Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3166

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
201501966/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2014 heeft de RDW de aan [appellante] verleende erkenning bedrijfsvoorraad voor de duur van zes weken ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501966/1/A1.

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 27 januari 2015 in zaak nrs. 14/8118 en 14/8117 in het geding tussen:

[appellante]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2014 heeft de RDW de aan [appellante] verleende erkenning bedrijfsvoorraad voor de duur van zes weken ingetrokken.

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft de RDW het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. Zevenboom, advocaat te Almere, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. E.C. Niemeijer, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Naar aanleiding van een interne melding heeft de RDW geconstateerd dat [appellante] bij de aanmelding van het voertuig met kenteken [....] in de bedrijfsvoorraad, zes keer een foutieve controleletter en bij aanmelding van het voertuig met kenteken [....] in de bedrijfsvoorraad, negen keer een foutieve controleletter heeft ingevoerd. Naar aanleiding hiervan heeft een bedrijvencontroleur van de RDW [appellante] op 21 juli 2014 bezocht en geconstateerd dat de voertuigen met voormelde kentekens in de bedrijfsvoorraad waren aangemeld zonder een geldig overschrijvingsbewijs.

2. Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) kan de RDW aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen, waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens waarvan hij de eigendom heeft verkregen in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.

Ingevolge het vierde lid kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 65, tweede lid, kan de RDW een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend:

a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning geldende eisen,

b. de verplichtingen, vervat in artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 64, tweede lid, niet nakomt, of

c. handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

Ingevolge artikel 52c, eerste lid, aanhef en onder c, verliest een kentekenbewijs zijn geldigheid door het onbevoegd daarin aanbrengen van wijzigingen.

Ingevolge artikel 58a van het Kentekenreglement zijn op driedelige kentekenbewijzen alsmede op kentekenbewijzen die bestaan uit een deel I dat is afgegeven voor 31 mei 2004, een deel I B en een overschrijvingsbewijs, de artikelen 58b tot en met 58i van toepassing.

Ingevolge artikel 58c, derde lid, is het erkende bedrijf bedrijfsvoorraad verplicht binnen een week, nadat hij het deel II of I B en het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen, bij de RDW om opname in bedrijfsvoorraad te verzoeken onder overlegging van deel II of I B, het overschrijvingsbewijs en de bedrijfsvoorraadpas.

Ingevolge artikel 58j zijn op tweedelige kentekenbewijzen afgegeven na 31 mei 2004, maar voor 1 januari 2014 de artikelen 58k tot en met 58w van toepassing.

Ingevolge artikel 58m, derde lid, is het erkende bedrijf bedrijfsvoorraad verplicht binnen een week, nadat hij het deel I B en het overschrijvingsbewijs heeft ontvangen, bij de RDW om opname in bedrijfsvoorraad te verzoeken onder overlegging van deel II, het overschrijvingsbewijs en de bedrijfsvoorraadpas.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad (hierna: de Regeling) moet het erkend bedrijf het bij en krachtens de wet bepaalde omtrent de bedrijfsvoorraad, de erkenning alsmede de registratie, het gebruik en de beëindiging van de registratie van de tot de bedrijfsvoorraad behorende voertuigen in acht nemen.

Ingevolge het tweede lid draagt het erkend bedrijf er zorg voor dat bij voortduring wordt voldaan aan de eisen en voorschriften die gelden voor de erkenning.

Ingevolge het zevende lid draagt het erkend bedrijf er zorg voor dat alleen voertuigen die bestemd zijn om te worden verkocht, dan wel op grond van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel c, van het Kentekenreglement te worden bewaard of bewerkt, in de bedrijfsvoorraad worden en zijn opgenomen.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in het kentekenbewijs, behorende bij het voertuig met het kenteken [....], geen onbevoegde wijziging als bedoeld in artikel 52c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw 1994 was aangebracht. De controleletter was niet door een perforatiegat maar door een vouw in het kentekenbewijs niet meer leesbaar, aldus [appellante].

3.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in het aan het besluit van 28 oktober 2014 ten grondslag liggende controlerapport van 21 juli 2014 is vermeld dat een werknemer van [appellante] heeft verklaard dat een perforatiegat zat op de plek waar de controleletter in het kentekenbewijs hoort te staan. Door [appellante] is niet aannemelijk gemaakt dat de controleletter niet meer zichtbaar was door een vouw in het kentekenbewijs. Met de rechtbank ziet de Afdeling geen grond voor twijfel aan de juistheid van hetgeen in het rapport is vermeld. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het kentekenbewijs, behorende bij het voertuig met het kenteken [....] onbevoegd een wijziging als bedoeld in artikel 52c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw 1994 was aangebracht.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door de RDW geconstateerde overtredingen betreffende de wijzigingen in de kentekenbewijzen van de voertuigen met kentekens [....] en [....], ten onrechte in categorie II als vermeld in de beleidsregels van de RDW zijn ingeschaald. De rechtbank heeft niet onderkend dat de sanctie niet mocht worden opgelegd, omdat niet eerder door haar een overtreding van de regels met betrekking tot de erkenning bedrijfsvoorraad is begaan. De op 16 december 2013 naar aanleiding van een controle door de RDW opgelegde waarschuwing kan niet als zodanig worden aangemerkt, nu het desbetreffende voertuig met het kenteken [....] terecht nog in de bedrijfsvoorraad was opgenomen, aldus [appellante].

Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de opgelegde sanctie, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, te zwaar is. Wat het kentekenbewijs van het voertuig met het kenteken [....] betreft, hebben de vorige eigenaren van dat voertuig verklaard dat door een medewerker van [appellante] is aangegeven dat hoewel een gedeelte van het kentekenbewijs niet goed leesbaar was, hij bereid was het voertuig over te schrijven. Dit voertuig is vervolgens naar de sloop gebracht en zij hebben van [appellante] een ander voertuig als cadeau gekregen. Wat het kentekenbewijs van het voertuig met het kenteken [....] betreft, hebben de verkopers van dat voertuig verklaard dat zij een medewerker van [appellante] hebben verzocht het kenteken over te schrijven hoewel die medewerker had aangegeven dat een controleletter van het overschrijvingsbewijs niet duidelijk leesbaar was door een perforatiegat. Zij heeft te goeder trouw gehandeld, aldus [appellante].

4.1. Bij het toezicht op de erkenning bedrijfsvoorraad hanteert de RDW beleidsregels die zijn neergelegd in de aan elke erkenninghouder en keurmeester bekend gemaakte Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW van, ten tijde van belang, 1 januari 2014 (hierna: de Toezichtbeleidsbrief). In paragraaf 4.5 daarvan is het volgende bepaald:

"In het stroomschema is uitgegaan van een enkelvoudige overtreding. Het kan voorkomen dat er bij u, bij één bedrijfsbezoek of steekproefcontrole verschillende overtredingen worden geconstateerd. Als bij u verschillende overtredingen zijn geconstateerd, zal in beginsel de volgende regel worden toegepast. Wanneer tijdens één bedrijfsbezoek of controle meerdere overtredingen worden geconstateerd, dan wordt dit beschouwd als een meervoudige overtreding. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de categorieën van de verschillende overtredingen bij elkaar worden opgeteld en dat een sanctie wordt opgelegd overeenkomstig de som van de categorieën. Is echter sprake van maximaal twee overtredingen, beide van de categorie I of II, dan worden de categorieën niet opgeteld maar wordt een sanctie opgelegd overeenkomstig de categorie behorend bij de zwaarste van de twee overtredingen. In alle gevallen wordt uw historie meegeteld bij het bepalen van de sanctiezwaarte."

Volgens paragraaf 4.5.2 van de Bijlage Bedrijfsvoorraad en Handelaarskentekenbewijzen, behorende bij de Toezichtbeleidsbrief wordt als categorie II-overtreding aangemerkt: "Wanneer het voertuig bij opname in de bedrijfsvoorraad nog beschikte over een papieren kentekenbewijs: bij aanmelding in bedrijfsvoorraad was het deel II (overschrijvingsbewijs/kopie deel III) niet aanwezig."

De sancties zijn neergelegd in het in de Toezichtbeleidsbrief opgenomen Stroomschema sancties overtreding erkenning/bevoegdheid (hierna ook: het stroomschema). Volgens dit schema is de sanctie bij een overtreding die valt in de categorie II, binnen 30 maanden na een eerdere overtreding die valt in categorie I of II, intrekking van de verleende erkenning bedrijfsvoorraad voor zes weken.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] het voertuig met kenteken [....] in de bedrijfsvoorraad heeft opgenomen terwijl het kentekenbewijs ongeldig was. Voorts heeft [appellante] het voertuig met kenteken [....] eveneens in de bedrijfsvoorraad opgenomen terwijl het kentekenbewijs ongeldig was. Dat betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat op het moment dat de voertuigen in de bedrijfsvoorraad werden opgenomen geen geldig deel II van de kentekenbewijzen aanwezig was. Gelet op paragraaf 4.5.2 van de Bijlage Bedrijfsvoorraad en Handelaarskentekenbewijzen heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de RDW deze gedragingen terecht heeft gekwalificeerd als categorie II-overtredingen.

De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat deze overtredingen volgens het stroomschema leiden tot intrekking van de erkenning gedurende zes weken, nu door [appellante] binnen 30 maanden voorafgaand aan deze overtredingen een overtreding is begaan van categorie I of II. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen mogen, gelet op artikel 9, zevende lid, van de Regeling, alleen voertuigen die bestemd zijn om te worden verkocht, bewaard of bewerkt, in de bedrijfsvoorraad worden opgenomen. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 62, eerste lid, van de Wvw 1994 (Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, blz. 33 en 107) worden hiermee voertuigen bedoeld die, of worden verhandeld, of uiteindelijk worden gesloopt. Uit het rapport, opgemaakt naar aanleiding van een controle op 9 december 2013, kan worden afgeleid dat het voertuig met kenteken [....], gezien de gedane aanbetaling, al was verhandeld, zodat dat voertuig, gelet op artikel 9, zevende lid, van de Regeling, niet langer in de bedrijfsvoorraad mocht worden opgenomen. Anders dan [appellante] onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015 in zaak nr. 201408696/1/A1 stelt, is in dit geval niet van belang of de eigendom van het voertuig met het kenteken [....] door levering was overgegaan op de koper, omdat artikel 9 van de Regeling de eigendomsoverdracht van een voertuig niet vereist. In de uitspraak van 29 april 2015 ging het om de vraag of BCA Autoveiling B.V. voertuigen in haar bedrijfsvoorraad mocht opnemen waarbij de RDW zich op het - onjuist bevonden - standpunt stelde dat dat niet het geval was omdat de eigendom van de voertuigen niet was overgedragen.

4.3. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Regeling moet worden voldaan aan de eis dat een voertuig bestemd is om te worden verhandeld. Het voertuig met het kenteken [....] was na de gedane aanbetaling niet meer bestemd om te worden verhandeld. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht aan de door [appellante] overgelegde email van 13 januari 2015 niet de waarde gehecht die [appellante] daaraan gehecht wil zien. Dat in deze email tussen [appellante] en de koper van het voertuig met het kenteken [....] is afgesproken dat het voertuig pas na volledige betaling van de koopprijs was verkocht, betekent, wat van de juistheid daarvan ook zij, niet dat het voertuig in de periode tussen de aanbetaling en de volledige voldoening van de koopprijs, nog voor verkoop bestemd was en mocht worden opgenomen in de bedrijfsvoorraad.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Toezichtbeleidsbrief in zijn algemeenheid een niet onredelijk gedifferentieerd sanctiebeleid bevat en dit beleid terecht als zodanig niet onredelijk geacht. Toepassing van dit beleid leidt tot intrekking van de erkenning gedurende zes weken. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de RDW in de door [appellante] met de overgelegde verklaringen aangevoerde omstandigheden geen grond heeft hoeven zien van het beleid af te wijken. Datzelfde geldt voor de door [appellante] gestelde financiële schade en imagoschade als gevolg van de intrekking. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze gevolgen reeds zijn betrokken bij de totstandkoming van het beleid en geen bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot afwijking van het beleid.

De betogen falen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015

531-789.