Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3153

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
201409141/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:5173, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2013 heeft het Uwv beslist op een verzoek van [appellant] om inzage in hem betreffende stukken met betrekking tot het Eigen Risico Dragerschap van zijn werkgever en heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld geen dwangsom te hebben verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op dit verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409141/1/A3.

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 1 oktober 2014 in zaak nr. 13/2974 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2013 heeft het Uwv beslist op een verzoek van [appellant] om inzage in hem betreffende stukken met betrekking tot het Eigen Risico Dragerschap van zijn werkgever en heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld geen dwangsom te hebben verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op dit verzoek.

Bij besluit van 21 november 2013 heeft het Uwv het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2015, waar [appellant] is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder persoonsgegeven verstaan: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge het tweede lid bevat de mededeling, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling inzage en correctierecht Uwv (hierna: de Regeling), heeft de betrokkene het recht vrijelijk en met redelijke tussenpozen een schriftelijk verzoek om inzage in en correctie van zijn persoonsgegevens in te dienen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, deelt het Uwv verzoeker schriftelijk binnen vier weken na ontvangst van een verzoek dat voldoet aan het bepaalde in artikel 2 en artikel 5, mee of het Uwv persoonsgegevens over de betrokkene verwerkt en of dan wel in hoeverre het verzoek om inzage wordt ingewilligd.

Ingevolge het tweede lid stelt het Uwv, indien het verzoek wordt ingewilligd, binnen de in het eerste lid bedoelde termijn de volgende gegevens ter beschikking:

- een volledig en begrijpelijk overzicht van de verwerkte gegevens;

- een omschrijving van:

• het doel of de doeleinden van de verwerking;

• de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft;

• de ontvangers of categorieën ontvangers.

2. Op 5 juni 2013 heeft [appellant] op grond van artikel 35 van de Wbp en de Regeling verzocht om inzage in hem betreffende stukken over het Eigen Risico Dragerschap van zijn werkgever.

Het Uwv heeft aan het besluit van 18 juli 2013, gehandhaafd bij besluit van 21 november 2013, ten grondslag gelegd dat [appellant] reeds in het bezit is van alle stukken die zijn werkgever van het Uwv heeft gekregen, met uitzondering van de verhaalsbeslissing. Volgens het Uwv heeft het inzagerecht geen betrekking op de verhaalsbeslissing, omdat hierin geen feitelijke gegevens van [appellant] staan vermeld.

De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten om [appellant] voorafgaand aan het nemen van een besluit op zijn bezwaar te horen, teneinde te onderzoeken op welke stukken, afgezien van de verhaalsbeslissing, het verzoek ziet. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht gepasseerd, omdat [appellant] twee keer bij de rechtbank in de gelegenheid is geweest om zijn standpunt naar voren te brengen, het Uwv de gevraagde verhaalsbeslissing inmiddels aan [appellant] heeft verstrekt en [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er nog andere stukken zijn waarin hij nog geen inzage heeft gehad.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat hij nog steeds geen opgave van hem betreffende persoonsgegevens, met vermelding van herkomst en ontvangers van de gegevens en doelstelling van de onderscheiden verwerkingen, van het Uwv heeft ontvangen.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 24 januari 2007 in zaak nr. 200600780/1) is het uitgangspunt van de Wbp dat een ieder in de gelegenheid moet zijn om na te kunnen gaan waar gegevens over hem zijn vastgelegd en verwerkt. Gelet op de formulering van het verzoek, is het Uwv ingevolge artikel 35, tweede lid, van de Wbp, indien persoonsgegevens van [appellant] in stukken over het Eigen Risico Dragerschap van zijn werkgever worden verwerkt, behoudens toepasselijkheid van de in artikel 43 van de Wbp vervatte weigeringsgronden, gehouden tot verstrekking van een overzicht van zodanige gegevens, alsmede informatie over het doel van de verwerking, de ontvangers en de herkomst van die gegevens. Het Uwv is daartoe eveneens ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Regeling, behoudens de toepasselijkheid van het vierde lid, gehouden. Het Uwv kan aldus niet volstaan met de enkele mededeling dat [appellant] reeds in het bezit is van alle stukken die zijn werkgever van het Uwv heeft gekregen, zoals het heeft gedaan, nu die mededeling geen mededeling van verwerkte persoonsgegevens inhoudt, als bedoeld in de artikelen 35, tweede lid, van de Wbp en 7, tweede lid, van de Regeling. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt derhalve.

4. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 21 november 2013 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met de artikelen 35, tweede lid, van de Wbp en 7, tweede lid, van de Regeling voor vernietiging in aanmerking.

5. Het Uwv dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 1 oktober 2014 in zaak nr. 13/2974;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 21 november 2013, kenmerk 105020813-BB-007B AK;

V. veroordeelt de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 51,98 (zegge: eenenvijftig euro en achtennegentig cent);

VI. gelast dat de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 406,00 (zegge: vierhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Larsson-van Reijsen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015

344.