Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3136

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201502663/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:1367, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] uitstel van betaling verleend en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende dat zij gedurende 24 maanden een bedrag van € 479,00 per maand terugbetaalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2015/287

Uitspraak

201502663/1/A2.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2015 in zaak nr. 14/5663 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] uitstel van betaling verleend en een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende dat zij gedurende 24 maanden een bedrag van € 479,00 per maand terugbetaalt.

Bij besluit van 16 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, doch de betalingsregeling gewijzigd vastgesteld, inhoudende dat zij gedurende 24 maanden een bedrag van € 476,00 per maand terugbetaalt.

Bij uitspraak van 25 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat te Amsterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 12 april 2014 heeft [appellante], naar aanleiding van de terugvordering van een bedrag van € 11.494,00 aan ten onrechte over 2011 verstrekte voorschotten kinderopvangtoeslag, een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling op basis van haar betalingscapaciteit bij de Belastingdienst/Toeslagen ingediend. Bij het besluit van 7 juni 2014, gehandhaafd bij het besluit van 16 augustus 2014, heeft de dienst dit verzoek afgewezen. Volgens de dienst is het ontstaan van de terugvordering te wijten aan de opzet of grove schuld van [appellante], omdat zij niet afdoende heeft gereageerd op het verzoek om toezending van bewijsstukken van de daadwerkelijk gemaakte kosten van kinderopvang in 2011.

[appellante] betwist dat het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van haar zijde. Zij heeft in beroep nadere stukken overgelegd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zijn standpunt dat de terugvordering is ontstaan door opzet of grove schuld van [appellante] gehandhaafd, omdat uit de door [appellante] overgelegde stukken volgt dat zij niet alle kosten van kinderopvang over 2011 heeft voldaan en haar dochter na juli 2011 in het geheel niet meer is opgevangen. [appellante] had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming werd toegekend. Daarom is er in dit geval geen aanleiding een persoonlijke betalingsregeling te treffen, aldus de dienst.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] terecht heeft afgewezen.

2. Uitgangspunt van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) is, gelet op de artikelen 26 en 28, dat een belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot tot een terug te vorderen bedrag leidt dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zes weken moet terugbetalen. Artikel 31 van de Awir geeft de bevoegdheid nadere regels te stellen met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling dienaangaande. Hiervan is gebruik gemaakt met artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir. De mogelijkheid tot het treffen van een persoonlijke betalingsregeling is volgens het zesde lid van dit artikel niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner. In dat geval staat alleen de regeling van artikel 79.8a van de Leidraad Invordering 2008 (hierna: de Leidraad) voor een belanghebbende open en kan de Belastingdienst/Toeslagen onder omstandigheden een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden toestaan, waarbij de volledige schuld dient te worden voldaan.

Wat de betekenis van de termen opzet en grove schuld betreft heeft de Belastingdienst/Toeslagen aansluiting gezocht bij de tekst van paragraaf 2, eerste en tweede lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen, luidend:

"1. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou kunnen worden toegekend.

2. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat de beboetbare gedraging wordt begaan."

3. Voor zover [appellante] betoogt dat zij gedurende zeven maanden in 2011 recht had op kinderopvangtoeslag, overweegt de Afdeling dat de vraag of [appellante] aanspraak had op kinderopvangtoeslag over 2011 in deze procedure niet voorligt. Onderwerp van dit geschil is of de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om een persoonlijke betalingsregeling, terecht heeft afgewezen.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan haar opzet of grove schuld. Daartoe voert zij aan dat uit de door haar overgelegde stukken, waaronder een plaatsingsovereenkomst, een rekening van het kinderdagverblijf en een brief van de deurwaarder, volgt dat haar dochter in ieder geval de eerste zeven maanden van 2011 naar het kinderdagverblijf is gegaan, zodat zij heeft aangetoond dat zij in die periode gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Zij vertrouwde erop dat een professionele organisatie als het kinderdagverblijf, dat zij gemachtigd had namens haar de toeslag aan te vragen en dat de toeslag van de Belastingdienst/Toeslagen ontving, aan de dienst zou doorgeven dat haar dochter met ingang van augustus 2011 geen gebruik meer maakte van de opvang. Dat het kinderdagverblijf dat heeft nagelaten, kan haar niet worden verweten, aldus [appellante].

4.1. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld. Dat uit de door [appellante] overgelegde stukken blijkt dat zij niet alle kosten voor die opvang heeft betaald, en de toeslag daarom op nihil is gesteld, is daarvoor onvoldoende. Uit die stukken blijkt dat zij daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en de voorschotten kinderopvangtoeslag aantoonbaar zijn aangewend voor die opvang, aangezien die rechtstreeks op de rekening van het kinderdagverblijf zijn gestort.

Dat [appellante] de toeslag pas eind november 2011 heeft stopgezet, terwijl haar dochter sinds augustus 2011 niet meer naar het kinderdagverblijf ging, is evenmin voldoende ondersteuning van het standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen, dat de terugvordering is ontstaan door opzet of grove schuld van [appellante]. De voorschotten kinderopvangtoeslag zijn op de rekening van het kinderdagverblijf gestort, zodat aannemelijk is dat [appellante] zich er niet van bewust is geweest dat de toeslag niet was stopgezet en zij niet over die toeslag heeft kunnen beschikken, en [appellante] heeft in november 2011 uit eigen beweging de kinderopvangtoeslag stopgezet. Gelet hierop heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om een persoonlijke betalingsregeling ten onrechte afgewezen.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2014 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir voor vernietiging in aanmerking. De Belastingdienst/Toeslagen dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen en een persoonlijke betalingsregeling te treffen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6. De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2015 in zaak nr. 14/5663;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 16 augustus 2014 met kenmerk […];

V. bepaalt dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

VI. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 293,00 (zegge: tweehonderddrieënnegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Ouwehand

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

752.