Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3135

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201500033/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:5956, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2014 heeft de RDW het kentekenbewijs voor het kenteken […] ongeldig verklaard en de tenaamstelling vervallen verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500033/1/A1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 november 2014 in zaak nr. 14/4042 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de RDW.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2014 heeft de RDW het kentekenbewijs voor het kenteken […] ongeldig verklaard en de tenaamstelling vervallen verklaard.

Bij besluit van 16 juni 2014 heeft de RDW het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 november 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 juni 2014 vernietigd en het besluit van 5 maart 2014 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2015, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. C.B.J. Maenhout, werkzaam bij de RDW, en [wederpartij], bijgestaan door mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Beverwijk, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) wordt degene aan wie een kentekenbewijs is opgegeven voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, tenzij anders blijkt, voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet beschouwd als eigenaar of houder van dat motorrijtuig of die aanhangwagen.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, wordt een goedkeuring voor een individueel voertuig verleend, indien het voertuig bij een door de Dienst Wegverkeer verrichte keuring heeft voldaan aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de toelating tot het verkeer op de weg.

Ingevolge artikel 36, vijfde lid, dienen motorrijtuigen en aanhangwagens overeen te komen met de gegevens in het voor het betrokken voertuig afgegeven kentekenbewijs en met de gegevens die omtrent het voertuig zijn opgenomen in het kentekenregister, tenzij krachtens artikel 71 een bepaalde afwijking van die gegevens is toegestaan.

Ingevolge artikel 48, tweede lid, vindt inschrijving in het kentekenregister slechts plaats indien het motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de inschrijving wordt verlangd, overeenkomstig artikel 22 of 26 is goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg en, indien na die toelating wijziging is aangebracht in de bouw of inrichting van dat voertuig, die wijziging, behoudens in het geval dat geen goedkeuring is vereist, overeenkomstig artikel 99, eerste lid, of 100, eerste lid, is goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg.

Ingevolge artikel 51a, derde lid, aanhef en onder f, kan een tenaamstelling vervallen worden verklaard in andere bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen.

Ingevolge artikel 52a, eerste lid, wordt ter bevestiging van de inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling bedoeld in artikel 48, eerste lid, door de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs afgegeven.

Ingevolge het derde lid, vindt uitreiking van het kentekenbewijs of een deel daarvan en verstrekking van de tenaamstellingscode plaats op bij ministeriële regeling te bepalen wijze.

Ingevolge artikel 52c, eerste lid, aanhef en onder a, verliest een kentekenbewijs zijn geldigheid door het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister.

Ingevolge artikel 40b, vierde lid, aanhef en onder a, van het Kentekenreglement kan de Dienst Wegverkeer een tenaamstelling vervallen verklaren indien naar oordeel van deze dienst blijkt dat degene op wiens naam het voertuig is ingeschreven opgehouden is eigenaar, bezitter of houder van het voertuig te zijn.

Ingevolge artikel 2.1, derde lid, van de Regeling tot uitvoering van de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Regeling voertuigen), zoals dat gold ten tijde van belang, wordt het voertuigidentificatienummer (hierna: VIN) vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze zoals vermeld in bijlage I.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van Bijlage I van de Regeling wordt verstaan onder:

- hoofdonderdelen van een voertuig met een volledig dragend of semi-dragend chassis: chassis, aandrijflijn en carrosserie;

- VIN: een gestructureerde combinatie van tekens die de voertuigfabrikant oorspronkelijk aan een voertuig heeft toegekend en ingeslagen, dan wel dat door de RDW is ingeslagen, met het doel om, zonder gebruikmaking van verdere informatie, het voertuig eenduidig te identificeren.

Ingevolge artikel 3 van deze bijlage, wordt, indien vaststelling van het VIN geschiedt in het kader van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, het VIN vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.

Ingevolge artikel 4 moet, in aanvulling op de artikelen 2 en 3 het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende, en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde, VIN op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen VIN is voorzien dan wordt door de Dienst Wegverkeer, op de wijze vermeld in artikel 11, een VIN ingeslagen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, geschiedt de vaststelling van het VIN, als bedoeld in artikel 3, aan de hand van het in het voertuig ingeslagen VIN of overige voertuigkenmerken op grond waarvan eenduidig het VIN kan worden herleid.

Ingevolge het vierde lid wordt geen VIN vastgesteld indien een of meer hoofdonderdelen niet te identificeren zijn of indien blijkt dat één of meer hoofdonderdelen van diefstal afkomstig zijn.

Ingevolgde het vijfde lid wordt, indien naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een VIN niet is vast te stellen, door de Dienst Wegverkeer geen VIN toegekend.

Ingevolge artikel 6 kan de Dienst Wegverkeer, indien twijfel bestaat over de juistheid van het VIN, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen VIN ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, een nader onderzoek instellen.

2. [wederpartij] heeft op 14 juli 2008 een Land Rover met het kenteken […] aangeschaft en op zijn naam gesteld. Hij heeft dit voertuig op 8 januari 2014 ter keuring aangeboden bij de RDW in verband met de uitbouw van een gastank. Bij deze keuring is twijfel ontstaan over de identiteit van het voertuig in verband met een doorgehaald motornummer. Daarnaast zijn twijfels ontstaan over de originaliteit van het ingeslagen VIN. Gelet hierop is op verzoek van de RDW een onderzoek ingesteld door het Permanent Auto Team van de politie Oost-Nederland (hierna: het PAT). De resultaten van het onderzoek zijn door het PAT neergelegd in een rapport van 26 februari 2014. In het rapport is vermeld dat het typeplaatje op de carrosserie niet door de fabrikant is aangebracht en dat het plaatwerk waarop het plaatje is aangebracht niet fabrieksmatig aan het voertuig is gemonteerd. Bovendien vertoont het plaatje sporen waaruit geconcludeerd kan worden dat het verwijderd is geweest en opnieuw aangebracht waardoor volgens het PAT niet kan worden uitgesloten dat het plaatje van een ander voertuig afkomstig is. Daarnaast zijn de een en de zeven in het VIN in het chassis dieper ingeslagen dan de overige posities en is de acht dubbel ingeslagen waardoor het PAT bedenkingen heeft met betrekking tot de originaliteit van het VIN. Het PAT heeft met een etsbehandeling niet kunnen vaststellen dat op die positie een ander nummer heeft gestaan.

De RDW heeft het voormelde rapport aan haar in het besluit op bezwaar van 16 juni 2014 gehandhaafde besluit van 5 maart 2014 ten grondslag gelegd. Aan het besluit van 5 maart 2014 heeft de RDW ten grondslag gelegd dat de identiteit van de carrosserie niet meer is vast te stellen, nu het unieke identiteitskenmerk, het typeplaatje op de carrosserie, verwijderd is geweest.

3. De RDW betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet in redelijkheid kon worden overgegaan tot vervallenverklaring van de tenaamstelling voor het voertuig met het kenteken […] in het kentekenregister. Zij voert hiertoe aan dat de uitspraak van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig is, nu de rechtbank eerst tot de conclusie komt dat de identiteit van het voertuig met het kenteken […] niet valt vast te stellen, waardoor [wederpartij] geen eigenaar of houder meer is van het voertuig waarvoor het kenteken is opgegeven, en de rechtbank daarnaast overweegt dat de tenaamstelling niet in redelijkheid vervallen mocht worden verklaard. De RDW verwijst in dit verband naar artikel 36, vijfde lid, van de Wvw 1994. In dit geval ziet het kentekenbewijs uitsluitend op het voertuig waarvan het VIN 35822178D kan worden vastgesteld en dat kan gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen niet worden vastgesteld. Daarnaast heeft de rechtbank volgens de RDW ten onrechte overwogen dat het ontbreken van informatie van de fabrikant van het voertuig niet voor risico van [wederpartij] mag komen.

3.1. Bij de beoordeling van de vraag of de RDW in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van haar bevoegdheid tot vervallenverklaring van de tenaamstelling omdat het VIN niet kan worden vastgesteld heeft de rechtbank, onder meer, van belang geacht dat [wederpartij] de restauratie van het voertuig uitvoerig heeft gedocumenteerd, dat het voertuig veel onderdelen heeft die zijn bevestigd met schroeven, dat het vaker voorkomt dat het typeplaatje wordt losgehaald na roestvorming en dat [wederpartij] informatie van de fabrikant over het voertuig heeft gekregen terwijl het PAT te kennen heeft gegeven dat het niet mogelijk is gebleken informatie van de fabrikant te verkrijgen. Deze argumenten zijn relevant voor de beantwoording van de vraag of het VIN van het voertuig kan worden vastgesteld. Gelet op het door de rechtbank gelegde verband tussen beide vragen ligt in dit geval eerst de vraag voor of de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het VIN niet kan worden vastgesteld.

3.2. Aan het besluit van 5 maart 2014 is uitsluitend ten grondslag gelegd dat de identiteit van de carrosserie niet kan worden vastgesteld, nu het typeplaatje door [wederpartij] verwijderd is geweest bij de restauratie. Derhalve kan volgens de RDW niet worden uitgesloten dat de carrosserie niet behoort bij het aan het voertuig toegekende VIN en dat de carrosserie van diefstal afkomstig is. Vast staat echter wel dat de ter keuring aangeboden aandrijflijn en het chassis kunnen worden gerelateerd aan het in het kentekenbewijs opgenomen VIN.

3.3. De rechtbank heeft in navolging van de RDW niet onderkend dat met de Regeling niet is beoogd voor te schrijven dat de enkele omstandigheid dat een typeplaatje is verwijderd geweest van de carrosserie voldoende is voor de conclusie dat de carrosserie niet kan worden gerelateerd aan het in het chassis ingeslagen VIN en derhalve het VIN van het voertuig niet kan worden vastgesteld. Hierbij is van belang dat de RDW de door [wederpartij] overgelegde documentatie van zijn restauratiewerkzaamheden niet buiten beschouwing heeft mogen laten. Daarnaast is van belang dat bij het in deze procedure aan de orde zijnde voertuig geen VIN in de carrosserie werd ingeslagen door de fabrikant, maar dat daarop typeplaatjes werden aangebracht waarmee de carrosserie kan worden gerelateerd aan het in het chassis ingeslagen VIN. Vergelijk in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2013 in zaak nr. 201300264/1/A3 waarin is overwogen dat bij een Landrover het VIN in het chassis is ingeslagen waarbij de carrosserie en de aandrijflijn zijn voorzien van specifieke voertuigkenmerken die een directe link hebben met het ingeslagen VIN. Verder is niet gebleken dat de RDW voorlichting heeft gegeven ten aanzien van de gevolgen van het ten behoeve van de restauratie van een voertuig tijdelijk verwijderen van het typeplaatje. Gelet op het voorgaande is het besluit van de RDW van 16 juni 2014 naar het oordeel van de Afdeling niet zorgvuldig tot stand gekomen. De enkele omstandigheid dat het typeplaatje verwijderd is geweest van de carrosserie is onvoldoende voor de conclusie dat het VIN niet kan worden vastgesteld, omdat een of meer hoofdonderdelen niet te identificeren zijn of omdat blijkt dat een of meer hoofdonderdelen van diefstal afkomstig zijn, als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van Bijlage I van de Regeling voertuigen. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij het besluit van 5 maart 2014 is herroepen. Het betoog van de RDW dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot vervallenverklaring van de tenaamstelling gebruik heeft mogen maken behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit van 5 maart 2014 daarbij heeft herroepen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige, met verbetering van gronden, te worden bevestigd. De RDW dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

5. De RDW dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 november 2014 in zaak nr. 14/4042, voor zover het besluit van de directie van de Dienst Wegverkeer van 5 maart 2014 is herroepen;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

V. veroordeelt de Directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Vermeulen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

700.