, kan de staatssecretaris het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule).

9.2. In het besluit van 12 december 2013 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd volgens de Regeling te verlenen afgewezen omdat zij niet voldoen aan de in de Regeling genoemde vereisten voor verlening van een zodanige vergunning. Volgens de Regeling wijst de staatssecretaris de aanvraag in dat geval af wegens het niet voldoen aan het mvv-vereiste. Vrijstelling van dit vereiste volgens de hardheidsclausule neemt niet weg dat de vreemdelingen om voor een vergunning volgens de Regeling in aanmerking te komen ook moeten voldoen aan de in de Regeling genoemde vereisten, zodat vrijstelling van het mvv-vereiste de vreemdelingen niet kan baten.

Deze beroepsgrond faalt.

10. De vreemdelingen hebben verder aangevoerd dat de staatssecretaris hun ten onrechte heeft opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen hen een inreisverbod voor de duur van twee jaren heeft uitgevaardigd.

10.1. Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000, moet een vreemdeling tegen wie de staatssecretaris een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd Nederland uit eigen beweging binnen vier weken verlaten.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan de staatssecretaris de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de desbetreffende vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van het Vb 2000, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan de staatssecretaris een risico als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw 2000 aannemen indien feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000 op een vreemdeling van toepassing zijn.

Ingevolge het tweede lid is artikel 5.1b, tweede lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 5.1b, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, voldoet een vreemdeling aan de vereisten voor inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, voldaan, indien hij:

[…]

c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

[…]

i. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

j. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

[...].

Ingevolge het tweede lid voldoet een vreemdeling niet aan de vereisten voor inbewaringstelling, bedoeld in het eerste lid, indien slechts één van de feiten of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid, van toepassing is.

10.2. De staatssecretaris heeft aan de opdracht aan de vreemdelingen om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten ten grondslag gelegd dat een risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zullen onttrekken omdat zich de in artikel 5.1b, eerste lid, onder c, i, en j, van het Vb 2000 genoemde omstandigheden voordoen.

10.3. Het betoog van de vreemdelingen dat zij door de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 november 2013, die het besluit van 15 augustus 2013 heeft geschorst en de staatssecretaris heeft verboden de vreemdelingen uit te zetten totdat hij op het door hen tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft beslist, niet alleen in de aanvraagfase maar ook in de bezwaarfase rechtmatig verblijf hadden, zodat hij hun ten onrechte heeft opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen hen ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd, faalt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2014 in zaak nr. 201310931/1/V1 is het in het besluit van 15 augustus 2013 vervatte terugkeerbesluit door het daardoor ontstane rechtmatig verblijf niet komen te vervallen, maar voor de duur daarvan opgeschort. Ook het inreisverbod is om die reden niet vervallen.

10.4. Het betoog van de vreemdelingen dat het verkorten van de vertrektermijn in strijd is met artikel 73, eerste lid, van de Vw 2000 omdat ingevolge deze bepaling de werking van het besluit van 15 augustus 2013 is opgeschort totdat de staatssecretaris op het daartegen gemaakte bezwaar heeft beslist, faalt om dezelfde reden.

10.5. De vreemdelingen hebben verder aangevoerd dat zij onvoldoende hebben kunnen reageren op het voornemen tot het uitvaardigen van het inreisverbod omdat de staatssecretaris daarin de elementen bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 18 december 2008 in zaak nr. C-349/07, Sopropé, (ECLI:EU:C:2008:746) onvoldoende duidelijk heeft vermeld.

In voormeld arrest, punten 36 en 37, heeft het Hof overwogen dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht vormt dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Dit beginsel vereist volgens het Hof dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren.

In het voornemen van 16 juli 2013 tot het uitvaardigen van het inreisverbod heeft de staatssecretaris vermeld dat grond bestaat om aan te nemen dat een risico bestaat dat de vreemdelingen zich aan het toezicht zullen onttrekken omdat zij de datum waarop zij Nederland hadden moeten verlaten bewust hebben overschreden, geen vaste woon- of verblijfplaats hebben en onvoldoende middelen van bestaan hebben, en heeft hij toegelicht waarom deze omstandigheden voormeld risico doen ontstaan. De staatssecretaris heeft aldus de elementen waarop hij zijn besluit tot het uitvaardigen van het inreisverbod wil baseren duidelijk uiteengezet.

Het betoog faalt.

10.6. De vreemdelingen hebben voorts aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zullen onttrekken. Daartoe hebben zij onder meer betoogd dat artikel 5.1b van het Vb 2000 niet duidelijk maakt wanneer hij voormeld risico daadwerkelijk aanneemt, nu hij door de formulering van die bepaling in geval van niet-rechtmatig verblijf steeds een dergelijk risico kan aannemen. Hierdoor is volgens de vreemdelingen richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) in zoverre onvoldoende geïmplementeerd.

10.6.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2012 in zaak nr. 201200612/1/V3 volgt dat de staatssecretaris nader moet toelichten waarom hij op basis van de gronden die hij aan het terugkeerbesluit ten grondslag heeft gelegd aannemelijk acht dat het risico bestaat dat de desbetreffende vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Reeds hierom faalt het betoog dat de staatssecretaris in geval van niet-rechtmatig verblijf steeds een dergelijk risico kan aannemen waardoor de Terugkeerrichtlijn in zoverre onvoldoende zou zijn geïmplementeerd.

10.6.2. Voorts hebben de vreemdelingen aangevoerd dat zich in dit geval niet ten minste twee omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, in samenhang met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000.

Daartoe hebben zij onder meer betoogd dat de staatssecretaris hun ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij over onvoldoende middelen van bestaan beschikken, omdat deze omstandigheid niets zegt over het risico dat zij zich aan het toezicht zullen onttrekken.

10.6.2.1. Dit betoog faalt. Anders dan de vreemdelingen aanvoeren, volgt uit de uitspraak van 13 mei 2011 in zaak nr. 201101548/1/V3 niet dat het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan niets zegt over voornoemd risico. Bij deze grond is wel een nadere toelichting vereist. In het voornemen van 16 juli 2013, waarnaar in het besluit van 15 augustus 2013 is verwezen, heeft de staatssecretaris toegelicht waarom deze omstandigheid in het geval van de vreemdelingen bijdraagt aan voornoemd risico.

10.6.2.2. Verder hebben de vreemdelingen aangevoerd dat de staatssecretaris hun ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij geen vaste woon- of verblijfplaats hebben. Daartoe hebben zij betoogd dat de staatssecretaris bekend was met hun verblijfadres, inschrijving in de gemeentelijke basisregistratie persoonsgegevens (hierna: GBA; thans: basisregistratie personen) niet mogelijk was wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en de omstandigheid dat de kinderen schoolgaand waren wel iets zegt over het ontbreken van risico op onderduiken.

10.6.2.2.1. De staatssecretaris heeft, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2010 in zaak nr. 201002892/1/V3, in redelijkheid tot uitgangspunt kunnen nemen dat voor toepassing van de hier aan de orde zijnde bepalingen sprake is van een vaste woon- of verblijfplaats, indien de desbetreffende vreemdeling op een gesteld adres in de GBA is ingeschreven. Niet in geschil is dat hiervan in het geval van de vreemdelingen geen sprake is. Voorts heeft de staatssecretaris de vreemdelingen in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat zij hun enkele stelling dat het niet mogelijk was om zich in de GBA in te schrijven, niet hebben onderbouwd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vreemdelingen gedurende de behandeling van hun aanvraag van 1 november 2004 om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd rechtmatig verblijf hadden in de zin van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. In de door de vreemdelingen gestelde omstandigheid dat de staatssecretaris op 8 april 2013 post naar hun adres heeft verzonden heeft de staatssecretaris in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om aannemelijk te achten dat de vreemdelingen over een vaste woon- of verblijfplaats beschikken, nu de vreemdelingen niet hebben weersproken dat, zoals de staatssecretaris heeft opgemerkt, evengenoemde post is verzonden in reactie op brieven die zij aan de staatssecretaris hebben verzonden met vermelding van hun adres. Ten slotte heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat vreemdelingen 1 en 2 onderwijs hebben gevolgd, onvoldoende is om aannemelijk te achten dat zij een vaste woon- of verblijfplaats hebben.

Dit betoog faalt.

10.6.2.3. Uit het voorgaande volgt dat het betoog van de vreemdelingen dat zich in dit geval niet ten minste twee omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, in samenhang met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000, faalt.

10.6.3. Uit het voorgaande volgt voorts dat het betoog dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zullen onttrekken, faalt.

10.7. De vreemdelingen hebben ten slotte aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte geen kenbare belangenafweging heeft verricht en heeft miskend dat zij als gevolg van het inreisverbod hun (groot)moeder niet meer in Nederland zullen kunnen bezoeken zolang het inreisverbod voortduurt.

10.7.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 15 juni 2012 in zaak nr. 201201202/1/V4 zal, indien een vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan volgens hem aanleiding zou bestaan voor een verdere verkorting van de duur van het inreisverbod, de staatssecretaris, indien hij daarin geen aanleiding ziet het inreisverbod verder te verkorten, ingevolge artikel 3:46 van de Awb dit standpunt moeten motiveren.

Hoewel de vreemdelingen hebben gewezen op de onmogelijkheid om hun in Nederland wonende (groot)moeder te bezoeken en daarbij hebben gewezen op haar gezondheidstoestand, heeft de staatssecretaris in zijn besluit van 12 december 2013 niet gemotiveerd waarom deze omstandigheid hem geen aanleiding geeft het inreisverbod verder te verkorten.

Het betoog slaagt.

10.8. Deze beroepsgrond slaagt.

11. Het beroep is gegrond. Het besluit van 12 december 2013 komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking voor zover de staatssecretaris daarbij het tegen de vreemdelingen uitgevaardigde inreisverbod heeft gehandhaafd.

12. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 9 oktober 2014 in zaak nr. 13/31841;

IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

V. vernietigt het besluit 12 december 2013, V-nrs. [...], [...] en [...], voor zover de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie daarbij het tegen de vreemdelingen uitgevaardigde inreisverbod heeft gehandhaafd;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdelingen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. De Groot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2015

210.