Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3149

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
201503801/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Parc Patersven" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7137
Module Horeca 2015/2664
JAF 2015/554 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503801/2/R3.

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Wernhout, gemeente Zundert,

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Zundert,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Parc Patersven" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 september 2015, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum en [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door A.J.A. Nicia en drs. R.A.J.A. Scheffer zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de vereniging Vereniging van Eigenaren Parc Patersven (hierna: de VEP), vertegenwoordigd door H.L.M. Damen, A.J. Schraven en anderen, [partij A] en [partij B], vertegenwoordigd door mr. C.W.M. van Alphen en [partij C] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.M. Smits, als partij gehoord.

Overwegingen

Algemeen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Achtergrond

2. Het plan heeft betrekking op het recreatiepark Parc Patersven (hierna: het recreatiepark). Het op 20 februari 1997 door de raad vastgestelde bestemmingsplan "Recreatiecentrum Patersven" heeft het mogelijk gemaakt om in totaal maximaal 500 bungalows, chalets en stacaravans voor recreatieve doeleinden tot stand te brengen. Daarnaast zijn centrale voorzieningen zoals een receptie, tennisbaan, zwembad, speelterrein en supermarkt tot een totaal van 1400 m² mogelijk gemaakt. Feitelijk zijn er ongeveer 493 kavels tot stand gekomen, waarvan er ongeveer 450 bebouwd zijn. In het verleden is een bouwvergunning verleend voor een horecagelegenheid. Deze is ook gebouwd, maar is door brand teniet gegaan.

Tegen de op het park voorkomende permanente bewoning en het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van de huisvesting van seizoenarbeiders is aanvankelijk door het college van burgemeester en wethouders opgetreden, maar sinds 2004 streeft de raad naar legalisatie van deze vormen van bewoning. Er is een groot aantal procedures gevoerd over het strijdige gebruik. In een aantal van die procedures is een in rechte onaantastbare uitspraak gedaan. In een deel van die zaken loopt nog een door de bestuursrechter vastgestelde begunstigingstermijn om het strijdig gebruik te staken. In een aantal andere procedures is nog geen sprake van een in rechte onaantastbare uitspraak.

Het plan strekt tot legalisatie van de permanente bewoning en het gebruik ten behoeve van seizoenarbeiders. Verder maakt het plan onder meer detailhandel tot een oppervlakte van 200 m² en horeca tot een oppervlakte van 370 m² mogelijk. Daarnaast voorziet het plan in onder meer verplaatsing van de milieustraat en natuurcompensatie. Ook is in het plan voorzien in verbreding van de toegangsweg naar het recreatiepark, waarbij de toegangsroute uitsluitend nog in oostelijke richting zal lopen. In het plan zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen met betrekking tot de permanente bewoning en bewoning door seizoenarbeiders waarbij binnen 5 jaar na inwerkingtreding van het plan bluswatervoorzieningen en een verbreding van het gedeelte van de Kleine Heistraat tussen het recreatiepark en de Wernhoutseweg moeten zijn aangelegd.

[verzoeker] woont ten noorden van het recreatiepark. Haar gronden grenzen aan het park. De ontsluiting naar de ingang van het park verloopt nu als eenrichtingsverkeer vanuit oostelijke richting naar het park toe en naar het noorden, langs de woning van [verzoeker], van het park af. Zij vreest voor onomkeerbare gevolgen indien het plan in werking treedt.

Afval

3. [verzoeker] voert aan dat de afvalinzameling op het recreatiepark niet deugdelijk geregeld is. Een schuur in het noorden van het recreatiepark, vlak naast haar perceel, wordt gebruikt voor afvalverzameling dan wel als afvalverwerkingspunt. Zij is bevreesd dat na inwerkingtreding van het plan meldingen op grond van het Activiteitenbesluit zullen worden gedaan dan wel milieuvergunningen zullen worden verleend die betrekking hebben op de afvalinzameling.

3.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor een afvalverzamelpunt uitsluitend ten behoeve van het recreatiepark, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - afvalverzamelpunt".

Blijkens de verbeelding is de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - afvalverzamelpunt" gegeven aan een centraal in het park gelegen stuk grond. Dit stuk grond ligt op een afstand van ongeveer 65 m van de gronden van [verzoeker] en wordt aan het zicht van [verzoeker] onttrokken door tussenliggende bebouwing. De door [verzoeker] bedoelde loods heeft de bestemming "Gemengd" gekregen met uitsluitend een bouwvlak en heeft bij het plan geen aanduiding gekregen voor de inzameling van afval. Gelet op het vorenstaande en daargelaten het antwoord op de vraag in hoeverre een bestemmingsplan een grondslag kan bieden voor de wijze waarop de afvalvoorziening wordt georganiseerd, ziet de voorzieningenrechter in het door [verzoeker] aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

Afwatering

4. [verzoeker] voert aan dat de afwatering van het recreatiepark over haar gronden verloopt. Zij stelt in het verleden wateroverlast te hebben gehad en vreest dat het plan tot wateroverlast zal leiden. Ze vreest dat haar gronden bij een verstopping zullen fungeren als overloopterrein. Zou het plan in werking treden, dan zou dat als grondslag kunnen dienen voor de afgifte van een nieuwe watervergunning.

4.1. Bij uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201407131/1/A4 heeft de Afdeling zich uitgesproken over een door [verzoeker] ingesteld hoger beroep met betrekking tot een verzoek om handhaving en een aan de VEP verleende vergunning krachtens een keur. Daarbij heeft zij onder meer geoordeeld dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat onjuist is de conclusie van de watersysteemanalyse van 8 januari 2013, inhoudende dat het watersysteem, mits goed onderhouden, goed functioneert en voldoende capaciteit heeft om het plaatselijk vrijkomende regenwater af te voeren. Niet aannemelijk is gemaakt dat de afwatering als gevolg van de gewijzigde bouw- en gebruiksmogelijkheden waarin het plan voorziet, ter hoogte van het perceel van [verzoeker] zal verslechteren.

Ook in zoverre ziet de voorzieningenrechter in het door [verzoeker] aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

Horeca

5. [verzoeker] betoogt dat het plan ten onrechte horeca mogelijk maakt zo lang de toegangsroute niet is gewijzigd en aanvullende bluswatervoorzieningen niet zijn aangelegd. Ook vreest zij voor parkeeroverlast nu ter plaatse zelfstandige horeca tot en met categorie 3 mogelijk wordt gemaakt. Indien het plan, voor zover dat ziet op horeca, niet wordt geschorst totdat de Afdeling op het door haar ingestelde beroep heeft beslist, zal naar zij vreest sprake zijn van onomkeerbare gevolgen in de zin dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een horecagelegenheid zal worden verleend.

5.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder e en f, van de planregels zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor horecabedrijven als nevenactiviteit tot en met categorie Horeca 3 met een maximale oppervlakte van 370 m², uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "horeca" alsmede terras, behorende bij de horecavoorzieningen, met een maximale oppervlakte van 200 m².

Ingevolge artikel 1, aanhef en lid 1.44, wordt onder horeca 3 (spijsverstrekkers) verstaan: vormen van horeca-activiteiten die primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren voor nuttiging al dan niet ter plaatse alsmede daaraan ondergeschikt het verstrekken van licht-alcoholische dranken en niet-alcoholische dranken en waarvan de exploitatie doorgaans in enige mate een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken, zoals cafetaria’s, automatieken en afhaalhoreca.

5.2. Gelet op de beperkte oppervlakte van de bij het plan voorziene horeca en de aard daarvan acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat deze horeca een onaanvaardbare verkeers- dan wel parkeeroverlast voor [verzoeker] met zich brengt. De woning van [verzoeker] ligt hemelsbreed op ongeveer 230 m van het vlak waarvoor bij het plan de aanduiding "horeca" is voorzien en bij haar woning geldt een parkeerverbod. Verder is ter zitting naar voren gekomen dat in de nabije omgeving van het perceel waar horeca is voorzien meer dan 70 parkeerplaatsen beschikbaar zijn, naast de op de kavels verplicht aanwezige parkeerplaatsen. De in het plan gestelde eisen om op termijn bluswatervoorzieningen en een gewijzigde toegangsweg tot stand te brengen houden voornamelijk verband met de bij het plan gegeven mogelijkheid om ter plaatse permanent te wonen dan wel seizoenarbeiders te huisvesten en staan los van de vraag of horeca in het centrumgebied aanvaardbaar is.

Ook in zoverre ziet de voorzieningenrechter in het door [verzoeker] aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

Gegeven voorts de omstandigheid dat ter plaatse voorheen ook een horecagelegenheid aanwezig was en in aanmerking genomen het voor Van Erp aanwezige belang om deze op korte termijn te kunnen herbouwen, ziet de voorzieningenrechter na afweging van alle betrokken belangen in de bij het plan voorziene mogelijkheid om een horecagelegenheid te realiseren geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Permanente bewoning en bewoning in verband met seizoenarbeid

6. [verzoeker] betoogt ten slotte dat het plan ten onrechte permanente bewoning en bewoning door seizoenarbeiders mogelijk maakt. Ook hier voert zij aan dat sprake zal zijn van onomkeerbare gevolgen in de zin dat omgevingsvergunningen voor het bouwen van woningen of huisvesting van seizoenarbeiders zullen worden verleend. Hierdoor zal het aantal mensen dat ter plaatse zal wonen, verblijven en winkelen toenemen. Eerst zouden onder meer de voor permanente bewoning benodigde bluswatervoorzieningen en de gewijzigde toegangsroute moeten zijn aangelegd, alvorens sprake kan zijn van vergunningverlening.

6.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie - verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. verblijfsrecreatieve doeleinden in de vorm van bungalows, chalets en stacaravans,

alsmede voor:

(…)

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - bewoning", voor permanente bewoning door een niet-huishouden met een maximum van 4 personen of door een huishouden.

6.2. Voor het beantwoorden van de door [verzoeker] opgeworpen vragen met betrekking tot permanente bewoning en bewoning door seizoenarbeiders, en met name de vraag of aanvaardbaar is dat eerst permanente bewoning en bewoning door seizoenarbeiders mogelijk wordt gemaakt en de aanleg van daarmee verbande houdende voorzieningen pas later mogen worden aangelegd, leent de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet. Met betrekking tot de vraag of haar belangen het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigen overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Ter zitting is naar voren gekomen dat de aanwezige recreatiewoningen dateren van rond 1998 of daarna. Volgens de VEP voldoen deze reeds aan de normen van het Bouwbesluit 2012. Gelet hierop moet het belang van de kaveleigenaren bij de mogelijkheid om omgevingsvergunningen voor bouwen te verkrijgen die verband houden met permanente bewoning of bewoning door seizoenarbeiders beperkt worden geacht. Het daartegenover staande belang van [verzoeker] om niet zonder onherroepelijke juridische grondslag geconfronteerd te worden met nieuwe ontwikkelingen weegt zwaarder. Er zouden omgevingsvergunningen voor bouwen ten behoeve van permanente bewoning of bewoning door seizoenarbeiders verleend kunnen worden in de tijd totdat uitspraak wordt gedaan in de bodemprocedure.

Ten aanzien van het bij het plan voorziene gebruik voor permanente bewoning en bewoning door seizoenarbeiders overweegt de voorzieningenrechter dat in de lopende handhavingstrajecten een belangrijke rol heeft gespeeld dat er geen zicht bestond op legalisatie. Met de vaststelling van het plan is daarop alsnog zicht gekomen. Of dat zicht ook werkelijkheid zal worden, moet door de Afdeling in de bodemprocedure worden beoordeeld. In de tussentijd is het, voor zover het plan daarin voorziet, voor de bewoners en gebruikers van het recreatiepark van groot belang dat zij geen dwangsommen verbeuren indien zij het huidige gebruik voortzetten. Het belang van [verzoeker] weegt in zoverre in verhouding tot deze belangen lichter. Indien het plan wordt vernietigd zal de mogelijkheid tot handhaving herleven en bestaat er geen blijvend nadeel aan haar zijde.

Gelet hierop bestaat aanleiding met betrekking tot de bestemming "Recreatie - verblijfsrecreatie" een voorlopige voorziening te treffen die zich beperkt tot de verlening van omgevingsvergunningen voor bouwen.

Conclusie en proceskosten

7. Ten aanzien van het plan als geheel en ten aanzien van de bestemming "Horeca" in het bijzonder bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Ten aanzien van het op de bestemming "Recreatie - verblijfsrecreatie" betrekking hebbende artikel 7 van de planregels bestaat aanleiding een voorlopige voorziening te treffen die er op neerkomt dat, zo lang de Afdeling nog niet heeft geoordeeld over het beroep van [verzoeker], er geen omgevingsvergunning voor bouwen ten behoeve van permanente bewoning of bewoning ten behoeve van seizoenarbeiders mag worden verleend. Wel is, eveneens zo lang de Afdeling nog niet heeft geoordeeld over het beroep van [verzoeker], op de kavels waaraan bij het plan de aanduiding "specifieke vorm van wonen - bewoning" is gegeven, een gebruik voor permanente bewoning of bewoning door seizoenarbeiders toegestaan.

8. De raad dient ten aanzien van [verzoeker] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst artikel 7 van de planregels, behorende bij het op 19 mei 2015 door de raad van de gemeente Zundert vastgestelde bestemmingsplan "Parc Patersven", doch uitsluitend voor zover dat de verlening van omgevingsvergunningen voor bouwen mogelijk maakt die strekken ten behoeve van permanente bewoning door een huishouden dan wel ten behoeve van bewoning door een niet-huishouden;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Zundert tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Zundert aan [verzoeker] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Matulewicz

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015

45.