Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3176

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
201503389/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:2021, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling verleend aan [appellant] en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende dat hij gedurende 24 maanden € 595,00 per maand terugbetaalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201503389/1/A2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2015 in zaak nr. 14/5919 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling verleend aan [appellant] en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende dat hij gedurende 24 maanden € 595,00 per maand terugbetaalt.

Bij besluit van 16 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, doch de betalingsregeling gewijzigd vastgesteld, inhoudende dat hij gedurende 24 maanden € 572,00 per maand terugbetaalt.

Bij uitspraak van 25 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2015, waar [appellant] en zijn [echtgenote], bijgestaan door mr. J. Nieuwstraten, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] dient een bedrag aan teveel betaalde kinderopvangtoeslag terug te betalen aan de Belastingdienst/Toeslagen en heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling. Omdat de terugvordering volgens de Belastingdienst/Toeslagen is te wijten aan opzet of grove schuld van [appellant] heeft de Belastingdienst/Toeslagen een betalingsregeling vastgesteld waarbij binnen 24 maanden de volledige schuld dient te worden terugbetaald. [appellant] is het hier niet mee eens en betwist dat er sprake is geweest van opzet of grove schuld.

2. Het uitgangspunt in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) is dat de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zes weken moet terugbetalen (artikelen 26 en 28). In artikel 31 van de Awir wordt de mogelijkheid gegeven om nadere regels te stellen met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling. Hiervan is gebruik gemaakt in artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir. De mogelijkheid tot het treffen van een persoonlijke betalingsregeling is volgens het zesde lid van deze bepaling echter niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner. In een zodanig geval staat alleen de regeling van artikel 79.8a van de Leidraad Invordering 2008 (hierna: de Leidraad) nog open voor een belanghebbende en kan de Belastingdienst/Toeslagen onder omstandigheden een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden toestaan, waarbij de volledige schuld dient te worden voldaan. Voor wat betreft de invulling van de begrippen opzet en grove schuld zoekt de Belastingdienst/Toeslagen aansluiting bij de tekst van paragraaf 2, eerste en tweede lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen, waarin het volgende staat:

"1. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou kunnen worden toegekend.

2. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat de beboetbare gedraging wordt begaan."

3. [appellant] heeft, naar aanleiding van de terugvordering van een bedrag van in totaal € 14.254,00 aan ten onrechte over 2010 en 2011 verstrekte voorschotten kinderopvangtoeslag, een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling ingediend.

Bij besluit van 18 april 2014, gehandhaafd bij besluit van 16 juli 2014, heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit verzoek afgewezen omdat het ontstaan van de terugvordering te wijten is aan opzet of grove schuld van [appellant] of zijn partner, omdat hij over 2010 en 2011 in het geheel geen bewijsstukken heeft kunnen overleggen waaruit blijkt dat in die jaren gebruik is gemaakt van kinderopvang. Naast het niet aanleveren van, bijvoorbeeld, jaaropgaves en overeenkomsten, heeft [appellant] ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij kosten voor de opvang heeft gemaakt, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

4. De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld aan de zijde van [appellant]. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het gemaakte onderscheid tussen gevallen waarin sprake is van opzet of grove schuld en gevallen waarin dat niet zo is, in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift dan wel een algemeen rechtsbeginsel, zodat er geen aanleiding is de Uitvoeringsregeling Awir en de Leidraad in zoverre buiten toepassing te laten.

5. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Awir in de weg staat aan het gemaakte onderscheid tussen een toeslagschuld waarbij sprake is van opzet of grove schuld en een toeslagschuld waarbij hiervan geen sprake is.

5.1. Deze opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling eerder beantwoord (uitspraak van 25 maart 2015 in zaak nr. 201403994/1/A2, www.raadvanstate.nl). In die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft en waaraan hetgeen [appellant] in hoger beroep naar voren brengt niet afdoet, heeft de Afdeling overwogen dat de omstandigheid, dat in de Awir noch in de geschiedenis van de totstandkoming daarvan argumenten kunnen worden aangetroffen die rechtvaardigen dat er bij het treffen van een betalingsregeling onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds belanghebbenden wier toeslagschuld ‘te goeder trouw’ is ontstaan en anderzijds belanghebbenden wier toeslagschuld door opzet of grove schuld is ontstaan, gelet op de delegatiebepaling van artikel 31 van de Awir, niet betekent dat dit onderscheid niet mag worden gemaakt. Hieruit vloeit voort dat dit betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor de invulling van de begrippen opzet en grove schuld aangesloten moet worden bij paragraaf 2 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen, nu deze begrippen in de Uitvoeringsregeling Awir niet zijn uitgewerkt. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat het op de weg van de Belastingdienst/Toeslagen lag om te bewijzen dat van opzet of grove schuld sprake is. De Belastingdienst/Toeslagen dient aan te tonen dat sprake is van verwijtbaarheid en bewustheid aan de zijde van [appellant], doch is daar niet in geslaagd, aldus [appellant]. Verder is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan de individuele omstandigheden van [appellant]. [appellant] en zijn echtgenote spreken nauwelijks Nederlands en het informatiemateriaal van de Belastingdienst/Toeslagen is niet beschikbaar in het Arabisch. Zij hebben zich laten bijstaan door een medewerkster van het gastouderbureau en de gastouder en vertrouwden erop dat zij bekend waren met de regelgeving. Bovendien is de kinderopvangtoeslag tot en met juni 2010 niet uitbetaald op de rekening van [appellant]. [appellant] heeft op enig moment te kennen gegeven te willen stoppen met de kinderopvang. De gastouder is bij hem thuis geweest om deze aanpassing te verwerken. Toen hij daarna geld op zijn rekening ontving heeft hij het gastouderbureau gebeld, dat aangaf hierover contact te zullen opnemen met de Belastingdienst/Toeslagen. Toen de betalingen doorgingen, heeft [appellant] contact opgenomen met de Belastingdienst/Toeslagen en te kennen gegeven dat hij nog steeds toeslag ontving hoewel hij deze had stopgezet. Gelet op deze omstandigheden is er geen sprake van dat hij bewust, willens en wetens teveel voorschotten heeft ontvangen, aldus [appellant].

6.1. Nu de Belastingdienst/Toeslagen voor de invulling van de begrippen opzet en grove schuld aansluiting heeft gezocht bij paragraaf 2 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen, behoeft de grond van [appellant] die ziet op de toepasselijkheid hiervan geen bespreking. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank voorts niet overwogen dat het aan [appellant] is om aannemelijk te maken dat er geen sprake is van opzet of grove schuld, waardoor de op dit punt aangedragen grond feitelijke grondslag mist.

6.2. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat de terugvordering is te wijten aan grove schuld.

Hiertoe is allereerst redengevend dat [appellant] te kennen heeft gegeven dat de op 23 maart 2010 ingediende aanvraag kinderopvangtoeslag in zijn aanwezigheid is ingevuld door de gastouder met gebruikmaking van de DigiD van [appellant]. Hierbij is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 toeslag aangevraagd voor 230 uur gastouderopvang per maand. Uit niets blijkt echter dat [appellant] gebruik heeft gemaakt van opvang. [appellant] heeft in het geheel geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er iets van opvang heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft in dit verband onbestreden overwogen dat [appellant] daar naar voren heeft gebracht dat de opvang niet met regelmaat plaatsvond, aangezien de gastouder tot medio 2010 één of twee keer per maand zijn kinderen opving. In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank staat voorts vermeld dat [appellant] ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat de gastouder bij [appellant] kwam om zaken te regelen, maar niet om op de kinderen te passen. Daarnaast is van belang dat de toeslag na een daartoe strekkende wijziging van 18 juni 2010 is uitbetaald op de rekening van [appellant], waarbij het om aanzienlijke bedragen gaat. Daarbij komt dat [appellant] heeft aangegeven dat deze wijziging in zijn bijzijn bij hem thuis is doorgegeven door de gastouder. Weliswaar stelt hij dat het zijn bedoeling was dat de gastouder de toeslag op of omstreeks 18 juni 2010 zou stopzetten en dat het hem verbaasde dat hij voorschotten bleef ontvangen, maar uit niets blijkt dat hij enig initiatief heeft genomen deze betalingen alsnog stop te zetten. Ook stelt hij meermalen bij de Belastingdienst/Toeslagen te zijn geweest om hierover te praten, maar deze bezoeken zijn niet met stukken aannemelijk gemaakt. De Belastingdienst/Toeslagen heeft hierover verklaard niet te beschikken over bezoek- of gespreksnotities van de gestelde bezoeken. Weliswaar heeft de echtgenote van [appellant] ter zitting in hoger beroep verklaard dat meerdere bezoeken aan de Belastingdienst/Toeslagen zijn gebracht, maar zij heeft niet aangegeven dat daarbij expliciet is verzocht de betalingen van de voorschotten stop te zetten. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich gelet op dit samenstel van omstandigheden terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van grove schuld. De omstandigheden die [appellant] daartegenover heeft gesteld, te weten dat hijzelf en zijn echtgenote de Nederlandse taal nauwelijks machtig waren en dat zij mochten vertrouwen op de gastouder en het gastouderbureau, maken niet dat de Belastingdienst/Toeslagen tot een ander oordeel had dienen te komen.

De gronden falen.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Van Dokkum

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015