Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3142

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201405414/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405414/1/V2.

Datum uitspraak: 29 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 juni 2014 in zaak nr. 14/2145 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juni 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond (lees: niet-ontvankelijk) verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling betoogt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen belang heeft bij beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, omdat tegen hem eerder een inreisverbod is uitgevaardigd met de rechtsgevolgen genoemd in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: een zwaar inreisverbod). Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank dusdoende niet onderkend dat hetgeen hij in beroep tegen het besluit van 23 januari 2014 heeft aangevoerd in deze procedure aan de orde moet komen.

1.1. Uit de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2015 in zaak nr. 201409477/1/V2 en 3 juli 2015 in zaak nr. 201502325/1/V2 volgt dat, nu de staatssecretaris bij besluit van 9 oktober 2012 tegen de vreemdeling een zwaar inreisverbod heeft uitgevaardigd en dat inreisverbod ten tijde van de indiening van de asielaanvraag van de vreemdeling op 6 juni 2013 voortduurde, die aanvraag, uit oogpunt van concentratie van rechtsbescherming, mede moet worden aangemerkt als een verzoek om opheffing van dat inreisverbod en de afwijzing van de aanvraag mede moet worden begrepen als een afwijzing van dat verzoek om opheffing. Dat betekent dat, zoals ook uit voormelde uitspraken volgt, de beoordeling of de vreemdeling voldoet aan de vereisten voor vergunningverlening in dit geval ten volle aan de orde kan worden gesteld in het kader van de toetsing van het besluit op het verzoek om opheffing van het zware inreisverbod.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling overigens aanvoert behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep van de vreemdeling niet heeft behandeld als ware het gericht mede tegen de afwijzing van het verzoek om opheffing van het zware inreisverbod. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling dat de beroepsgrond van de vreemdeling dat de staatssecretaris de geloofwaardigheid van de door hem gestelde seksuele gerichtheid niet op de juiste wijze heeft onderzocht en beoordeeld slaagt, gelet op de uitspraak van 8 juli 2015 in zaken nrs. 201208550/1/V2, 201110141/1/V2 en 201210441/1/V2. De overwegingen van die uitspraak zijn ook in deze zaak van toepassing. De staatssecretaris heeft de afwijzing van het verzoek om opheffing van het zware inreisverbod dus niet deugdelijk gemotiveerd.

3. Het beroep is reeds hierom gegrond. Het besluit van 23 januari 2014 moet wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb worden vernietigd.

4. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 juni 2014 in zaak nr. 14/2145;

III. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 januari 2014, V-nummer [nummer] ;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. N. Verheij en

mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Bosma

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2015

363.