Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201502917/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502917/1/V1.

Datum uitspraak: 28 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 maart 2015 in zaak nr. 14/20055 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 1 september 2014 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 maart 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.J.P. Lemmen, advocaat te Heerlen, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Volgens paragraaf B8/9.1.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals ten tijde van belang luidend, verstaat de staatssecretaris onder medische noodsituatie: die situatie waarbij een vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

2. De staatssecretaris heeft aan het besluit het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 22 juli 2014 (hierna: het BMA-advies) ten grondslag gelegd.

Het BMA-advies vermeldt dat de BMA-arts het op basis van de door de behandelaars van de vreemdeling verstrekte medische informatie over de therapie noodzakelijk heeft geacht om hem op te laten roepen voor een expertise-onderzoek. Het onderzoek, verricht door een psychiater werkzaam bij het Psychiatrisch Expertise Centrum, heeft op 9 mei 2014 plaatsgevonden. De bevindingen zijn neergelegd in het rapport van 21 mei 2014 (hierna: het expertiserapport).

Het BMA-advies vermeldt over de aard van de klachten van de vreemdeling, voor zover thans van belang, het volgende. De vreemdeling is langdurig bekend met psychische klachten in de vorm van een posttraumatische stressstoornis (hierna: ptss) en heeft een ernstige depressie, zonder psychotische kenmerken. Zijn behandelaar geeft aan dat het suïciderisico hoog is: er is een toenemende hopeloosheid en daarbij doet de vreemdeling steeds vaker suïcidale uitingen. Volgens de BMA-arts bevestigt het expertiserapport de genoemde diagnosen en vermeldt dit dat de jarenlange behandeling zeer waarschijnlijk heeft bijgedragen aan stabilisering van de situatie, dat de vreemdeling geen suïcidepoging heeft ondernomen en er op het moment van het onderzoek geen concrete plannen daartoe lijken te bestaan, dat het suïcidegevaar moeilijk is in te schatten en dat de bestaande angst en somberheid in combinatie met de uitzichtloosheid een wanhoop doen ontstaan die suïcidaliteit kan uitlokken.

Het BMA-advies vermeldt over het ontstaan van een medische noodsituatie dat dit wat betreft de psychische klachten van de vreemdeling niet is komen vast te staan, omdat hij waarschijnlijk wel meer klachten zal krijgen, maar gezien de voorgeschiedenis een noodsituatie daarbij niet direct is te verwachten. Hiertoe wijst de BMA-arts er op dat de vreemdeling al sinds 2001 met de klachten kampt, dat zich een verslechtering heeft voorgedaan, maar zich ondanks de onzekerheid waarin hij is komen te verkeren geen verdere decompensatie heeft voorgedaan, en dat een daadwerkelijke, geobjectiveerde zelfmoordpoging niet is beschreven en gedwongen opname niet aan de orde is geweest.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris het besluit ten onrechte heeft gebaseerd op het BMA-advies, nu dit onvoldoende inzichtelijk en concludent is, omdat onduidelijk is waarom de uit het expertiserapport geselecteerde onderdelen van doorslaggevend belang zijn bevonden voor het antwoord op de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan en waarom minder waarde moet worden gehecht aan de overige observaties en overwegingen uit het expertiserapport. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat volgens het expertiserapport niet met voldoende zekerheid valt te onderbouwen of, en zo ja, wat voor soort medische noodsituatie het uitblijven van behandeling zou uitlokken, terwijl het BMA-advies ter staving van de conclusie dat geen medische noodsituatie zal ontstaan met name van belang acht de opmerkingen uit het expertiserapport dat er weliswaar een verslechtering is opgetreden, maar geen verdere decompensatie, en dat de vreemdeling geen concrete suïcideplannen heeft en suïcidepogingen als uiting van zijn suïcidaliteit ontbreken. Volgens de rechtbank volgt uit het expertiserapport echter ook dat de behandeling van de vreemdeling er nu juist vermoedelijk aan heeft bijgedragen dat geen verdere decompensatie is opgetreden, dat zijn behandelaars de suïcidaliteit hoog inschatten en dat de angst samenhangend met de ptss en de somberheid als onderdeel van de depressieve stoornis, in combinatie met de praktische uitzichtloosheid, een wanhoop doen ontstaan die suïcidaliteit uitlokt.

4. De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen de onder 3 weergegeven overwegingen. De staatssecretaris voert onder meer aan dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het BMA-advies niet alleen de informatie van de behandelaars weergeeft maar ook de in het expertiserapport vermelde relativering daarvan. Verder voert hij aan dat als de zorgvuldige weging van de psychische toestand van de vreemdeling in het expertiserapport al moet worden beschouwd als twijfel, het BMA-advies die twijfel in voldoende mate weergeeft en dat de rechtbank daarbij heeft miskend dat over het ontstaan van een medische noodsituatie nooit volledige zekerheid valt te geven. Hij wijst erop dat daarom in het BMA-advies, overeenkomstig het vermelde in het Protocol Bureau Medische Advisering 2010 (hierna: het BMA-protocol; www.ind.nl), de medische voorgeschiedenis van de vreemdeling mede is betrokken bij het antwoord op die vraag.

4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1 strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

4.2. De onder 3 na de zinsnede 'volgt uit het expertiserapport echter ook' weergegeven zinsneden uit het expertiserapport en van de behandelaar van de vreemdeling zijn, zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, alle weergegeven in het BMA-advies bij de aard van de behandeling. Deze informatie moet daarmee geacht worden bij het opstellen van het BMA-advies te zijn betrokken. Verder stemt de zinsnede uit het expertiserapport dat niet met voldoende zekerheid valt te onderbouwen of, en zo ja, wat soort medische noodsituatie het uitblijven van behandeling zou uitlokken, op zich overeen met het antwoord in het BMA-advies dat wat betreft de psychische klachten niet is komen vast te staan dat een medische noodsituatie zal ontstaan en vermeldt de toelichting daarbij niet alleen de zinsnede uit het expertiserapport dat een verdere decompensatie zich niet heeft voorgedaan, maar ook de zinsneden dat het uitblijven van behandeling bij de vreemdeling zal leiden tot het ontwikkelen van meer klachten en een verslechtering daarvan. Zoals ook vermeld in de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2015 in zaak nr. 201404702/1/V1, beziet het BMA voor de beantwoording van de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan, mede gelet op het BMA-protocol, de medische voorgeschiedenis van een vreemdeling en het ziektebeloop, bijvoorbeeld of sprake is geweest van opname in een psychiatrisch ziekenhuis. In dit licht past de opmerking in voormelde toelichting dat een daadwerkelijke geobjectiveerde zelfmoordpoging niet is beschreven en gedwongen opname niet aan de orde is geweest. Dit is, zoals de staatssecretaris terecht betoogt, niet weersproken. De rechtbank heeft, gezien het vorenstaande, niet onderkend dat het BMA-advies voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is, zodat de staatssecretaris dit terecht aan het besluit ten grondslag heeft gelegd.

De grieven slagen.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het inleidend beroep alsnog ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 maart 2015 in zaak nr. 14/20055;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2015

154.