Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3195

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
201409301/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Rijnhal - Decathlon" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409301/1/R2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Wereldhave Nederland B.V., gevestigd te Den Haag (hierna: Wereldhave),

appellante,

en

1. de raad van de gemeente Arnhem

2. het college van burgemeester en wethouders van Arnhem,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Rijnhal - Decathlon" vastgesteld.

Bij besluit van 8 oktober 2014 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van de Rijnhal tot een filiaal van de Decathlon aan de Olympus 1 tot en met 5 te Arnhem.

Tegen deze besluiten heeft Wereldhave beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Wereldhave heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2015, waar Wereldhave, vertegenwoordigd door mr. G. Aarts, advocaat te Amsterdam, mr. F.L. Molewijk, ir. S. Buvelot en W. Frielink, en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, ing. B. Lagerberg en drs. A.J.L. Mein, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Orange Estate B.V., vertegenwoordigd door R.G. Wakelkamp, belanghebbende, gehoord.

Overwegingen

Intrekking beroepsgronden

1. Ter zitting heeft Wereldhave haar beroepsgronden omtrent de Omgevingsverordening Gelderland en artikel 2.7 van de Regeling omgevingsrecht, ingetrokken.

De besluiten

2. Het besluit van 29 september 2014 en het besluit van 8 oktober 2014 zijn met toepassing van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

3. Het plan voorziet in de herontwikkeling van de aan de Olympus 1 tot en met 5 te Arnhem gelegen Rijnhal ten behoeve van de vestiging van een sportwinkel met leisure en horeca. De omgevingsvergunning is verleend voor het verbouwen van de Rijnhal.

Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

5. Wereldhave, eigenaar en verhuurder van winkelcentrum Kronenburg waarbinnen ongeveer 110 winkels in verschillende branches zijn gevestigd, kan zich niet met het plan verenigen. Zij betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met het provinciale beleid dat is neergelegd in paragraaf 3.1.4.2 van de Omgevingsvisie Gelderland, vastgesteld bij besluit van 9 juli 2014 door provinciale staten van Gelderland.

5.1. De raad wijst erop dat de Omgevingsvisie Gelderland na de vaststelling van het plan in werking is getreden en stelt zich op het standpunt dat voldoende rekening is gehouden met het daarin neergelegde provinciale beleid.

5.2. Het door Wereldhave bedoelde provinciale beleid houdt kort weergegeven in dat wordt gestreefd naar een evenwichtige en toekomstbestendige detailhandel die bijdraagt aan vitale, aantrekkelijke steden en dorpen, in welk verband het wenselijk wordt geacht overcapaciteit aan winkels terug te dringen. Dit provinciale beleid werd ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds gevoerd en was tevens neergelegd in paragraaf 3.1.4.2 van de bij besluit van 9 juli 2014 door provinciale staten van Gelderland vastgestelde Omgevingsvisie Gelderland, welke na de vaststelling van het plan in werking is getreden. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan echter niet gebonden aan beleid van de provincie dat is opgenomen in structuurvisies of in andere beleidsdocumenten. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In paragraaf 4.4 van de plantoelichting is onder meer aandacht besteed aan de vraag in hoeverre marktruimte bestaat voor de in het plan voorziene ontwikkeling. Hetgeen Wereldhave heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het provinciale beleid niet afdoende zou hebben betrokken in zijn belangenafweging.

Het betoog faalt.

6. Wereldhave vreest dat door de in het plan voorziene ontwikkelingen de parkeerdruk nabij haar winkelcentrum zal toenemen, hetgeen volgens haar een nadelige invloed heeft op de bereikbaarheid daarvan. Zij betoogt dat de parkeerdruk in de omgeving van de Rijnhal onvoldoende is onderzocht. Voorts is volgens Wereldhave niet inzichtelijk op welke wijze rond de Rijnhal op eigen terrein kan worden voorzien in de parkeerbehoefte die het plan met zich brengt.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hoofdzakelijk op het eigen terrein rond de Rijnhal kan worden voorzien in de parkeerbehoefte die het plan met zich brengt en dat de resterende parkeerbehoefte kan worden opgevangen in de openbare ruimte rond de Rijnhal. In dat verband stelt de raad zich op het standpunt dat, ook wanneer rekening wordt gehouden met de bestaande sportfaciliteiten op het bedrijventerrein waarop de Rijnhal ligt en evenementen in het GelreDome, er geen bestaand tekort aan parkeerplaatsen in de directe omgeving van de Rijnhal is. Ten slotte kan Wereldhave zich volgens de raad niet succesvol beroepen op de normen voor het beperken van parkeeroverlast. Volgens de raad strekken deze normen kennelijk niet tot bescherming van het concurrentiebelang van Wereldhave omdat, zelfs als sprake zou zijn van een parkeertekort, bezoekers van de in het plangebied voorziene ontwikkelingen geen gebruik zullen maken van de parkeerplaatsen bij het winkelcentrum Kronenburg.

6.2. Blijkens de verbeelding van het plan is aan de gronden betreffende de Rijnhal de bestemming "Detailhandel" toegekend.

Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn de voor "Detailhandel" aangewezen gronden bestemd voor:

a. grootschalige detailhandel uitsluitend op het gebied van leisure (inclusief sport, outdoor en fietsen) met een omvang van minimaal 1.500 m2 en maximaal 5.210 m2 bvo;

b. leisure;

c. horeca - A en - B met een omvang van maximaal 1.510 m2 bvo;

d. voorzieningen ten behoeve van het verkeer zoals ontsluitingswegen, parkeerplaatsen en fiets- en wandelpaden;

e. groen- en watervoorzieningen.

waarbij het totaal aantal vierkante meters bvo van de onder a t/m c genoemde functies in het gebouw niet meer mag bedragen dan 8.158 m2.

6.3. Wat de parkeerbehoefte betreft, is niet in geschil dat het plan, zoals berekend in paragraaf 4.3 van de plantoelichting, op het maatgevende moment - de koopavond - een parkeerbehoefte van 548 parkeerplaatsen met zich brengt. In het plan is het bestaande parkeerterrein rond de Rijnhal als zodanig bestemd. Hier kunnen volgens de in de plantoelichting opgenomen inrichtingsschets 490 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Voorts zullen blijkens de plantoelichting buiten het plangebied 20 nieuwe parkeerplaatsen worden gerealiseerd in het openbare gebied in de directe nabijheid van de Rijnhal. Verder kan op de koopavond gebruik worden gemaakt van 40 bestaande parkeerplaatsen direct naast de Rijnhal in het openbare gebied, omdat het betreffende parkeerterrein dan niet in gebruik is, zo staat in de plantoelichting. Wereldhave heeft de juistheid van deze uitgangspunten niet betwist. Uit het vorenstaande volgt op welke wijze in de berekende parkeerbehoefte kan worden voorzien. De Afdeling volgt dan ook niet het standpunt van Wereldhave dat dit onvoldoende inzichtelijk zou zijn.

Hetgeen Wereldhave heeft aangevoerd, geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de bestaande situatie geen sprake is van een structureel parkeertekort rond de Rijnhal. De raad heeft in dit verband over de door Wereldhave aangehaalde parkeerbehoefte die de bestaande sportfaciliteiten in de omgeving van de Rijnhal met zich brengen onweersproken toegelicht dat daarin op de desbetreffende eigen terreinen wordt voorzien.

Nu is voorzien in de parkeerbehoefte die het plan met zich brengt, valt niet in te zien dat het plan zal leiden tot een toename van de door Wereldhave gestelde bestaande parkeeroverlast rond het winkelcentrum Kronenburg ten tijde van evenementen die worden gehouden in het GelreDome. Daarbij neemt de Afdeling nog in aanmerking dat de raad onweersproken heeft gesteld dat evenementen in het GelreDome uitsluitend mogelijk zijn indien daarvoor een evenementenvergunning is verleend, in het kader waarvan dient te zijn aangetoond dat in de parkeerbehoefte kan worden voorzien.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad bij de vaststelling van het plan bezien welke parkeerbehoefte het plan bij benutting van de maximale mogelijkheden daarvan met zich brengt en of daarin kan worden voorzien. In hetgeen Wereldhave heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet tot onaanvaardbare toename van parkeeroverlast leidt of dat het plan in zoverre onvoldoende is gemotiveerd.

Het betoog faalt.

7. Wereldhave betoogt dat het plan, gelet op de daarin voorziene grootschalige detailhandel op het gebied van leisure en horeca, is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Zij voert aan dat het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat daaraan een actuele regionale behoefte bestaat. Wereldhave heeft in dit verband verschillende argumenten naar voren gebracht. Volgens Wereldhave zal het plan gelet hierop leiden tot een overcapaciteit in de betreffende branches. Zij vreest dat hierdoor negatieve effecten zullen optreden voor het woon-, leef- en ondernemingsklimaat bij bestaande winkelcentra. Wereldhave wijst in dit verband op het ontstaan van leegstand en verpaupering, alsmede op prijsdrukkende effecten. In dit verband betoogt Wereldhave met name dat de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden voor sportzaken zullen worden beperkt, net als de exploitatiemogelijkheden van haar bedrijfsgebouw voor horeca. Verder betoogt zij dat de in het plan voorziene horeca leidt tot waardedaling van de gedeelten van haar bedrijfspand.

7.1. De raad stelt zich onder verwijzing naar het op 12 maart 2015 uitgebrachte rapport "Arnhem, Ruimtelijk-functionele effectenanalyse vestiging Decathlon in de Rijnhal" op het standpunt dat voldoende behoefte bestaat aan de in het plan voorziene ontwikkelingen. Uit het voormelde rapport volgt dat in de branche ‘sport en kampeerartikelen’ een uitbreidingsruimte bestaat van ongeveer 4.400 m2 winkelvloeroppervlak, hetgeen naar de raad heeft toegelicht overeenkomt met het in het plan voorziene bedrijfsvloeroppervlak van 5.210 m2 voor detailhandel op het gebied van leisure. Voorts blijkt volgens de raad uit het voormelde rapport dat het aanbod aan horecagelegenheden in het verzorgingsgebied beperkt is in vergelijking met het landelijk gemiddelde en dat aan onderscheidende horeca, die goed inspeelt op de specifieke gebiedskwaliteiten, nog voldoende regionale behoefte bestaat. Ook past het plan volgens de raad bij de beoogde herontwikkeling van het Olympusgebied als aantrekkelijk gebied waar sport- en leisurevoorzieningen zijn geconcentreerd. Het plan zal volgens de raad niet leiden tot een zodanige overcapaciteit dat daardoor leegstand optreedt die onaanvaardbare gevolgen met zich brengt voor het woon- en leefklimaat of het ondernemingsklimaat. Tevens heeft het plan volgens de raad gunstige effecten voor bestaande ondernemingen, in die zin dat de in het plan voorziene ontwikkelingen mensen van buiten het verzorgingsgebied van die ondernemingen zal aantrekken, die vervolgens hun bezoek aan de Rijnhal zullen combineren met inkopen bij bestaande ondernemingen.

7.2. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, wordt in het Bro onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt in het Bro onder een ‘stedelijke ontwikkeling’ verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

7.3. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

7.4. Bij de beantwoording van de vraag of de in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitseis in de weg staat aan vernietiging van het besluit van 29 september 2014 tot vaststelling van het plan wegens strijd met de rechtsregel neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro moeten de belangen die genoemde bepaling beoogt te beschermen en de belangen van de rechtzoekende die deze rechtsregel inroept met elkaar worden vergeleken.

7.5. In de Nota van toelichting bij artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro (Stb. 2012, 388, blz. 34 en 49-50) is vermeld dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is opgenomen teneinde zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. Met betrekking tot onderdeel a van dit artikel vermeldt de Nota van toelichting dat het provinciale en gemeentelijke overheden verplicht nieuwe stedelijke ontwikkelingen af te stemmen op de geconstateerde actuele behoefte en de wijze waarop in deze behoefte wordt voorzien ook regionaal af te stemmen. Op deze wijze moet over- en ondercapaciteit in stedelijke ontwikkeling zoveel mogelijk worden voorkomen. Inzichtelijk moet zijn gemaakt dat het plan niet tot onnodig nieuw ruimtebeslag leidt en geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie in de betrokken regio zal leiden. Voorts is in de Nota van toelichting opgenomen dat bij de beoordeling of sprake is van een actuele regionale behoefte, de behoefte dient te worden afgewogen tegen het bestaande aanbod en in dat aanbod ook de leegstaande woningen, kantoren, winkelpanden en bedrijventerreinen zitten. Hierbij is van belang dat een bestemmingsplan niet dient om concurrentieverhoudingen te regelen, zoals tevens volgt uit artikel 3.1.6, vierde lid, van het Bro waarin is bepaald dat een onderzoek naar de actuele regionale behoefte, in het geval een bestemmingsplan ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet, slechts tot doel heeft na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor. Het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Samengevat strekt artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro derhalve tot bevordering van zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder het voorkomen van onnodig ruimtebeslag, en het voorkomen van onaanvaardbare leegstand, aldus de Nota van toelichting.

7.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 mei 2015 in zaak nr. 201403699/1/R2; www.raadvanstate.nl), dienen concurrenten zoals Wereldhave, als zij stellen dat het besluit in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, daarbij feiten en omstandigheden aan te voeren die het oordeel rechtvaardigen dat de voorziene ontwikkeling tot een uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening relevante leegstand zal kunnen leiden. In dat geval staat de in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitseis niet aan inhoudelijke beoordeling van de gestelde strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in de weg. In het kader van die beoordeling kan aan de orde komen of het bestreden besluit zodanige leegstandseffecten tot gevolg heeft dat dit tot een uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal kunnen leiden. Daarbij betrekt de bestuursrechter het oordeel van het betrokken bestuursorgaan over de onaanvaardbaarheid van die leegstandseffecten.

7.7. Voor relevante leegstand als hiervoor bedoeld is onvoldoende dat de voorziene ontwikkeling, die mogelijk wordt gemaakt door een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning, leidt of kan leiden tot een verminderde vraag naar producten of diensten en daardoor tot daling van omzet en inkomsten van de eigen onderneming of de betreffende vestiging van een belanghebbende die zich op de bepaling beroept. Het enkele feit dat de voorziene ontwikkeling kan leiden tot beëindiging van de eigen bedrijfsactiviteiten ter plaatse en daardoor tot leegstand van het in gebruik zijnde bedrijfsgebouw is op zichzelf eveneens onvoldoende om te concluderen dat zich relevante leegstand zal voordoen. Dit kan echter onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld indien het bedrijfsgebouw dermate bijzondere bouwkundige dan wel locatie-specifieke eigenschappen heeft, dat andersoortig gebruik - al dan niet door transformatie - niet of onder zeer bezwarende omstandigheden tot de mogelijkheden behoort, hetgeen niet licht zal kunnen worden aangenomen. Voorts zou relevante leegstand zich voor kunnen doen bij leegstand als gevolg van de voorziene ontwikkeling in de omgeving van het bij de concurrent in gebruik zijnde bedrijfspand.

7.8. Wereldhave stelt dat het belang waarvoor zij in deze procedure bescherming zoekt door het inroepen van de rechtsregel van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, het voorkomen van een afname van de verhuurbaarheid van haar winkelcentrum betreft, in die zin dat haar inkomsten zullen dalen doordat zij lagere huurprijzen zal moeten vragen om huurders aan te trekken en te behouden. Wereldhave heeft gesteld dat zij daarnaast bescherming zoekt voor het belang om door overcapaciteit ontstane leegstand binnen en rond haar winkelcentrum Kronenburg te voorkomen. Zij vreest dat de voorziene ontwikkeling van grootschalige detailhandel op het gebied van leisure alsmede horeca in de Rijnhal ertoe zal leiden dat bestaande sport- en horecazaken in en rond het winkelcentrum Kronenburg zullen moeten sluiten en dat sport- en horecaketens ervan zullen afzien zich hier te vestigen. Dit heeft volgens Wereldhave tot gevolg dat dat de diversiteit van het winkelaanbod in het winkelcentrum zal verschralen en dat de klandizie van huurders in andere branches zal verminderen, zodat een neerwaartse spiraal optreedt waardoor ook huurders in andere sectoren, die zijn gebaat bij een zo divers mogelijk totaalaanbod, zullen vertrekken.

7.9. De Afdeling is van oordeel dat weliswaar niet op voorhand is uitgesloten dat de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kan leiden tot een verminderde vraag en daardoor tot daling van omzet en inkomsten van huurders van Wereldhave en daardoor indirect tot daling van inkomsten voor Wereldhave, maar dat is, zoals hiervoor is overwogen, op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat het plan tot een uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening relevante leegstand zal kunnen leiden. Dat is niet anders in het geval omzetdaling en teruglopende klandizie leidt tot beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van bepaalde huurders van Winkelhave die zullen moeten concurreren met de in het plan voorziene bedrijvigheid en daardoor tot leegstand van het bij Wereldhave in eigendom zijnde bedrijfsgebouw. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel aanleiding geven.

Wereldhave heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de voorziene detailhandel op het gebied van leisure en horeca in de omgeving van haar bedrijfsgebouw leegstand zal ontstaan. De enkele stelling dat ondernemers richting Wereldhave zorgen hebben geuit over de komst van een filiaal van Decathlon in de Rijnhal, waarbij desgevraagd niet is gebleken van aanwijzingen dat zij hun bedrijfsactiviteiten zullen beëindigen, en de niet met gegevens onderbouwde vrees voor een negatieve spiraal, zijn in dat verband onvoldoende.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die het oordeel rechtvaardigen dat de voorziene ontwikkeling tot een uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening relevante leegstand zal kunnen leiden. De ingeroepen rechtsregel strekt daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van Wereldhave. Artikel 8:69a van de Awb staat er dan ook aan in de weg dat het bestemmingsplan wegens strijd hiermee wordt vernietigd. Gelet hierop ziet de Afdeling af van een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van Wereldhave over de gestelde strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

7.10. Voor zover Wereldhave een toename van concurrentie vreest en aanvoert dat het voortbestaan en de uitbreidingsmogelijkheden van sportzaken en horecabedrijven worden bedreigd alsmede dat haar huurprijzen onder druk zullen komen te staan, overweegt de Afdeling dat de Wro niet ertoe strekt bedrijven tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied te beschermen. In een mogelijke daling van de omzet van sportzaken en horecaondernemingen of verhuurders van winkelruimte zoals Wereldhave, behoefde de raad dan ook geen aanleiding te zien om tot een andere wijze van bestemmen te komen. Concurrentieverhoudingen vormen immers bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal voordoen, die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd. Een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau doet zich voor indien inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Uit hetgeen Wereldhave heeft aangevoerd, volgt niet dat de mogelijkheden die het plan voor grootschalige detailhandel op het gebied van leisure en horeca biedt, zullen leiden tot het verdwijnen van een zodanig deel van voorzieningen ten behoeve van de eerste levensbehoeften dat inwoners van Arnhem niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Gelet daarop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich in dit geval geen duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau kan voordoen.

In zoverre faalt het betoog.

7.11. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het bedrijfspand van Wereldhave betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

In zoverre faalt het betoog eveneens.

8. Wereldhave heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Wereldhave heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit tot vaststelling van het plan onjuist zou zijn.

Dit betoog faalt.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 29 september 2014 tot vaststelling van het plan, ongegrond.

Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning

10. Het beroep van Wereldhave is eveneens gericht tegen de bij besluit van 8 oktober 2014 verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van de Rijnhal tot een filiaal van de Decathlon. Wereldhave heeft zich in zoverre in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Wereldhave heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Dit betoog faalt.

11. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 8 oktober 2014 tot verlening van de omgevingsvergunning, ongegrond.

Slotoverweging

12. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt en niet uitdrukkelijk op de toepasselijkheid van artikel 8:69a van de Awb is ingegaan, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of dat artikel van de Awb van toepassing is.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Konings

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015

743.