Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3191

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
201501965/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Meerzicht, Koningin Julianaweg 55, Oranjewoud" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/1016
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501965/1/R4.

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Bomenstichting, gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

de raad van de gemeente Heerenveen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Meerzicht, Koningin Julianaweg 55, Oranjewoud" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Bomenstichting beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2015, waar de Bomenstichting, vertegenwoordigd door F.C.S. Warendorf, en de raad, vertegenwoordigd door G. Haanstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot bouw van zes woningen aan de Koningin Julianaweg 55 te Oranjewoud.

Ontvankelijkheid

3. De raad stelt dat het beroep van de Bomenstichting mogelijk niet-ontvankelijk is vanwege het niet binnen de zienswijzentermijn naar voren brengen van een zienswijze over het ontwerpplan. Hiertoe stelt de raad dat de Bomenstichting pas na afloop van de zienswijzentermijn heeft verklaard dat de zienswijze die [gemachtigde] tijdens de zienswijzentermijn namens de afdeling Heerenveen van de Bomenstichting over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht, moet worden opgevat als naar voren te zijn gebracht namens de Bomenstichting.

3.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

3.2. Tijdens de zienswijzentermijn heeft [gemachtigde] namens de Bomenstichting, afdeling Heerenveen, een zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. De afdeling Heerenveen heeft geen zelfstandige rechtspersoonlijkheid en ressorteert onder de Bomenstichting. De Afdeling is van oordeel dat gelet op de omstandigheid dat in de door [gemachtigde] naar voren gebrachte zienswijze staat dat de zienswijze naar voren wordt gebracht namens de Bomenstichting, afdeling Heerenveen, er voor de raad redelijkerwijs geen misverstand over kon bestaan dat de afdeling Heerenveen van de Bomenstichting behoort tot de rechtspersoonlijkheid bezittende Bomenstichting en dat de zienswijze moet worden opgevat als naar voren te zijn gebracht namens de Bomenstichting. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding het beroep van de Bomenstichting vanwege het niet tijdig naar voren brengen van een zienswijze over het ontwerpplan niet-ontvankelijk te verklaren.

4. Voorts stelt de raad dat niet tijdig, namelijk niet binnen de zienswijzentermijn, is aangetoond dat [gemachtigde] gemachtigd was namens de Bomenstichting een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. Deze omstandigheid vormt volgens de raad eveneens aanleiding het beroep van de Bomenstichting niet-ontvankelijk te achten.

4.1. De Afdeling overweegt onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 april 2008 in zaak nr. 200706406/1 (www.raadvanstate.nl) dat het zorgvuldigheidsbeginsel met zich brengt dat indien bij het naar voren brengen van een zienswijze een machtiging ontbreekt, deze niet om die reden buiten behandeling kan worden gelaten dan nadat de indiener in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen. De Bomenstichting heeft uit eigen beweging na afloop van de zienswijzentermijn toegelicht dat [gemachtigde] gemachtigd is namens de Bomenstichting een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. Er bestaat dan ook geen reden het beroep van de Bomenstichting vanwege het niet tijdens de zienswijzefase overleggen van een machtiging niet-ontvankelijk te achten.

Inhoudelijk

5. De Bomenstichting betoogt dat het plan onvoldoende waarborgen bevat voor het behoud van 17 waardevolle bomen in het plangebied. De bomen hebben volgens de Bomenstichting een bijzondere ecologische en cultuurhistorische waarde. Zij wijst hiertoe op het door haar beheerde landelijke register voor monumentale bomen waarin acht van de bestaande bomen in het plangebied zijn opgenomen. De waardevolle bomen in het plangebied hadden gelet op de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2014 in zaak nr. 201310318/1/R2 (www.raadvanstate.nl) in ieder geval moeten worden aangeduid als "bestaande bomen handhaven", aldus de Bomenstichting. Voorts is volgens de Bomenstichting in het plan ten onrechte niet gewaarborgd dat het grondvlak ter plaatse van de waardevolle bomen niet mag worden opgehoogd.

Voor zover de raad verwijst naar de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Heerenveen (hierna: APV), betoogt de Bomenstichting dat de APV evenmin voldoende waarborgen bevat voor het behoud van de waardevolle bomen in het plangebied. Zij voert hiertoe aan dat de in de APV opgenomen vergunning- en meldingsplicht ten behoeve van het behoud van waardevolle houtopstand uitsluitend van toepassing is indien sprake is van het vellen van houtopstand. Volgens de Bomenstichting biedt de in de APV opgenomen definitie van het vellen van houtopstand onvoldoende zekerheid dat alle handelingen die een aantasting van de waardevolle houtopstand in het plangebied tot gevolg kunnen hebben, vergunning- dan wel meldingsplichtig zijn. Voorts wijst de Bomenstichting op de uitspraken van de Afdeling van 27 augustus 2003 in zaak nrs. 200103396/1 en 200105173/1 en 11 december 2013 in zaak nr. 201201006/1/R3 (www.raadvanstate.nl). Uit deze uitspraken volgt volgens de Bomenstichting eveneens dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor de bescherming van waardevolle bomen in het plangebied niet uitsluitend kan verwijzen naar een gemeentelijke verordening, zoals de APV.

5.1. De raad stelt dat de APV voldoende bescherming biedt aan de waardevolle bomen in het plangebied. Het in het bestemmingsplan opnemen van een aanvullende beschermingsregeling is volgens de raad uit een oogpunt van deregulering niet gewenst.

5.2. Aan de gronden ter plaatse van de door de Bomenstichting genoemde waardevolle bomen is in het plan de bestemming "Groen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor beplanting en bebossing, groenvoorzieningen, spel- en speelvoorzieningen, kunstwerken, in- en uitritten, toegangspoorten en bouwwerken ten behoeve van postvoorziening, onder meer met de daaraan ondergeschikte voorzieningen en de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde.

In de planregels zijn geen bepalingen opgenomen ten behoeve van het behoud van de bestaande bomen in het plangebied.

5.3. Ingevolge artikel 4:10, eerste lid, onder c, van de APV wordt in de APV onder vellen verstaan het rooien, kappen, verplanten en kandelaberen, (periodiek) groot onderhoud van structuurelementen alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging en ontsiering van een houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Ingevolge artikel 4:11, eerste lid, is het verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de Bomenlijst of waarvoor een herplant/instandhoudingsplicht geldt.

Ingevolge het tweede lid mogen landschapselementen en bomen met een diameter vanaf 35 cm op 1.30 meter, in door het college aangewezen gebieden op de Groene kaart, worden geveld mits daarvan een melding is gedaan aan het college en het college niet binnen zes weken heeft beslist dat het vellen wordt verboden.

Ingevolge het derde lid kan de vergunning of melding worden geweigerd op grond van een:

a. bijzondere schoonheidswaarde;

b. bijzondere zeldzaamheidswaarde;

c. bijzondere cultuurhistorische waarde;

d. beeldbepalend karakter voor de omgeving;

e. landschappelijke, structuurbepalende en/of cultuurhistorische waarde;

f. belangrijke natuur- en ecologische waarde.

Ingevolge het vijfde lid is het college bevoegd om de Bomenlijst en de criteria daarvoor vast te stellen.

5.4. Bij besluit van 25 februari 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen de Bomenlijst vastgesteld als bedoeld in artikel 4:11, vijfde lid, van de APV. Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders de Groene kaart vastgesteld als bedoeld in artikel 4:11, tweede en het vijfde lid, van de APV. Het plangebied is op de Groene kaart aangeduid als meldingsplichtig gebied.

5.5. Niet in geschil is dat het vellen van een of meer van de door de Bomenstichting genoemde 17 waardevolle bomen in het plangebied een vergunningplichtige dan wel meldingsplichtige handeling betreft ingevolge artikel 4:11 van de APV. Het vellen van houtopstand is in de APV naast handelingen die de dood of ernstige beschadiging en ontsiering van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben, tevens gedefinieerd als het rooien, kappen, verplanten en kandelaberen alsmede het verrichten van (periodiek) groot onderhoud van structuurelementen. De raad stelt zich op het standpunt dat gelet op de in de APV opgenomen ruime definitie van het vellen van houtopstand, geen aanleiding bestaat voor de vrees van de Bomenstichting dat op basis van de APV niet alle handelingen die een aantasting van de waardevolle houtopstand in het plangebied tot gevolg kunnen hebben, waaronder het verhogen van het grondvlak ter plaatse van de waardevolle houtopstand, vergunning- dan wel meldingsplichtig zijn. In hetgeen de Bomenstichting naar voren heeft gebracht ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen.

5.6. Op grond van artikel 4:11, derde lid, van de APV kan een vergunning of melding voor het vellen van houtopstand onder meer worden geweigerd wegens de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van de houtopstand. De Afdeling ziet in hetgeen de Bomenstichting heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat het in artikel 4:11, derde lid, van de APV opgenomen toetsingskader ontoereikend is om afdoende bescherming te bieden aan de waardevolle houtopstand in het plangebied.

5.7. Voor zover de Bomenstichting zich ter onderbouwing van haar betoog beroept op de uitspraken van de Afdeling van 11 december 2013 in zaak nr. 201201006/1/R3 en 12 november 2014 in zaak nr. 201310318/1/R2 (www.raadvanstate.nl), overweegt de Afdeling dat de situatie aan de orde in deze uitspraken verschilt van de thans aan de orde zijnde situatie. Daartoe wordt het volgende overwogen.

In voormelde uitspraak van 11 december 2013 lag, anders dan in deze zaak, een bestemmingsplan ter beoordeling voor waarin de raad aan waardevolle bomen in het plangebied de aanduiding "monumentale boom" had toegekend. De Afdeling diende in die uitspraak, met inachtneming van het hiervoor onder 1 weergegeven toetsingskader, te beoordelen of de raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten voor de waardevolle bomen in het plangebied een beschermingsregeling in het plan op te nemen. In de thans aan de orde zijnde situatie moet daarentegen worden beoordeeld of de raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten voor de waardevolle bomen in het plangebied geen beschermingsregeling in het plan op te nemen.

In de door de Bomenstichting genoemde uitspraak van 12 november 2014 heeft de Afdeling ten aanzien van het in die uitspraak voorliggende uitwerkingsplan overwogen geen aanleiding te zien voor het oordeel dat in het plan onvoldoende rekening is gehouden met bestaande houtopstanden. De Afdeling heeft daartoe onder meer gewezen op de omstandigheid dat in het uitwerkingsplan ter plaatse van waardevolle houtopstand de aanduiding "bestaande boom handhaven" was toegekend. Anders dan de Bomenstichting stelt, kan uit deze uitspraak niet worden afgeleid dat bescherming van waardevolle houtopstand in een plangebied slechts door middel van een beschermingsregeling in een bestemmingsplan kan plaatsvinden. Of een dergelijke beschermingsregeling is vereist, hangt onder meer af van de omstandigheid of de bescherming van de waardevolle houtopstand reeds in andere regelgeving afdoende is gewaarborgd.

De voormelde uitspraken van 11 december 2013 en 12 november 2014 geven gelet op het vorenstaande geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan hetgeen hiervoor onder 5.5 en 5.6 is overwogen.

5.8. Voor zover de Bomenstichting voorts wijst op de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2003 in zaak nrs. 200103396/1 en 200105173/1 (www.raadvanstate.nl), overweegt de Afdeling dat, anders dan de Bomenstichting stelt, uit deze uitspraak niet volgt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor de bescherming van waardevolle houtopstand in het plangebied niet in redelijkheid kan verwijzen naar een gemeentelijke verordening. Of een dergelijke verwijzing mogelijk is, hangt af van de in de APV ter zake gegeven definitie alsmede van het antwoord op de vraag of bij de toepassing van de APV een afweging van alle in het kader van de ruimtelijke ordening relevante belangen wordt gemaakt. Zoals de Afdeling hiervoor onder 5.6 heeft overwogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het in de APV van de gemeente Heerenveen opgenomen toetsingskader voor het vellen van waardevolle houtopstand in zoverre ontoereikend is.

5.9. Nu de raad zich gelet op het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bescherming van de waardevolle bomen in het plangebied via de APV afdoende is gewaarborgd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen noodzaak bestaat voor een aanvullende beschermingsregeling in het bestreden bestemmingsplan.

De betogen falen.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Postma

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015

539-810.