Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:315

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
201306043/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306043/2/R6.

Datum uitspraak: 4 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Haren,

2. [ appellant sub 2], wonend te Haren,

3. [ appellant sub 3A], [appellant sub 3B] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Haren,

4. [ appellant sub 4], wonend te Haren,

5. [ appellant sub 5] (hierna: [appellant sub 5]), gevestigd te Haren,

6. [ appellant sub 6], wonend te Haren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Haren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2013, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 3], [appellant sub 5], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], [appellant sub 6], bijgestaan door [gemachtigde C] en de raad, vertegenwoordigd door F. Kamminga en R.R. van der Velde, bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 10 januari 2014 in zaak nr. 201306043/1/R6 (www.raadvanstate.nl, hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 27 mei 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

De raad heeft de Afdeling verzocht om de in de tussenuitspraak gestelde termijn te verlengen.

De Afdeling heeft bij beschikking van 3 april 2014 in zaak nr. 201306043/3/R6 (www.raadvanstate.nl) de bij haar uitspraak van 10 januari 2014 bepaalde termijn verlengd tot 1 juni 2014.

Bij besluit van 26 mei 2014 heeft de raad een exploitatieplan vastgesteld.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over het besluit van 26 mei 2014 naar voren te brengen.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] hebben een zienswijze over het besluit van 26 mei 2014 ingediend.

De raad is in de gelegenheid gesteld hierop verweer uit te brengen.

[appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 5] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de commanditaire vennootschap Gemeenschappelijke Exploitatiemaatschappij Haren Noord C.V. (hierna: de GEM) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 3], [appellant sub 5], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [appellant sub 6], en de raad, vertegenwoordigd door F. Kamminga, bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, zijn verschenen. Ter zitting is de GEM, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Weebers-Vrenken, advocaat te Eindhoven, als partij gehoord.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak is geconcludeerd dat de raad in het vaststellingsbesluit de voorwaarde heeft opgenomen dat uitvoering van de in het plan voorziene woningbouw wordt gefaseerd, maar dat deze voorwaarde niet in het plan is gewaarborgd, zodat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is vastgesteld.

2. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 26 mei 2014 een exploitatieplan vastgesteld waarin de gefaseerde uitvoering is opgenomen teneinde de door de raad gewenste uitvoering te waarborgen in het bij besluit van 27 mei 2013 vastgestelde bestemmingsplan.

Goede procesorde

3. [ appellant sub 3] heeft ter zitting aangevoerd dat de zogenoemde allonge in strijd met een goede procesorde is ingediend. [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] stellen dat het voor hen niet mogelijk was om adequaat op de allonge te reageren. Dit stuk dient derhalve buiten beschouwing te worden gelaten of partijen dienen in de gelegenheid te worden gesteld om er alsnog op te kunnen reageren, aldus [appellant sub 3] en [appellant sub 6].

3.1. De Afdeling overweegt dat de allonge deel uitmaakt van een private overeenkomst tussen de gemeente en private partijen en geen deel uitmaakt van, dan wel betrekking heeft op het bij besluit van 26 mei 2014 vastgestelde exploitatieplan. De allonge is derhalve geen stuk dat redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van het exploitatieplan waarin de gefaseerde uitvoering van de woningbouw is opgenomen. De Afdeling zal de allonge en eventuele reacties daarop dan ook niet betrekken in de beoordeling van het exploitatieplan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding de allonge wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten, dan wel partijen in de gelegenheid te stellen om op de allonge te reageren.

Ontvankelijkheid

4. [ appellant sub 1] stelt dat het exploitatieplan onvoldoende inzicht geeft in de bijdrage aan fondsen en de toerekening van opbrengsten aan eigenaren. [appellant sub 2] stelt dat in de exploitatieopzet een raming van andere kosten, zoals schade, en de wijze van toerekening van de te verhalen kosten aan de uit te geven gronden, ontbreekt. Voorts stelt [appellant sub 2] dat de financiële onderbouwing niet correct is, omdat de raad in het exploitatieplan uitgaat van 372 woningen en het bestemmingsplan de bouw van 400 woningen mogelijk maakt.

[appellant sub 6] stelt dat de financiële onderbouwing in het exploitatieplan ondeugdelijk is. Zo ontbreekt de koopovereenkomst van de percelen van het Waterbedrijf Groningen in de bijlagen van het exploitatieplan, blijkt uit het exploitatieplan dat er geen financiële claim tegen de gemeente Haren kan worden ingediend omdat alle gronden in het bezit van de gemeente zijn, is het voorts volgens hem niet duidelijk of de verkoopbaarheid van het genoemde aantal huizen haalbaar is terwijl Haren in een krimpregio ligt, zijn de grondopbrengsten niet gewaarborgd en dalen ten slotte de grondprijzen. [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] stellen dat de exploitatie sluitend is gemaakt door een bijdrage van de GEM die volgens hen is aan te merken als ongeoorloofde staatssteun.

4.1. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) stelt de raad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorzien.

Ingevolge artikel 8.2, vierde lid, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig bekendgemaakt bestemmingsplan, inpassingsplan of wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid.

4.2. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] zijn in zoverre gericht tegen de financiële delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] kunnen niet als belanghebbende worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat zij geen grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het plangebied, zij geen eigenaar zijn van gronden in dat gebied en ook anderszins niet is gebleken van belangen van hen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van het exploitatieplan.

De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] zijn in zoverre niet-ontvankelijk.

Procedureel

5. [ appellant sub 6] en [appellant sub 2] stellen dat de raad in de notitie zienswijzen niet is ingegaan op de door hen naar voren gebrachte zienswijze.

5.1. De raad heeft in de notitie zienswijzen de naar voren gebrachte zienswijzen samengevat weergegeven en beantwoord. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich hier niet tegen. Dat de raad in de notitie zienswijzen niet afzonderlijk is ingegaan op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd, dan wel dat de raad niet een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt.

Het betoog van [appellant sub 6] en [appellant sub 2] faalt.

6. [ appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen, onder verwijzing naar de brief van 21 maart 2014 van Severijn Hulshof advocaten namens [bedrijf 1], [bedrijf 2] en [bedrijf 3], gericht aan de raad en de brief van 24 maart 2014 van de GEM gericht aan de raad, dat de betrokken projectontwikkelaars de democratische procedure voor de totstandkoming van dit plan doorkruisen. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] stellen in dat kader dat de raad niet in vrijheid over de inhoud van het exploitatieplan heeft kunnen beslissen.

6.1. De raad stelt dat in de brieven niet wordt aangedrongen op een bepaalde fasering, maar dat de raad daarin wordt gewezen op de risico’s die kunnen ontstaan als de raad niet binnen de in de tussenuitspraak gestelde termijn een exploitatieplan zou vaststellen.

6.2. In de desbetreffende brieven van 21 maart 2014 en 24 maart 2014 hebben de betrokken projectontwikkelaars er bij de raad enkel op aangedrongen om binnen de in de tussenuitspraak gestelde termijn een exploitatieplan vast te stellen. Tevens wijzen de projectontwikkelaars de raad op de verplichtingen die voortvloeien uit de samenwerkingsovereenkomst (hierna: SOK) en de eventuele financiële gevolgen voor de projectontwikkelaars wanneer de in de tussenuitspraak gestelde termijn wordt overschreden. Een wenselijke fasering, dan wel andere aspecten met betrekking tot de inhoud van een exploitatieplan, worden in die brieven niet genoemd. Gelet hierop valt niet in te zien dat de raad niet in vrijheid over de inhoud van het exploitatieplan heeft kunnen beslissen.

7. [ appellant sub 4] stelt dat er naast deze procedure inzake het bestemmingsplan nog procedures bij de rechtbank Noord-Nederland aanhangig zijn die mogelijk van invloed zijn op het bestemmingsplan. Hij verzoekt de Afdeling om de behandeling van deze zaak aan te houden totdat in alle lopende procedures uitspraak is gedaan.

7.1. De Afdeling wijst dit verzoek af, nu [appellant sub 4] zijn verzoek niet nader heeft geconcretiseerd en derhalve onduidelijk is waarom de door hem genoemde procedures nopen tot aanhouding van de uitspraak.

Het bestemmingsplan

8. [ appellant sub 4] stelt dat in het bestemmingsplan een paragraaf over de bestendigheid van de te bouwen woningen tegen aardbevingen ontbreekt.

8.1. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het met het besluit van 26 mei 2014 vastgestelde exploitatieplan, maar op het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan van 27 mei 2013. Thans kunnen echter geen beroepsgronden meer worden ingebracht, die destijds tegen het besluit van 27 mei 2013 hadden kunnen worden ingebracht. Deze beroepsgrond dient derhalve buiten beschouwing te blijven.

9. Voor zover [appellant sub 5] en [appellant sub 4] beroepsgronden hebben aangevoerd over het feit dat al is aangevangen met de sloop van een boerderij, dat de GEM al is gestart met de verkoop van huizen in het plangebied, dat de raad in dat verband de burgers en de aspirant kopers ten onrechte niet informeert over de lopende procedure inzake het bestemmingsplan, dat volgens hen ten onrechte een vergunning is aangevraagd voor het kappen van 70 bomen en het verwijderen van 9 houtwallen, overweegt de Afdeling dat deze geen betrekking hebben op het met het besluit van 26 mei 2014 vastgestelde exploitatieplan. Deze beroepsgronden kunnen in deze procedure dan ook niet aan de orde komen.

10. [ appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] stellen dat het bestemmingsplan financieel niet uitvoerbaar is. Voor zover de raad in zijn verweerschrift heeft gesteld dat in deze procedure geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd tegen overwegingen uit de tussenuitspraak, voeren [appellant sub 6] en [appellant sub 3] aan dat de woorden "in zoverre" in de rechtsoverweging over de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan er volgens hen op duiden dat de tussenuitspraak hierover geen definitief oordeel bevat. Volgens [appellant sub 6] ontbreekt tevens een conclusie over de economische uitvoerbaarheid in de desbetreffende overweging. [appellant sub 1] voert in dat kader aan dat er een relatie is tussen economische uitvoerbaarheid en fasering en [appellant sub 3] vreest vanwege die relatie voor langdurig open gaten in de bebouwing van deelgebied 6. Zij stellen dat zij daarom beroepsgronden kunnen aanvoeren tegen het in de tussenuitspraak gegeven oordeel over de financiële uitvoerbaarheid.

Volgens [appellant sub 6] is ter zitting gebleken dat de CBS prognoses voor de verwachte woningvraag zijn gebaseerd op een cirkelredenering en uitgaan van uitvoering van bestaande plannen. Het CBS heeft volgens hem niet onderzocht of er behoefte is aan de woningen in dit plan. Voorts stelt hij dat hij in de procedure inzake het bestemmingsplan een aanvulling op zijn beroepschrift heeft ingediend dat volgens hem niet geheel is betrokken bij de tussenuitspraak.

[appellant sub 5] stelt dat de toezegging van de raad rond de verkeersafwikkeling ten onrechte nog niet in een besluit is vervat.

10.1. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] keren zich met deze beroepsgronden tegen de overwegingen over de economische uitvoerbaarheid, de woningbehoefte en de verkeersafwikkeling van de tussenuitspraak. Voor zover [appellant sub 4] stelt dat in de procedure inzake het bestemmingsplan een aanvulling op zijn beroepschrift niet helemaal is betrokken bij de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 4] dit niet nader heeft geconcretiseerd.

De Afdeling overweegt dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel.

Voor zover [appellant sub 3] en [appellant sub 6] stellen dat met betrekking tot de overwegingen over de economische uitvoerbaarheid sprake is van een uitzonderlijk geval, omdat de woorden "in zoverre" in de desbetreffende overweging betekenen dat opnieuw beroepsgronden kunnen worden aangevoerd over de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, berust dit op een onjuiste lezing van de tussenuitspraak. De Afdeling overweegt dat de woorden "in zoverre" in de tussenuitspraak niet zijn gerelateerd aan de beroepsgronden die ten tijde van het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting op 22 november 2013 zijn aangevoerd, zodat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden tegen het besluit van 27 mei 2013 zouden kunnen worden aangevoerd, maar dat deze woorden samenhangen met de in tussenuitspraak gegeven opdracht tot nadere besluitvorming. Die nadere besluitvorming was ten tijde van de tussenuitspraak nog ongewis. Op 26 mei 2014 heeft de raad invulling gegeven aan de opdracht tot nadere besluitvorming door het voorliggende exploitatieplan vast te stellen. De Afdeling overweegt dat de nadere besluitvorming geen aanleiding geeft voor het oordeel dat geen betekenis meer toekomt aan de overwegingen in de tussenuitspraak.

Een zeer uitzonderlijk geval om terug te komen op een in de tussenuitspraak gegeven oordeel is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

11. [ appellant sub 6] stelt dat in de toelichting bij het exploitatieplan een motivering ontbreekt waarom verder niet op het stedenbouwkundig plan behoeft te worden ingegaan.

11.1. Op blz. 7 van de toelichting bij het exploitatieplan staat dat op basis van het stedenbouwkundig plan een exploitatie is opgesteld waarin uitgegaan wordt van 372 woningen in het plangebied en dat uitvoering van het plan geschiedt door een gemeenschappelijke exploitatiemaatschappij, waar de gemeente onderdeel van uitmaakt. Voorts staat er dat het voor het exploitatieplan niet nodig is nader op het stedenbouwkundig plan in te gaan.

11.2. In het stedenbouwkundig plan "Haren Noord groene buurten aan de Grootslaan deelgebied 5 en 6" van 12 december 2012 staan onder meer de typen woningen, de woonsferen, houtwallen en hofjes en de ambities ten aanzien van het groen en de parkeernormen beschreven. Een stedenbouwkundig plan is derhalve relevant voor de vaststelling van een bestemmingsplan, maar niet voor de fasering in een exploitatieplan. Het stedenbouwkundig plan behoefde dan ook niet bij de vaststelling van het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan te worden betrokken. Het betoog van [appellant sub 6] faalt.

Exploitatieplan - fasering

12. [ appellant sub 1] stelt dat de in het exploitatieplan opgenomen fasering niet overeenkomstig de door de raad aangenomen amendementen van mei 2013 is vastgesteld en evenmin overeenkomstig een eerder vastgesteld raadsbesluit. De fasering wijkt in opzet en aantallen af van het vaststellingsbesluit, aldus [appellant sub 1].

[appellant sub 3] stelt dat de omvang van fase 1 en 2 in het exploitatieplan afwijkt van de verwachtingen die op dit punt zijn gewekt tijdens de voorbereiding en behandeling van het bestemmingsplan.

[appellant sub 4] stelt dat de fasering op papier wellicht voldoet aan de eisen van de tussenuitspraak, maar dat daar in de praktijk geen rekening mee gehouden zal worden. De fasering in het exploitatieplan is volgens hem te vaag.

[appellant sub 6] stelt dat er geen sprake is van een fasering, aangezien fase 1 en 2 in elkaar overvloeien.

12.1. Ingevolge artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onder c, onder 5, van de Wro, bevat een exploitatieopzet voor zover nodig een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen en zo nodig koppelingen hiertussen

12.2. In het exploitatieplan zijn voor de fasering de volgende regels opgenomen.

Ingevolge artikel 2 is het verboden, zolang van het programma voor de eerste fase als beschreven in paragraaf 2.5 (kennelijk is bedoeld paragraaf 2.4) voor minder dan eenhonderd en tweeënzestig woningen omgevingsvergunningen onherroepelijk zijn geworden, om:

1) voor de tweede fase een omgevingsvergunning voor woningbouw te verlenen, en

2) werken uit te voeren of voorzieningen te treffen in de tweede fase.

12.3. Het exploitatieplan ziet op de deelgebieden 5 en 6. In paragraaf 2.4 van de toelichting bij het exploitatieplan staat dat de uitvoering van het bestemmingsplan wordt gefaseerd door eerst fase 1, zijnde deelgebied B Dilgt, Hemmen Essen 6 (DHE 6) en het meest zuidelijke deel van deelgebied C (DHE 5) te ontwikkelen en pas daarna over te gaan tot realisatie van het meest noordelijke deel van deelgebied C (DHE 5).

12.4. In het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan van 27 mei 2013 staat dat de raad gelet op het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 maart 2013 ten aanzien van het bestemmingsplan "Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6)", het plan vaststelt onder de voorwaarde dat de uitvoering van het bestemmingsplan wordt gefaseerd door eerst fase 1, zijnde deelgebied B (DHE 6) en het meest zuidelijke deel van deelgebied C (DHE 5) te ontwikkelen en pas daarna over te gaan tot realisatie van het meest noordelijke deel van deelgebied C (DHE). In paragraaf 2.4 van de toelichting bij het exploitatieplan is deze fasering overgenomen. Artikel 2 van het exploitatieplan is derhalve overeenkomstig de in het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan van 27 mei 2014 beoogde fasering vastgesteld. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de in het exploitatieplan opgenomen fasering niet overeenkomstig eerdere besluitvorming is vastgesteld.

Voorts valt niet in te zien dat de fasering, zoals weergegeven in artikel 2 van het exploitatieplan en beschreven in paragraaf 2.4 van de toelichting, onduidelijk of vaag is, dan wel dat geen sprake is van een fasering. Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat in de praktijk geen rekening gehouden zal worden met deze fasering overweegt de Afdeling dat dit een kwestie is van handhaving.

13. [ appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] stellen dat de in het exploitatieplan opgenomen subfasering in strijd is met het beleidsuitgangspunt ‘bouwen vanuit de kern’. [appellant sub 3] wijst daartoe op rechtsoverweging 13.1 van de tussenuitspraak van 10 januari 2014 in zaak nr. 201306043/1/R6 (www.raadvanstate.nl), waaruit blijkt dat de raad volgens hem expliciet heeft aangegeven dat er in aansluiting op de bestaande bebouwing zal worden gebouwd. Zij stellen in dat kader dat voor de subfasering niet een ruimtelijke afweging, maar de verkoopbaarheid van woningen doorslaggevend is geweest.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij met een differentiatie binnen de fasering voor een optimale fasering heeft willen kiezen, zodat uitvoering van het plan is gewaarborgd. Voorts heeft de raad met de subfasering, zoals weergegeven in artikel 3 van het exploitatieplan, willen voorkomen dat her en der in het landschap plukjes woningen verrijzen, of gronden voortijdig bouwrijp worden gemaakt. Met name in het noordelijk deel van deelgebied 5 is het volgens de raad ongewenst dat her en der woningen verrijzen.

De raad stelt dat het gezien de huidige marktomstandigheden niet wenselijk is met het zuidelijk deel van deelgebied 6 te beginnen, omdat daar vrijstaande woningen zullen worden gerealiseerd. Er is volgens de raad op dit moment de meeste vraag naar rijwoningen. Rijwoningen zijn voorzien in de faseringsblokken 1a en 1b van DHE 6. Volgens de raad is met deze differentiatie ook tegemoet gekomen aan een aantal bezwaren van omwonenden die tijdens de exploitatieplanprocedure de wens te kennen hebben gegeven dat het zuidelijk deel van deelgebied 6 voorlopig onbebouwd zal blijven.

13.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de regels van het exploitatieplan, kunnen de werken die zijn aangegeven op bijlage 5 (basisaanleg D5 en D6) worden uitgevoerd zodra het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Ingevolge het tweede lid, geldt voor de faseringsblokken 1 t/m 5 en faseringsblok 9, zoals aangegeven op bijlage 4 (faseringsblokken) dat binnen een blok geen werkzaamheden mogen plaatsvinden, totdat voor 70% van de woningen in zo’n blok (overeenkomstig figuur 9 uit de toelichting bij dit exploitatieplan) een omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.

Ingevolge het derde lid geldt voor de faseringsblokken 6 en 7, zoals aangegeven op bijlage 4 (faseringsblokken):

- dat binnen een blok tot 1 januari 2017 geen werkzaamheden mogen plaatsvinden en

- dat binnen een blok geen werkzaamheden mogen plaatsvinden totdat voor 122 woningen de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden in de faseringsblokken 1A, 1B, 3, 4, 5 en faseringsblok 9, zoals aangegeven op bijlage 4 (faseringsblokken) en

- dat binnen een blok geen werkzaamheden mogen plaatsvinden, totdat voor 25% van de woningen in zo’n blok (overeenkomstig figuur 9 uit de toelichting bij dit exploitatieplan) een omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.

Ingevolge het vierde lid geldt voor faseringsblok 8 zoals aangegeven op bijlage 4 (faseringsblokken):

- dat binnen een blok tot 1 januari 2017 geen werkzaamheden mogen plaatsvinden en

- dat binnen een blok geen werkzaamheden mogen plaatsvinden, totdat voor 122 woningen de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden in de faseringsblokken 1A, 1B, 3, 4, 5 en faseringsblok 9, zoals aangegeven op bijlage 4 (faseringsblokken) en

- dat binnen dat blok geen werkzaamheden mogen plaatsvinden, totdat voor de functie in dat blok een omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.

Ingevolge het vijfde lid kunnen de faseringsblokken in willekeurige volgorde worden ontwikkeld. Het is dus niet noodzakelijk om bij 1 te beginnen, daarna 2 etcetera.

13.3. In rechtsoverwegingen 13.1 en 13.2 van de tussenuitspraak van 10 januari 2014 staat:

"De raad heeft ter zitting toegelicht dat aansluitend op de bestaande bebouwing zal worden gebouwd en dat dit ook zo zal worden afgestemd in de exploitatieopzet.

In het vaststellingsbesluit staat dat de raad heeft besloten het plan vast te stellen onder de voorwaarde dat de uitvoering van het plan wordt gefaseerd door eerst fase 1, zijnde deelgebied B (DHE6) en het meest zuidelijke deel van deelgebied C (DHE5) te ontwikkelen en pas daarna over te gaan tot realisatie van het meest noordelijke deel van deelgebied C (DHE5). Voorts is door de raad besloten deze fasering op te nemen in de exploitatieopzet.

Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het beleid ‘bouwen vanuit de kern’."

13.4. De Afdeling stelt vast dat de fasering zoals opgenomen in het exploitatieplan overeenkomt met de voorgenomen fasering in het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan. Het betoog van [appellant sub 1] op dit punt faalt.

In artikel 3 van de regels van het exploitatieplan is een subfasering opgenomen. Dat door de gekozen subfasering niet begonnen wordt met het bouwen van woningen aansluitend op de kern, maakt niet dat de raad de subfasering in strijd met het beleid ‘bouwen vanuit de kern’ heeft vastgesteld, reeds omdat deze keuze alleen de volgorde van bouwen betreft en niet, zoals de raad ter zitting heeft bevestigd, zal leiden tot afstel van de bouw van woningen in aansluiting op de kern. De betogen falen.

De Afdeling overweegt voorts dat uit de uitspraak van 9 februari 2011 met nr. 200904489/1/R1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat het is toegestaan dat eerst de woningen waar veel vraag naar is zullen worden gerealiseerd mits deze regeling niet alleen is ingegeven om de gemeente te bevoordelen bij de ontwikkeling van het exploitatiegebied. Naar het oordeel van de Afdeling is bevoordeling van de gemeente hier niet aan de orde, aangezien de gemeente eigenaar is van de gronden. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid ervoor kunnen kiezen eerst de woningen te realiseren waar veel vraag naar is en pas daarna de woningen die aansluiten op de kern.

Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor de in het exploitatieplan opgenomen subfasering heeft kunnen kiezen.

14. [ appellant sub 6] stelt dat het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) de mogelijkheid heeft de fasering te wijzigen en dat de burger niet in de gelegenheid wordt gesteld daartegen op te komen. Hij wijst daartoe op de flexibiliteitsbepaling in het exploitatieplan. De flexibiliteitsbepaling is volgens hem in strijd met de wet.

Voorts stelt hij dat de flexibiliteitsbepaling dermate vaag is geformuleerd dat het de fasering onderuit haalt.

14.1. De raad stelt dat een flexibiliteitsbepaling wenselijk is om adequaat te kunnen inspelen op mogelijk veranderende (woning)marktomstandigheden. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat met de regeling in artikel 4, tweede lid, van het exploitatieplan uitdrukkelijk is bedoeld toepassing te geven aan artikel 6.13, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wro.

14.2. Ingevolge artikel 6.13, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wro, kan een exploitatieplan regels bevatten met inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het exploitatieplan aan te geven regels.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een exploitatieplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder b, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan, met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking.

14.3. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het exploitatieplan, is het verboden werken en werkzaamheden uit te (laten) voeren dan wel te (laten) bouwen in strijd met de in artikel 2 en artikel 3 genoemde faseringsvoorschriften.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van verbodsbepalingen in dit artikel indien zo’n ontheffing dienstbaar is aan het realiseren van dit exploitatieplan en van de bestemmingen van het bestemmingsplan en/of daarop geen inbreuk maken. Zo’n ontheffing wordt niet verleend dan nadat het college de gemeenteraad in de gelegenheid heeft gesteld daarover zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

14.4. Gelet op artikel 6.13, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wro biedt de wet de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning van de in een exploitatieplan vervatte regels af te wijken.

Voor zover [appellant sub 6] betoogt dat tegen de toepassing van artikel 4, tweede lid, van het exploitatieplan geen rechtsmiddelen openstaan, kan daarvoor geen grond worden gevonden. Dit artikellid kent aan het college de bevoegdheid toe af te wijken van het exploitatieplan. Dit is een bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder b van de Wabo. Tegen de omgevingsvergunning die met toepassing van dit artikel kan worden verleend, kan bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld. Voor zover [appellant sub 6] stelt dat artikel 4, tweede lid, van het exploitatieplan te vaag is geformuleerd en de in het exploitatieplan voorziene fasering onderuithaalt, overweegt de Afdeling dat aan toepassing van die bepaling de voorwaarde is gesteld dat de ontheffing dienstbaar is aan het realiseren van het exploitatieplan. Het aangevoerde geeft naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bepaling met het opnemen van deze voorwaarde onvoldoende objectief of te ruim is begrensd.

Het betoog van [appellant sub 6] faalt.

Conclusie

15. Het beroep van [appellant sub 3] is gezien de tussenuitspraak gegrond. Het besluit van 27 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6)", dient te worden vernietigd voor zover het betreft onderdeel 2 dat luidt:

"ten aanzien van het bestemmingsplan: het bestemmingsplan Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6) vast te stellen onder de voorwaarde dat de uitvoering van het bestemmingsplan wordt gefaseerd door eerst fase 1, zijnde deelgebied B (DHE6) en het meest zuidelijke deel van deelgebied C (DHE 5) te ontwikkelen en pas daarna over te gaan tot realisatie van het meest noordelijke deel van deelgebied C (DHE5);

deze fasering op te nemen in de exploitatieopzet van de GEM;

aanpassing van de fasering geschiedt door tussenkomst van het college."

De overige beroepen tegen het besluit van 27 mei 2013 zijn gezien de tussenuitspraak ongegrond.

16. De beroepen tegen het besluit van 26 mei 2014 zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

17. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor zover [appellant sub 3] om vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft verzocht, overweegt de Afdeling dat van beroepsmatig verleende rechtsbijstand sprake is indien de proceshandelingen worden uitgevoerd door een rechtshulpverlener. De kosten van advies bij het opstellen van een op eigen titel ingediend beroepschrift voldoen niet aan dit uitgangspunt en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en anderen tegen het besluit van 27 mei 2013 van de raad van de gemeente Haren tot vaststelling van het bestemmingsplan "Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6)" gegrond;

II. verklaart de overige beroepen tegen het besluit van 27 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6)" ongegrond;

III. vernietigt het besluit van 27 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6)", voor zover het betreft de passage in onderdeel 2 die luidt: “ten aanzien van het bestemmingsplan: het bestemmingsplan Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6) vast te stellen onder de voorwaarde dat de uitvoering van het bestemmingsplan wordt gefaseerd door eerst fase 1, zijnde deelgebied B (DHE6) en het meest zuidelijke deel van deelgebied C (DHE 5) te ontwikkelen en pas daarna over te gaan tot realisatie van het meest noordelijke deel van deelgebied C (DHE5); deze fasering op te nemen in de exploitatieopzet van de GEM; aanpassing van de fasering geschiedt door tussenkomst van het college.”;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] niet-ontvankelijk voor zover deze zijn gericht tegen de financiële delen van het besluit van 26 mei 2014 tot vaststelling van het exploitatieplan "Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6)";

V. verklaart de beroepen tegen het besluit van 26 mei 2014 tot vaststelling van het exploitatieplan "Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6)" voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Haren tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en anderen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1611,42 (zegge: zestienhonderdelf euro en tweeënveertig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Haren aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van

mr. B. Klein Nulent, griffier.

w.g. Slump w.g. Klein Nulent

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2015

632.