Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
201500322/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8092, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling verleend aan [wederpartij] en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 610,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201500322/1/A2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 november 2014 in zaak nr. 14/2506 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling verleend aan [wederpartij] en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 610,00.

Bij besluit van 19 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 maart 2014 vernietigd, het besluit van 23 januari 2014 herroepen, het verzoek om een betalingsregeling toegewezen en een regeling vastgesteld van 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 603,00, alsmede bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2015, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C van de Werken, werkzaam bij die dienst, is verschenen.

Overwegingen

1. [wederpartij] heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om uitstel van betaling en een persoonlijke betalingsregeling in verband met reeds teruggevorderde kinderopvangtoeslag over 2007 en over 2009, ten bedrage van € 10.860,00, onderscheidenlijk € 3.792,00. De totale toeslagschuld waarvoor [wederpartij] om een persoonlijke betalingsregeling heeft verzocht, bedraagt € 14.652,00.

Bij besluit van 23 januari 2014, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 19 maart 2014, heeft de Belastingdienst/Toeslagen beslist op dit verzoek van [wederpartij]. De dienst heeft hem uitstel van betaling verleend conform de standaard betalingsregeling van de dienst. Dit betekent dat hij de toeslagschuld in 24 gelijke maandelijkse termijnen mag betalen. Het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling heeft de dienst echter afgewezen. [wederpartij] komt volgens de Belastingdienst/Toeslagen alleen in aanmerking voor de standaard betalingsregeling, gelet op zijn betalingscapaciteit. De dienst heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de maandelijkse betalingscapaciteit van [wederpartij] € 793,00 bedraagt en zijn opeisbare betalingscapaciteit € 635,00 is. Uitgaande van een aflossingsduur van 24 maanden bedraagt de totale aflossingscapaciteit van [wederpartij] (24 x 635,00 =) € 15.240,00, aldus de Belastingdienst/Toeslagen. De totale toeslagschuld waarop het verzoek van [wederpartij] betrekking heeft, is lager en moet daarom met toepassing van de standaard betalingsregeling worden voldaan. Het maandelijks door [wederpartij] te betalen bedrag is door de Belastingdienst/Toeslagen bepaald op (14.652,00 / 24 =) (afgerond) € 610,00. De dienst brengt naar voren dat bij het bepalen van de betalingscapaciteit uitsluitend rekening mag worden gehouden met de uit artikel 15 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling IW) voortvloeiende normbedragen, toegepast op de situatie van [wederpartij]. Deze regeling staat niet toe dat met de feitelijke uitgaven van [wederpartij] rekening wordt gehouden, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

2. Uitgangspunt van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) is, gelet op de artikelen 26 en 28, dat een belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zes weken moet terugbetalen. Artikel 31 van de Awir geeft aan de minister de bevoegdheid nadere regels te stellen met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling. Hiervan is gebruik gemaakt met toepassing van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling Awir).

In beginsel treft de Belastingdienst/Toeslagen een betalingsregeling, als bedoeld in het eerste lid, in verbinding met het derde lid, van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir. Dit wordt ook wel de standaard betalingsregeling genoemd en houdt kort gezegd in dat de belanghebbende betaling van de schuld in ten hoogste 24 maandelijkse termijnen wordt toegestaan, waarbij binnen die termijn de volledige schuld dient te worden voldaan.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst/Toeslagen op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn de terugvordering overeenkomstig de standaard betalingsregeling te betalen, een betaling in termijnen toestaan, gebaseerd op de betalingscapaciteit. Deze andere betalingsregeling wordt ook wel de persoonlijke betalingsregeling genoemd. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op de voet van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling IW, met dien verstande dat de Belastingdienst/Toeslagen het netto-besteedbare inkomen van de belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in de zin van artikel 3 van de Awir kan worden beschouwd.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling IW, zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt onder betalingscapaciteit verstaan: het positieve verschil in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend van het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige in die periode en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan in die periode.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, wordt onder het netto-besteedbare inkomen, bedoeld in artikel 13, verstaan het gezamenlijke bedrag van een aantal in dat lid opgesomde inkomsten, verminderd met de in artikel 15, eerste lid, vermelde uitgaven.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, worden als uitgaven bedoeld in artikel 14, eerste lid, in aanmerking genomen:

a. […]

b. het bedrag van de voor rekening van de belastingschuldige komende netto-woonlasten tot maximaal het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht), voor zover dit meer is dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van die wet. Onder netto-woonlasten wordt verstaan: de op de belastingschuldige drukkende huurprijs, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van genoemde wet, dan wel hypotheekrente en erfpachtcanon ter zake van een door hem bewoonde woning voor zover deze hem voor gebruik ter beschikking staat, verminderd met de ontvangen huurtoeslag, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van genoemde wet of met de ontvangen woonkostentoeslag;

[…].

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wht, zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt geen huurtoeslag toegekend als de rekenhuur hoger is dan € 699,48 per maand als de huurder, diens partner of een van de medebewoners 23 jaar of ouder is.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, behoort bij het minimum-inkomensijkpunt een normhuur van € 199,54.

3. De betalingscapaciteit wordt, kort gezegd, bepaald door op het in aanmerking te nemen inkomen van de belanghebbende en diens eventuele partner bepaalde, in de Uitvoeringsregeling IW vermelde, onvermijdbare uitgaven in mindering te brengen.

4. De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de bepaling van de betalingscapaciteit van [wederpartij] terecht geen rekening heeft gehouden met andere uitgaven dan die genoemd in artikel 15 van de Uitvoeringsregeling IW. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling ten onrechte heeft afgewezen, omdat de dienst bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen van [wederpartij] ten onrechte is uitgegaan van een bedrag aan netto-woonlasten van € 461,00. Volgens de rechtbank had de dienst voor deze lasten een bedrag van € 500,00 in aanmerking dienen te nemen. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de opeisbare maandelijkse betalingscapaciteit van [wederpartij] € 603,00 bedraagt. Nu dit bedrag niet toereikend is om de toeslagschuld volgens de standaard betalingsregeling te voldoen, heeft de Belastingdienst/Toeslagen naar het oordeel van de rechtbank het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling ten onrechte afgewezen.

5. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt dat rechtbank heeft miskend dat de dienst de betalingscapaciteit van [wederpartij] juist heeft berekend. De Belastingdienst/Toeslagen voert daartoe aan dat de rechtbank bij de bepaling van de in aanmerking te nemen netto-woonlasten is uitgegaan van een onjuiste lezing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling IW.

5.1. Alvorens toe te komen aan de in geschil zijnde berekening van het bedrag aan uitgaven voor netto-woonlasten dat in het geval van [wederpartij] in aanmerking dient te worden genomen, dient te worden bezien wat de hoogte is van de netto-woonlasten van [wederpartij], als bedoeld in de tweede volzin van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling IW (thans vermeld in het derde lid van dit artikel).

De Belastingdienst/Toeslagen heeft naar voren gebracht dat de rechtbank abusievelijk is uitgegaan van een huurprijs van € 610,00 en heeft nagelaten dit bedrag te vermeerderen met servicekosten.

Volgens zijn opgave bedraagt de door [wederpartij] maandelijks verschuldigde huurprijs € 608,00 en is hij daarnaast € 155,00 per maand aan servicekosten verschuldigd. Servicekosten mogen ingevolge artikel 5, derde lid, van de Wht tot een maximum van (4 x 12,00 =) € 48,00 in aanmerking worden genomen. Dit betekent dat de in aanmerking te nemen huurkosten van [wederpartij] (608 + 48 =) € 656,00 bedragen. [wederpartij] ontvangt geen huurtoeslag of woonkostentoeslag. De netto-woonlasten van [wederpartij] zijn derhalve € 656,00.

Het bedrag aan netto-woonlasten dat ten hoogste in aanmerking wordt genomen is het bedrag van de maximale rekenhuur die voor huurtoeslag in aanmerking komt, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wht (ten tijde van belang € 699,48). Indien de netto-woonlasten van de belanghebbende hoger zijn, wordt het meerdere niet in aanmerking genomen. Dit is niet het geval bij [wederpartij], omdat zijn netto-woonlasten beneden dit bedrag liggen.

5.2. De rechtbank heeft overwogen dat het bedrag van de maximale rekenhuur voor huurtoeslag moet worden verminderd met het bedrag van de normhuur genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wht (ten tijde van belang € 199,54). Dat is niet juist. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, moet het bedrag aan netto-woonlasten van de individuele belanghebbende worden verminderd met het eerdergenoemde bedrag van de normhuur. Het woord "dit" in artikel 15, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling IW heeft betrekking op al het voorafgaande van deze bepaling en niet slechts op het bedrag van de maximale rekenhuur voor huurtoeslag. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de in aanmerking te nemen netto-woonlasten van [wederpartij] lager dan het bedrag van de maximale rekenhuur voor huurtoeslag. De rechtbank heeft aldus ten onrechte dit maximumbedrag als uitgangspunt genomen en vervolgens verminderd met de normhuur. De door de rechtbank gekozen uitleg zou ertoe leiden dat in alle gevallen van dit maximumbedrag moet worden uitgegaan, terwijl de strekking van deze bepaling is dat de werkelijke woonlasten van een belanghebbende worden betrokken bij de berekening van de betalingscapaciteit, zij het tot een bepaald maximum.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen op een juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling IW. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

6. De Belastingdienst/Toeslagen is in zijn besluitvorming uitgegaan van een - voor [wederpartij] gunstiger - normhuurbedrag van € 195,00 in plaats van € 199,54. Indien de netto-woonlasten van [wederpartij] van € 656,00 worden verminderd met de normhuur van € 195,00 resteert een bedrag van € 461,00. Dit bedrag heeft de Belastingdienst/Toeslagen in het besluit van 19 maart 2014 als in aanmerking te nemen netto-woonlasten bij de berekening van de betalingscapaciteit van [wederpartij] betrokken.

In hoger beroep is niet in geschil dat de door de Belastingdienst/Toeslagen bepaalde maandelijkse betalingscapaciteit van [wederpartij] ook voor het overige in overeenstemming met de Uitvoeringsregeling IW is vastgesteld. De aldus door de Belastingdienst/Toeslagen vastgestelde opeisbare betalingscapaciteit, zijnde € 635,00 per maand, is toereikend om de terugvorderingen via de aangeboden standaard betalingsregeling van € 610,00 per maand gedurende twee jaren te voldoen. De Belastingdienst/Toeslagen voert het beleid, neergelegd in artikel 79.8 van de Leidraad Invordering 2008, dat een verzoek om een andere (persoonlijke) betalingsregeling wordt afgewezen als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagenschuld af te lossen volgens de standaardregeling. Gelet hierop heeft de Belastingdienst/Toeslagen op goede gronden geen andere betalingsregeling dan de standaard betalingsregeling toegestaan.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 maart 2014 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog ongegrond verklaren.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 november 2014 in zaak nr. 14/2506;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. R.J. Koopman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Slump w.g. Koster

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015

710.