Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201503170/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Paardenhouderij [locatie 1]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503170/1/R2.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Winterswijk,

en

de raad van de gemeente Winterswijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Paardenhouderij [locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en de raad, vertegenwoordigd door H.J. Vervelde, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], eigenaar van de gronden aan de [locatie 1] te Winterswijk, bijgestaan door J.W. Klein Wolterink, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet voor de gronden aan de [locatie 1] te Winterswijk, in een manege met bedrijfswoning en bijbehorende voorzieningen. Het plangebied is gelegen in het buitengebied ten zuiden van de bebouwde kom van Winterswijk, in de nabijheid van de spoorwegverbinding Winterswijk-Arnhem.

3. [appellante] woont aan de [locatie 2] te Winterswijk. Zij vreest met name voor geluidsoverlast ten gevolge van de toegelaten manege. Zij wijst erop dat zij reeds overlast ervaart van al in de omgeving van haar woning aanwezige geluidsbronnen, zoals de spoorwegverbinding en een camping, en sprake is van toekomstige ontwikkelingen die eveneens voor geluidsoverlast zullen zorgen.

4. [appellante] heeft ter zitting haar beroepsgrond dat het plan in strijd is met de Natuurbeschermingswet 1998, ingetrokken.

5. [appellante] stelt in haar beroepschrift dat onduidelijk is wat het plan mogelijk maakt, nu de gebruiksmogelijkheden die de aan de gronden toegekende bestemming "Sport" bieden niet zijn beperkt dan wel niet is voorgeschreven waar bepaald gebruik op de gronden mag plaatsvinden. Zij stelt daartoe dat onbeperkt paardenbakken kunnen worden aangelegd, nu niet is voorzien in beperkingen wat betreft de oppervlakte daarvan. Daarnaast wijst zij onder meer op de in de planregels opgenomen begrippenlijst, de toegestane bijbehorende voorzieningen en het ontbreken van een maximum aantal te houden paarden.

5.1. Aan de gronden is, voor zover thans van belang, de bestemming "Sport" met de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum bebouwingspercentage (%) = 50" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een manege;

b. het bestaande aantal bedrijfswoningen, daaronder begrepen praktijk- en kantoorruimten voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, met dien verstande, dat maximaal 50 m2 van de vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen ten behoeve van deze activiteiten in gebruik mag zijn en dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;

c. paardenbakken; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, horeca, sanitaire voorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

Ingevolge lid 3.4.1 geldt voor de in lid 3.1 genoemde horeca dat het bedrijfsvloeroppervlak maximaal 250 m2 bedraagt per bestemmingsvlak.

Ingevolge lid 3.4.2 geldt voor de in lid 3.1 genoemde paardenbakken dat deze maximaal 800 m2 mogen zijn.

Ingevolge artikel 1, lid 1.15 is een bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.

Ingevolge lid 1.16, aanhef en onder 1, voor zover thans van belang, is een bestaand bouwwerk een bouwwerk dat op het moment van de inwerkingtreding van het plan bestaat.

Ingevolge lid 1.53 is een woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

5.2. De Afdeling stelt vast dat het plan ingevolge artikel 3, lid, 3.1, van de planregels voorziet in een manege, een bedrijfswoning, paardenbakken en bij een manege behorende voorzieningen zoals wegen, paden, horeca, sanitaire voorzieningen en parkeervoorzieningen. In de planregels, gelezen in samenhang met de verbeelding, zijn beperkingen voor de omvang van deze toegestane vormen van hoofd- dan wel ondergeschikt gebruik/bijbehorende voorzieningen opgenomen. Uit de planregels, gelezen in samenhang met de verbeelding, is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk welk gebruik in welke omvang op de gronden is toegestaan. De omstandigheid dat in artikel 1 van de planregels een meer algemene begrippenlijst is opgenomen, met onder meer het begrip seksinrichtingen, maakt niet dat onzeker is welk gebruik ter plaatse van de gronden is toegestaan. Daarvoor is immers bepalend wat in de bestemmingsomschrijving van de bestemming "Sport", in artikel 3, lid 3.1, van de planregels is opgenomen. Het is in dit geval uit een oogpunt van rechtszekerheid niet vereist dat, zoals [appellante] wenst, betreffende de bijbehorende voorzieningen in de planregels dan wel in de verbeelding exact wordt weergegeven waar deze kunnen worden gerealiseerd, dan wel in de planregels wordt opgenomen hoeveel paarden maximaal mogen worden gehouden.

Voor zover [appellante] stelt dat het toegestane oppervlak aan paardenbakken niet is beperkt, volgt de Afdeling deze stelling niet. In artikel 3, lid 3.4.2, is namelijk bepaald dat de oppervlakte van de paardenbakken maximaal 800 m2 mag zijn. Dit artikellid moet zo worden gelezen dat het totale in het plan toegestane oppervlak aan paardenbakken 800 m2 bedraagt. Op de gronden aan de [locatie 1] mag dan ook maximaal deze oppervlakte voor een paardenbak gebruikt worden. De raad heeft dit ter zitting bevestigd en nader toegelicht dat is beoogd één paardenbak van een oppervlakte van 800 m2 planologisch toe te staan, hetgeen is ingegeven door de reeds feitelijk bestaande situatie - zoals die onder meer blijkt uit de melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer - en de op de gronden beschikbare oppervlakte, waardoor het fysiek onmogelijk is dat er meerdere dergelijke paardenbakken op de gronden komen.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt voorts dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor haar woon- en leefklimaat betreffende geluid, geur en (fijn)stof. Zij stelt tevens dat aan haar belangen bij voorkomen van aantasting van haar woon- en leefklimaat onvoldoende gewicht is toegekend.

6.1. In paragraaf 4.1, Milieu, van de plantoelichting zijn de mogelijke gevolgen van de voorziene manege ten aanzien van onder meer de aspecten geur en (fijn)stof voor het woon- en leefklimaat in de omgeving bezien. Ten aanzien van al deze aspecten is geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat in de omgeving ten gevolge van de manege niet zal worden aangetast. [appellante] heeft niet gesteld noch aannemelijk gemaakt op welke punten het uitgevoerde onderzoek betreffende deze aspecten onvolledig is. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich daarop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren.

Het aspect geluid is in paragraaf 4.1.3, Geluid, en 4.1.5, Milieuzonering, van de plantoelichting bezien. In paragraaf 4.1.3. wordt verwezen naar een akoestisch onderzoek uitgevoerd door adviesburo Van der Boom. De resultaten van dat onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek / controle geluidemissie manege te Winterswijk" van 8 juli 2013. De conclusie van dit onderzoek is dat aan alle geluideisen kan worden voldaan. In paragraaf 4.1.5 is, ook voor het aspect geluid, getoetst aan de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009. De conclusie van deze toetsing is dat aan de aanbevolen richtafstanden ruimschoots wordt voldaan en in zoverre geen onaanvaardbare gevolgen zijn te verwachten. De raad heeft op grond hiervan geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een zodanige toename van de geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellante] dat haar woon- en leefklimaat zal worden aangetast. [appellante] heeft niet, met nadere gegevens onderbouwd, aannemelijk gemaakt dat het onderzoek naar en toetsing betreffende het aspect geluid in het plan onvolledig dan wel onjuist zijn en dat de raad zich op basis hiervan niet in redelijkheid op bovengenoemd standpunt heeft kunnen stellen.

Het betoog faalt.

7. [appellante] betoogt tevens dat ter plaatse geen bedrijfswoning is toegestaan omdat er geen sprake is van een reeds bestaande bedrijfswoning, en dat de bewoning niet zijnde "wonen in een bedrijfswoning" kennelijk onder het overgangsrecht wordt gebracht zonder dat een uitsterfregeling is opgenomen in de planregels.

7.1. Uit de stukken, met name hoofdstuk 2 van de plantoelichting en het verweerschrift, en de nadere toelichting van [vergunninghouder] ter zitting, is de Afdeling gebleken dat op de gronden sprake is van een bestaand woongebouw waarin het huishouden woont dat de manege exploiteert. De Afdeling kan [appellante] niet volgen in haar stelling dat dit woongebouw niet als een ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met in artikel 1, lid 1.15, 1.16, aanhef en onder 1 en 1.53, van de planregels toegestane bestaande bedrijfswoning kan worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat het woongebouw voorheen als burgerwoning door ditzelfde huishouden in gebruik was, maakt dat niet anders, nu uit het samenstel van planregels en de toelichting daarop door de raad moet worden afgeleid dat het begrip "bestaand" in dit geval zo moet worden begrepen dat dit enkel ziet op het aanwezig zijn van een gebouw.

Voorts kan de Afdeling [appellante] niet volgen in haar stelling dat van een overgangsrechtelijke situatie sprake is, nu geen sprake is van voortgezet gebruik van het woongebouw als burgerwoning. Het woongebouw betreft namelijk, overeenkomstig de begripsomschrijving van bedrijfswoning in artikel 1, lid 1.15, van de planregels een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is. Nu er geen sprake is van een overgangsrechtelijke situatie, heeft de raad voorts geen aanleiding hoeven zien om in de planregels een uitsterfregeling op te nemen.

Het betoog faalt.

8. [appellante] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.

w.g. Hagen w.g. Vogel-Carprieaux

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

458-823.