Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3131

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201408870/1/A1 en 201408871/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2011 heeft het college [appellant sub 2A] onder oplegging van een dwangsom gelast om vanaf 15 september 2011 geen rookhinder meer te veroorzaken. Teneinde dit te bewerkstelligen dient op zijn perceel aan het [locatie 1] te Heerhugowaard (hierna: het perceel) niet te worden gestookt bij zuidoosten tot zuidwesten wind, bij noordoosten tot noordwesten wind en bij windstil weer (windkracht 0), of dient de rookgasafvoer te worden veranderd zodat deze geen overlast/hinder meer veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408870/1/A1 en 201408871/1/A1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Heerhugowaard,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], wonend te Heerhugowaard, (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2])

tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 23 september 2014 in zaken nrs. 12/1033 en 12/1109 in de gedingen tussen:

1. [appellant sub 1], en

2. [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2011 heeft het college [appellant sub 2A] onder oplegging van een dwangsom gelast om vanaf 15 september 2011 geen rookhinder meer te veroorzaken. Teneinde dit te bewerkstelligen dient op zijn perceel aan het [locatie 1] te Heerhugowaard (hierna: het perceel) niet te worden gestookt bij zuidoosten tot zuidwesten wind, bij noordoosten tot noordwesten wind en bij windstil weer (windkracht 0), of dient de rookgasafvoer te worden veranderd zodat deze geen overlast/hinder meer veroorzaakt.

Bij besluit van 19 maart 2012 heeft het college het door [appellant sub 1] onderscheidenlijk [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2014 in zaak nr. 12/1109 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 maart 2012 vernietigd, het besluit van 15 september 2011 herroepen, en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Bij uitspraak van dezelfde datum in zaak nr. 12/1033 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 19 maart 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, en dat besluit vernietigd.

Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] heeft een zienswijze op het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

In het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 12/1109 heeft [appellant sub 2] een nader stuk ingediend.

Met betrekking tot beide hoger beroepen heeft [appellant sub 1] nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 30 juni 2015, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. B. Timmermans, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. T. van der Weijde, en A. van Boheemen, die als informant is gehoord, en het college, vertegenwoordigd door M.N. Slagter, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De last onder dwangsom heeft betrekking op het gebruik van een houtkachel in de woning op het perceel. De last is opgelegd naar aanleiding van een door [appellant sub 1] ingediend verzoek om handhaving. [appellant sub 1] woont op het naastgelegen perceel [locatie 2].

Het college heeft overtreding van artikel 7.3.2 van de door de raad van de gemeente Heerhugowaard vastgestelde, op 13 oktober 2010 in werking getreden, Bouwverordening (hierna: de bouwverordening) aan de last ten grondslag gelegd.

2. Ingevolge artikel 7.3.2, aanhef en onder a, van de bouwverordening, zoals die luidde ten tijde van belang, is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor op voor de omgeving hinderlijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid.

3. Het college heeft aan het in bezwaar in stand gelaten dwangsombesluit van 15 september 2011 een constateringsrapport van 22 mei 2008 ten grondslag gelegd dat namens het college is opgesteld naar aanleiding van een bezoek van de desbetreffende controleur aan het perceel van [appellant sub 1] op 17 mei 2008 nadat deze melding had gemaakt van rookoverlast afkomstig van het perceel [locatie 1]. Het college heeft tevens aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd het in opdracht van [appellant sub 1] opgestelde rapport ‘Rapportage geuroverlast houtkachel Heerhugowaard’ van Buro Blauw B.V. van 9 juli 2010, alsmede een aanvullende rapportage van Buro Blauw van 27 september 2010 (hierna: de geurrapporten).

Het hoger beroep van [appellant sub 1] tegen de uitspraken van de rechtbank in zaken nrs. 12/1109 en 12/1033.

4. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 7.3.2, aanhef en onder, a, van de bouwverordening is overtreden. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte de constatering door de toezichthouder van de gemeente dat sprake is van rook- en geuroverlast als gevolg van de houtkachel in de woning op het perceel, ter zijde geschoven. Volgens [appellant sub 1] is gesteld noch gebleken dat het de betrokken toezichthouder aan deskundigheid ontbreekt. Bovendien, zo betoogt hij, worden de bevindingen van de toezichthouder door de geurrapporten bevestigd. [appellant sub 1] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de last ontoereikend en niet handhaafbaar is. Het voorkomen van geurhinder kan volgens hem uitsluitend worden bewerkstelligd wanneer in de last is opgenomen dat de bestaande rookgasafvoer dient te worden afgesloten zodat het stoken van de houtkachel onmogelijk wordt, dan wel dat de rookgasafvoer wordt verlengd als bedoeld in de bedoelde deskundigenberichten. Hij wijst er daarbij op dat, uitgaande van de huidige formulering van de last, niet duidelijk is hoe moet worden omgegaan met de situatie dat tijdens het stoken van de houtkachel de wind van richting verandert. Ook is het volgens hem ongewenst dat hijzelf feitelijk als toezichthouder wordt aangewezen, nu van hem wordt verwacht dat hij bij constatering van geuroverlast de gemeente informeert.

4.1. In de geurrapporten staat onder meer dat sprake is van een zeer slechte verspreiding van de rookgassen van de houtkachel, omdat door de op de rookgasafvoer geplaatste verdeelkap, de rookgassen zonder verticale impuls horizontaal uit de schoorsteen stromen. Door de geringe hoogte van de schoorsteen en door de aanwezige opbouw op de woning van [appellant sub 2], is sprake van luchtwervelingen op het dak en rond het gebouw. Volgens de geurrapporten worden hierbij de horizontaal uitstromende rookgassen opgenomen in de wervelingen op het dak, en via de zogeheten lijwerveling aan de achterzijde van het dak naar beneden, richting ventilatieramen van de woning van [appellant sub 1], afgevoerd. Door de vorm van de bebouwing is de achtertuin van [appellant sub 1] aan diverse zijden afgesloten. Rookgassen die via de windwervelingen in deze achtertuin terechtkomen, blijven daar vervolgens hangen. Bij zwakke wind en wind uit zuidelijke richtingen kunnen de rookgassen van de houtkachel van [appellant sub 2] in de achtertuin van [appellant sub 1] terechtkomen, aldus de geurrapporten.

In de geurrapporten staat verder dat de omschrijving van de effecten van de lijwerveling is gebaseerd op de specifieke situatie ter plaatse. In de rapporten is echter geen motivering, bijvoorbeeld in de vorm van berekeningen, opgenomen die de bedoelde omschrijving, waaronder begrepen de conclusie dat de rookgassen bij zuidelijke windrichtingen naar beneden afbuigen in de richting van de achtertuin van [appellant sub 1], staven.

Ter zitting is door Van Boheemen, specialist geurhinder bij Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V., een computersimulatie getoond. Deze simulatie toonde windwervelingen die bij zuidwestelijke windrichtingen ontstaan boven een plat dak dat aan één zijde wordt begrensd door een opbouw, een situatie waarvan ook in de geurrapporten is uitgegaan en die overeenkomt met de ligging van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. De simulatie liet zien dat de wervelingen die bij de bedoelde windrichtingen boven het platte dak ontstaan, niet worden gevolgd door het neerslaan van de luchtstroom in de richting waar de wind vandaan komt, hetgeen in de feitelijke situatie de richting is waar de tuin van [appellant sub 1] is gelegen, maar door een zich schuin naar boven bewegende stroming, die zich verplaatst in de richting, tegenovergesteld aan die waar de wind vandaan komt. Nu de computersimulatie met betrekking tot in ieder geval zuidwestelijke windrichtingen, een andere uitkomst laat zien dan hetgeen in de geurrapporten in dit verband wordt geconcludeerd zonder dat daaraan een motivering ten grondslag is gelegd, wordt reeds daarom aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college zijn standpunt dat sprake was van een overtreding van artikel 7.3.2, aanhef en onder a, van de bouwverordening, in zoverre niet op de geurrapporten heeft mogen baseren.

4.2. In de geurrapporten is tevens opgenomen het zogeheten milieudagboek dat [appellant sub 1] op verzoek van het college in de periode eind 2009-begin 2010 gedurende enkele weken heeft bijgehouden in verband met door hem ervaren overlast. Met betrekking tot elf dagen in de bedoelde periode heeft hij, samengevat weergegeven, melding gemaakt van, over het algemeen, zware overlast in de middag of avond, waarbij, naar hij stelde, de ventilatieroosters in zijn woning moesten worden gesloten. Voor het oordeel dat het college zich bij zijn besluitvorming in zoverre op de geurrapporten heeft mogen baseren, wordt evenmin aanleiding gevonden, reeds omdat, naar niet is bestreden, door meer omwonenden in de naaste omgeving van [appellant sub 1] houtkachels dan wel open haarden worden gebruikt en, in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 4.1. is overwogen, uit de geurrapporten niet kan worden afgeleid of de gestelde overlast mogelijk (tevens) wordt veroorzaakt door andere bronnen dan de houtkachel van [appellant sub 2]. Gelet op het laatste, wordt het constateringsrapport van 22 mei 2008, wat daarvan zij, eveneens onvoldoende geacht ter motivering van het standpunt van het college dat overtreding van artikel 7.3.2, aanhef en onder a, van de bouwverordening wegens gebruik van de houtkachel van [appellant sub 2] aan de orde is.

4.3. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat de geurrapporten en het constateringsrapport, op zichzelf, dan wel in samenhang bezien, onvoldoende grond bieden voor het standpunt van het college dat het gebruik door [appellant sub 2] van de houtkachel leidt tot overtreding van artikel 7.3.2, aanhef en onder a, van de bouwverordening. De rechtbank is daarom terecht tot het oordeel gekomen dat het college niet tot handhavend optreden bevoegd was. Hetgeen [appellant sub 1] voor het overige heeft betoogd, behoeft geen bespreking.

Het betoog faalt.

Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 12/1033.

5. [appellant sub 2] heeft ter zitting toegelicht dat het door hem ingestelde incidenteel hoger beroep is bedoeld als een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, voor het geval het betoog van [appellant sub 1] dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 7.3.2, aanhef en onder a, van de bouwverordening is overtreden, zou slagen. Nu de Afdeling, zoals hiervoor is overwogen, tot het oordeel is gekomen dat de rechtbank terecht is overgegaan tot vernietiging van het besluit van 19 maart 2012, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] vervallen.

6. Het hoger beroep van [appellant sub 1] tegen de uitspraken van de rechtbank in zaken nrs. 12/1109 en 12/1033 is ongegrond. De uitspraak in zaak nr. 12/1109 dient te worden bevestigd. Nu de rechtbank bij de uitspraak in zaak nr. 12/1033 eveneens het besluit van 19 maart 2012 heeft vernietigd, wordt ook deze uitspraak bevestigd. Het door [appellant sub 2] ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is vervallen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Pieters

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

407-619.