Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3177

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
201502327/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Sectorbestemmingsplan Standplaatsen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502327/1/R2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Nieuwegein,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Sectorbestemmingsplan Standplaatsen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.P. Kleijwegt, advocaat te Utrecht, en F. Kasem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. I.C. de Zeeuw-’t Lam, mr. I. van Oort en F.H.T.M. Steins, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de aanduiding van standplaatsen op locaties in de gemeente Nieuwegein die in het gemeentelijk beleid als neergelegd in de nota "Standplaatsenbeleid gemeente Nieuwegein", vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 6 november 2012, zoals gewijzigd in de nota "eerste wijziging Beleid standplaatsen Nieuwegein", vastgesteld op 28 januari 2014, zijn aangewezen. De in de gemeente aangewezen standplaatsen die reeds in een ander geldend bestemmingsplan planologisch zijn toegestaan zijn niet in het plangebied van het thans voorliggende plan betrokken.

3. Het beroep van [appellant] is uitsluitend gericht tegen de standplaatslocatie "Cityplaza", die ter hoogte van de Passage 77 en 81 te Nieuwegein ligt. In de plantoelichting staat dat deze locatie niet in het plan is opgenomen, omdat het innemen van die standplaatslocatie al is toegestaan op grond van het bestemmingsplan "Binnenstad 2007", vastgesteld door de raad op 29 maart 2007. Volgens [appellant] heeft de raad de standplaatslocatie "Cityplaza" ten onrechte niet bij het plangebied betrokken, waardoor de exacte ligging van deze standplaats onduidelijk blijft. Het beroep van [appellant] moet derhalve worden opgevat als gericht tegen de begrenzingen van het voorliggende plan.

4. In de zienswijze die [appellant] over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht heeft hij zich uitsluitend gericht tegen de standplaatslocatie "hoek Raadstede/Noordstedeweg", die in het plangebied van het voorliggende plan ligt, en niet tegen de locatie "Cityplaza" of tegen de begrenzingen van het bestemmingsplan. Het beroep van [appellant] steunt derhalve niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015

159-820.