Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3124

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201503810/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2015, kenmerk raad 2015_168 nieuw definitief, heeft de raad het bestemmingsplan "Spoorzone, 4e herziening (Clarissenhof deel 1)" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/998
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503810/1/R6.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Tilburg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2015, kenmerk raad 2015_168 nieuw definitief, heeft de raad het bestemmingsplan "Spoorzone, 4e herziening (Clarissenhof deel 1)" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2015, waar [appellant] en anderen, in de personen van [appellant] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. R. Schmidt, en de raad, vertegenwoordigd door mr. L.M. van Grinsven, L.C.F. Hermans en ing. A.W. Withoos, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord Werkplaats Ontwikkelingsbedrijf B.V., vertegenwoordigd door J.A. van der Veer en ing. A.G.P. Haallie, bijgestaan door ing. B.J.M. Beernink, werkzaam bij Aveco de Bondt.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan en het geschil

2. Het plan voorziet in het juridisch-planologisch kader voor circa 330 woningen, een parkeergarage en commerciële voorzieningen. Het plangebied maakt deel uit van de zogeheten Spoorzone in de omgeving van station Tilburg.

[appellant] en anderen vormen samen de [woongemeenschap] en wonen in een monumentaal pand, [locatie]. Het woongebouw is als zodanig bestemd, maar de bewoners kunnen zich niet verenigen met de voorziene ontwikkelingen, in het bijzonder het achter [woongemeenschap] voorziene gebouw G.

Formeel

3. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte geen inspraakmogelijkheid is geboden.

3.1. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een eventuele inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

4. [appellant] en anderen betogen dat de zienswijze onvolledig en onjuist is beantwoord, omdat in de zienswijzennota niet apart is ingegaan op de toegestane bouwhoogtes voor de vijf appartemententorens.

4.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] en anderen aldus dat zij betogen dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, geeft op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. In de plantoelichting is immers ook ingegaan op de uitgangspunten van het bestemmingsplan en de daaruit voortvloeiende bouwhoogtes van de voorziene appartemententorens. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog faalt.

Inhoudelijk

Uitgangspunten vorig bestemmingsplan

5. [appellant] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met de uitgangspunten van het vorige bestemmingsplan, het bestemmingsplan "Spoorzone". Daartoe voeren zij aan dat in het vorige plan voor dit plangebied een uitwerkingsplicht was opgenomen, met strenge voorwaarden. Verder was in het vorige bestemmingsplan het plangebied aangeduid als overgangsgebied. Volgens [appellant] en anderen worden deze uitgangspunten in het onderhavige bestemmingsplan verlaten en kiest de raad ten onrechte voor een nieuw bestemmingsplan om een bouwplan mogelijk te maken.

5.1. De raad stelt dat na de vaststelling van het vorige bestemmingsplan een aantal stedenbouwkundige inzichten over het project Spoorzone is gewijzigd. Thans is, mede op grond van nieuwe financiële en milieutechnische inzichten gekozen voor een losstaande parkeergarage en losse appartementengebouwen in een groene omgeving. Ook worden met het onderhavige bestemmingsplan de omliggende wijken beter verbonden met de Spoorzone, aldus de raad.

5.2. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Bij besluit van 30 juni 2008 heeft de raad het bestemmingsplan "Spoorzone" vastgesteld. Het betreft een zogeheten globaal plan dat nog diende te worden uitgewerkt. Dit bestemmingsplan voorzag in de grootschalige herontwikkeling van het gebied rondom het station en de voormalige werkplaats bij het station. Het onderhavige plangebied is in dit bestemmingsplan aangeduid als overgangszone tussen de verschillende deelgebieden en omliggende wijken. Bij de ontwikkeling van de Spoorzone is de Burgemeester Brokxlaan anders aangelegd dan in het bestemmingsplan "Spoorzone" was voorzien, aldus de raad. Als gevolg hiervan zou een deel van de voorziene woningbouw in de bestemming "Verkeer" van het plan "Spoorzone" komen te vallen. Uitwerking van het bestemmingsplan "Spoorzone" voor het onderhavige plangebied was reeds daardoor niet meer mogelijk. De gewijzigde stedenbouwkundige inzichten leiden tot een andere visie op het gebied waarbij wordt uitgegaan van een hoog stedelijke invulling, een accent op wonen in appartementen, waarbij losse, hoge, appartementengebouwen zijn toegestaan in een ‘doorwaadbaar’ gebied en waarbij parkeren niet uitsluitend ondergronds maar ook verdiept of bovengronds mogelijk is. Deze nieuwe ruimtelijke uitgangspunten zijn beschreven in het op 25 juni 2012 door de raad vastgestelde Masterplan. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen dat afwijkt van het vorige bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

Woonvisie

6. [appellant] en anderen betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met de door de raad vastgestelde "Woonvisie 2011 t/m 2014" (hierna: de Woonvisie). Zij betogen allereerst dat volgens de Woonvisie prioriteit dient te worden gegeven aan de transformatie van voormalige bedrijventerreinen tot woongebied, als eerst aangewezen locaties. Volgens [appellant] en anderen staat voorts in de Woonvisie dat voor terreinen als dit plangebied rekening moet worden gehouden met de identiteit van een gebied en het karakter van de omliggende bebouwing. Volgens [appellant] en anderen heeft de raad niet gemotiveerd in hoeverre in dit plan rekening is gehouden met de identiteit van het gebied en het karakter van de omliggende bebouwing.

6.1. In de Woonvisie is het woningbouwbeleid van de gemeente neergelegd. De Woonvisie geeft, anders dan [appellant] en anderen betogen, geen absolute prioriteit aan de herontwikkeling van voormalige bedrijventerreinen als eerst te ontwikkelen. Uit de Woonvisie kan voorts niet worden afgeleid dat rekening moet worden gehouden met de identiteit van een gebied en het karakter van de omliggende bebouwing. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met de Woonvisie is vastgesteld.

Het betoog faalt.

Aantasting woon- en leefklimaat door de voorziene bebouwing

7. [appellant] en anderen betogen dat de voorziene bebouwing leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op hun privacy. Daartoe voeren zij aan dat de bebouwing op korte afstand van [woongemeenschap] is voorzien en vanuit de voorziene appartementen inkijk zal ontstaan op hun tuin. Verder wijzen [appellant] en anderen erop dat het vorige bestemmingsplan "Spoorzone" voorzag in minder en lagere bebouwing. Ook voeren [appellant] en anderen aan dat de raad ten onrechte stelt dat er maatregelen zijn genomen om de inkijk in de tuin bij [woongemeenschap] te beperken.

7.1. De raad stelt dat hij met de voorziene bebouwing een hoog stedelijk milieu wil creëren. Hierbij kan volgens de raad enige inkijk op de percelen van anderen niet worden voorkomen. Verder is volgens de raad van belang dat bij de uitwerking van het vorige bestemmingsplan "Spoorzone" gekozen had kunnen worden voor een uitwerking met een grotere aantasting van de privacy dan thans het geval is. Daarnaast is volgens de raad rekening gehouden met de belangen van [appellant] en anderen door een lagere maximumbouwhoogte toe te kennen aan de gronden ten westen van [woongemeenschap], door de bomen in de tuin van het woongebouw te behouden en door de aanleg van een haag tussen de tuin en een aan te leggen voetpad.

7.2. Blijkens de verbeelding is aan de gronden achter [woongemeenschap] de bestemming "Wonen - Gestapeld" toegekend. Binnen deze bestemming is een aantal appartemententorens toegestaan, waaronder gebouw G, met een maximumbouwhoogte van 25 m. Gebouw G is voorzien op 34 m van het hoofdgebouw van [woongemeenschap] en op 8 m van de dichtstbijzijnde uitbouw van het hoofdgebouw. Ter plaatse van gebouw G bevindt zich thans een voor het publiek niet toegankelijke voormalige boomgaard, die [appellant] en anderen beschouwen als een onderdeel van hun tuin.

7.3. De in het bestemmingsplan voorziene bouwmogelijkheden brengen met zich dat er - afhankelijk van de wijze van uitvoering - inkijk kan ontstaan op de tuin bij [woongemeenschap]. De privacy van [appellant] en anderen wordt hierdoor beperkt. De Afdeling is echter van oordeel dat de raad zich, gezien de ligging van het plangebied in een stedelijke omgeving, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene bebouwingsmogelijkheden geen onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant] en anderen met zich brengen.

Het betoog faalt.

8. [appellant] en anderen betogen voorts dat de voorziene bebouwing leidt tot een onaanvaardbaar verlies aan bezonning en lichtinval in hun woningen en tuin. Volgens hen had de raad het verlies aan bezonning kunnen beperken door lagere en kleinschaligere bebouwing in het plan mogelijk te maken. Tevens zijn [appellant] en anderen het niet eens met het verweer van de raad dat de thans aanwezige bomen ook schaduw veroorzaken.

8.1. De raad stelt dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan een bezonningstudie is uitgevoerd, waaruit volgt dat de bezonning ter plaatse van [woongemeenschap] voldoende is.

8.2. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] en anderen is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de bezonning. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de door Dok architecten opgestelde "Bezonningsstudie Clarissenhof" van 17 april 2014 (hierna: de bezonningsstudie), waarin de bezonningssituatie op 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december is onderzocht. Deze bezonningsstudie kent als basis het voorlopig ontwerp van een concreet bouwplan ter invulling van het plangebied. De bezonningsstudie, die als bijlage bij het plan is gevoegd, gaat volgens de raad uit van de maximale bebouwing die op grond van het plan mogelijk is. Uit de bezonningsstudie volgt dat de voorziene bebouwing, met name in de wintermaanden, leidt tot een verlies aan bezonning. De raad acht echter van belang dat de zuidgevel van het hoofdgebouw in ieder geval vanaf 12.00 uur zon heeft, de oostelijke gevel van de westelijke aanbouw vanaf 15.00 uur zon heeft en de westelijke gevel van de oostelijke aanbouw van 11.00 uur tot 14.00 uur zon heeft en vanaf 17.00 uur. Aldus zijn op de peilmomenten tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag beschikbaar in de onderzochte periode, waarbij de gevel maatgevend is. De raad acht dit verlies aan bezonning op grond van het vorenstaande aanvaardbaar. Voorts heeft de raad toegelicht dat in de notitie behandeling zienswijze slechts een feitelijke verwijzing is opgenomen naar de reeds aanwezige schaduwwerking door de bomen in de tuin van [woongemeenschap]. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Het betoog faalt.

9. [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot onaanvaardbare verkeershinder. Volgens hen leidt het plan tot een toename aan verkeer, verkeersonveilige situaties en verkeer in de nachtperiode, omdat in het plangebied verschillende functies, waaronder horeca, zijn toegestaan.

9.1. De in het plan voorziene ontwikkelingen zullen ertoe leiden dat de verkeersintensiteiten in en om het plangebied zullen toenemen. Het betreft hier met name verkeer van en naar de parkeergarage, omdat het gebied tussen de voorziene bebouwing verkeersvrij moet worden. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze toename aan verkeer zal leiden tot onveilige situaties. Evenmin geeft het aangevoerde aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat door de voorziene verkeersintensiteiten, mede gelet op de ligging van het plangebied in een stedelijk gebied.

Het betoog faalt.

Ruimtelijke aanvaardbaarheid gebouw G

10. [appellant] en anderen betogen dat het voorziene appartementengebouw achter [woongemeenschap], gebouw G, ruimtelijk niet aanvaardbaar is, omdat de locatie van het gebouw nadelige gevolgen heeft voor hen en de maximumbouwhoogte te groot is. Wat betreft de locatie voeren zij aan dat gebouw G is voorzien ter plaatse van een voormalige boomgaard, die [appellant] en anderen gebruiken als tuin en die zij beschouwen als een ecologisch waardevol bosperceel. [appellant] en anderen stellen tevens dat zij hierdoor onevenredig worden benadeeld. Volgens [appellant] en anderen heeft de raad ook onvoldoende rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van de tuin. Over de maximumbouwhoogte van 25 m voeren zij aan dat deze niet passend is, omdat deze niet aansluit bij de bestaande bebouwing. Verder had de raad de bouwhoogte van gebouw G moeten verlagen, omdat in de zienswijzennota is toegezegd dat de maximumbouwhoogte van de voorziene parkeergarage aan de Lange Nieuwstraat wordt verlaagd ten opzichte van het ontwerpplan, aldus [appellant] en anderen.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat gebouw G ruimtelijk aanvaardbaar is. Volgens de raad is daarbij van belang dat gebouw G is voorzien op 8 m van de oostelijke aanbouw van [woongemeenschap], terwijl het vorige plan voorzag in de mogelijkheid om tot halverwege de aanbouwen van [woongemeenschap] bebouwing van maximaal 15 m hoog te realiseren. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat met het mogelijk maken van gebouw G ter plaatse van de voormalige boomgaard weliswaar deze bestaande, niet openbaar toegankelijke, bomen niet langer gehandhaafd zullen blijven, maar dat daar tegenover staat dat in het plangebied uit een oogpunt van compensatie in voldoende mate nieuwe bomen zullen worden aangeplant, op locaties die wel openbaar toegankelijk zijn. Bovendien betwist de raad de cultuurhistorische waarde van de tuin. Wat betreft de bouwhoogte stelt de raad dat hiervoor is gekozen, omdat het plangebied is gelegen in een stedelijk gebied, nabij het station.

10.2. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de binnentuin tussen de aanbouwen aan het hoofdgebouw van [woongemeenschap] een waardevol gebied betreft en behoudenswaardig is. Deze binnentuin blijft in het onderhavige plan behouden. Verder is volgens de raad rekening gehouden met de waarde van de binnentuin in de stedenbouwkundige opzet van het plan, omdat de gebouwen en de groene ruimtes daartussen een ‘kloosteromgeving’ zullen vormen. De raad stelt dat het in het plan mogelijk maken van gebouw G ertoe leidt dat de voormalige boomgaard zal verdwijnen, maar dat dit ruimtelijk aanvaardbaar is. Daarbij is volgens de raad van belang dat de voormalige boomgaard geen bijzondere cultuurhistorische of ecologische waarde heeft, deze thans niet publiek toegankelijk is en de aanleg van een alternatieve groene invulling, bijvoorbeeld in de vorm van een door [appellant] en anderen bepleit park ter plaatse van de boomgaard stedenbouwkundig niet passend wordt geacht.

Wat betreft de toegestane maximumbouwhoogte van 25 m voor gebouw G heeft de raad ter zitting uiteengezet dat hij hierover een aparte ruimtelijke afweging heeft gemaakt en de beoogde verlaging van de maximumbouwhoogte van de parkeergarage aan de Lange Nieuwstraat daarom niet heeft geleid tot het als gevolg daarvan tevens verlagen van de maximumbouwhoogte van gebouw G. De raad heeft in de ruimtelijke afweging van belang geacht dat het plangebied is gelegen in een hoogstedelijke omgeving in de directe nabijheid van het station. In de gemeentelijke Handreiking Hoogbouw staat ook dat in het plangebied hoogbouw is toegestaan. Verder acht de raad de toegestane bouwhoogte passend, omdat in het plangebied en de omgeving verschillende gebouwen met een vergelijkbare hoogte hebben gestaan. Hiermee wordt volgens de raad aangesloten bij de historische context van de omgeving. Ook is voor de raad van belang geweest dat met de toegestane maximumbouwhoogte van 25 m voldoende woningen gerealiseerd kunnen worden om te voldoen aan het gemeentelijke woningbouwprogramma.

In aanmerking genomen hetgeen al onder 7.3 en 8.2 is overwogen over de privacy en de bezonning, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, bij afweging van alle betrokken belangen, zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorziene gebouw G strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

Bomenkap

11. [appellant] en anderen vrezen dat al het aanwezige groen in het plangebied zal verdwijnen, omdat niet duidelijk is welke bomen gekapt zullen worden en welke bomen behouden blijven. Zij voeren aan dat de boomwaardekaart in bijlage 4 bij de planregels onvoldoende zekerheid biedt, omdat nog niet alle details van het ontwerp bekend zijn en geen rekening is gehouden met de aanleg van een calamiteitenroute.

11.1. De raad stelt dat veel waarde is gehecht aan het behoud van het bestaande groen en in het bijzonder de bestaande bomen. Gelet daarop is in de planregels bepaald dat binnen een straal van 8 m van potentieel waardevolle bomen en 15 m van monumentale bomen geen bouwwerken mogen worden opgericht. Voorts zullen volgens de raad de bomen die ten behoeve van de uitvoering gekapt zullen worden binnen het plangebied worden gecompenseerd.

11.2. Ingevolge artikel 9, lid 9.5.1, van de planregels bedraagt de afstand van enig bouwwerk gemeten vanuit het hart van een "monumentale boom" of "potentieel waardevolle boom" zoals weergegeven op kaart 4 bij de planregels:

a. bij een "monumentale boom": 15 m;

b. bij een "potentieel waardevolle boom": 8 m.

Ingevolge lid 9.5.2 is het bepaalde in lid 9.5.1 niet van toepassing indien:

a. binnen de genoemde afstand van 15 m of 8 m reeds bebouwing voorkomt en na sloop van deze bestaande bebouwing nieuwe bebouwing wordt opgericht met een zelfde afstand tot de boom en een zelfde goot- en bouwhoogte, mits daarbij zodanige maatregelen worden getroffen dat de betrokken houtopstand of boom niet wordt geschaad;

b. een omgevingsvergunning is verleend voor het kappen van de boom;

c. de boom om andere, van overmacht getuigende redenen reeds eerder is geveld, dan wel door een calamiteit teniet is gegaan.

Ingevolge lid 9.5.3 kan het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 9.5.1, indien zodanige maatregelen worden getroffen dat het voortbestaan van de betrokken houtopstand of boom wordt gewaarborgd. Als voorwaarde voor deze omgevingsvergunning kan het college van burgemeester en wethouders een bomeneffectanalyse (BEA) van een onafhankelijk boomtechnisch adviesbureau eisen. Deze analyse wordt in elk geval vereist indien:

a. er sprake is van de aanduiding "monumentale boom";

b. er gegronde vermoeden bestaan dat het bouwwerk of de bouwwerkzaamheden het voortbestaan van de desbetreffende boom of houtopstand in gevaar kunnen brengen.

11.3. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan heeft de raad onderzoek laten uitvoeren naar de gevolgen van het plan voor de bomen in het plangebied. In het door Cobra boomadviseurs B.V. opgestelde rapport "Bomeneffectanalyse; 175 bomen Clarissenhof Tilburg" van 9 juli 2014 (hierna: de bomeneffectanalyse) staat dat 97 van de aanwezige 175 bomen behouden kunnen blijven bij de voorziene invulling van het plangebied. Naar aanleiding van de uitkomsten van de bomeneffectanalyse is de boomwaardekaart opgesteld, waarop alle behoudenswaardige bomen in het plangebied zijn aangeduid als "monumentale boom" of "potentieel waardevolle boom". De boomwaardekaart is vanwege de benodigde calamiteitenroute aangepast. Deze aangepaste boomwaardekaart is als bijlage 4 bij de planregels gevoegd. De voorziene calamiteitenroute leidt ten opzichte van die kaart derhalve niet tot extra bomenkap. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat onzekerheid bestaat over de vraag welke bomen behouden kunnen blijven, overweegt de Afdeling dat artikel 9, lid 9.5.1, van de planregels voldoende waarborgen bevat. Gelet op het voorgaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende duidelijk is welke bomen behouden blijven dan wel dat het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld.

Het betoog faalt.

Parkeren

12. [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot parkeerhinder. Daartoe voeren zij aan dat de raad geen gebruik heeft mogen maken van de parkeerbalans, omdat daarin geen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat in het plangebied horeca zal komen. Volgens [appellant] en anderen voorziet het plan in dat geval niet in voldoende parkeerruimte. [appellant] en anderen voeren tevens aan dat ook los daarvan in het plangebied onvoldoende parkeerruimte beschikbaar zal zijn, waarbij zij erop wijzen dat de beoogde verlaging van de bouwhoogte van de voorziene parkeergarage aan de Lange Nieuwstraat ertoe leidt dat de capaciteit van deze garage kleiner zal zijn dan in de parkeerbalans staat.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat binnen het plangebied voldoende parkeergelegenheid is voorzien. Volgens de raad is ten behoeve van het bestemmingsplan een parkeerbalans opgesteld, waarbij is uitgegaan van de gemiddelde invulling van de woonbestemmingen. Volgens de raad zal de parkeergarage voorzien in zo’n 430 parkeerplaatsen. Verder wijst de raad op artikel 9, lid 9.6, van de planregels waarin is vastgelegd dat voldoende parkeergelegenheid dient te worden gerealiseerd.

12.2. Ingevolge artikel 9, lid 9.6, onder a, van de planregels dient ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig te zijn. Hiervan is sprake wanneer wordt voldaan aan de parkeernormering zoals opgenomen in bijlage 7 bij de planregels.

Ingevolge lid 9.6, onder b, moet de hiervoor bedoelde ruimte voor het parkeren afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s en is afhankelijk van de situering van parkeerplaatsen. Aan deze eis wordt in ieder geval geacht te zijn voldaan indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimte voldoen aan de door het CROW hiervoor opgestelde richtlijnen, ASVV 2012 van 13 december 2012.

Ingevolge lid 9.6, onder c, kan het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder a, indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of voor zover op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.

12.3. In de parkeerbalans staat dat, uitgaande van de thans voorziene invulling van het plangebied en de parkeernormering zoals die is opgenomen in bijlage 7 bij de planregels, 446 parkeerplaatsen nodig zijn. Als andere functies dan thans zijn voorzien in het plangebied komen, zoals horeca, dan moet hiervoor ingevolge artikel 9, lid 9.6, onder a, van de planregels voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn. Hiermee wordt voorkomen dat nieuwe functies in het plangebied leiden tot onaanvaardbare parkeerhinder. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de beoordeling van de parkeerbehoefte niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de parkeerbalans.

Wat betreft het betoog dat in het plangebied onvoldoende parkeerruimte beschikbaar zal zijn, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toegelicht dat van de 446 benodigde parkeerplaatsen 16 op straatniveau zullen worden gerealiseerd en 430 parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd in de voorziene parkeergarage aan de Lange Nieuwstraat. Daarbij heeft de raad gesteld dat de beoogde verlaging van de maximumbouwhoogte van de parkeergarage geen gevolgen heeft voor de capaciteit, omdat de parkeergarage nu verdiept zal worden aangelegd. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om deze toelichting onjuist te achten. Gelet hierop bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerruimte.

De conclusie is dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare parkeerhinder.

Het betoog faalt.

Weergave bouwhoogte

13. [appellant] en anderen kunnen zich voorts niet verenigen met de weergave van de toegestane bouwhoogte van 25 m binnen de bestemming "Wonen - Gestapeld". Volgens hen is deze bouwhoogte misleidend weergegeven, omdat in de planregels staat dat de toegestane bouwhoogte 10 m bedraagt, tenzij op de planverbeelding een andere bouwhoogte is opgenomen.

13.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.2.2, aanhef en onder d, van de planregels bedraagt binnen de bestemming "Wonen - Gestapeld" de maximale bouwhoogte 10 m, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven. Blijkens de verbeelding is aan de vijf voorziene appartemententorens de bestemming "Wonen - Gestapeld", met de maatvoeringsaanduiding "maximum bouwhoogte (m) = 25", toegekend. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze manier van het aanduiden van de toegestane bouwhoogte misleidend of in strijd met de rechtszekerheid is.

Het betoog faalt.

Bouwhoogte parkeergarage

14. [appellant] en anderen betogen dat de maximumbouwhoogte van de voorziene parkeergarage aan de Lange Nieuwstraat op de verbeelding onjuist is. Volgens hen moet de maximumbouwhoogte 17 m bedragen, omdat de raad dit heeft toegezegd in de zienswijzennota.

14.1. Blijkens de verbeelding is aan de parkeergarage de bestemming "Verkeer - Verblijf" met de functieaanduiding "parkeergarage" en de maatvoeringsaanduiding "maximum bouwhoogte (m) = 22,5" toegekend.

De raad heeft ter zitting erkend dat hij per abuis de maximumbouwhoogte voor de voorziene parkeergarage in het elektronisch vastgestelde plan niet heeft gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

Flora- en faunawet

15. [appellant] en anderen betogen dat de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Zij bestrijden de uitkomsten van het door Buro Maerlant opgestelde rapport "Tilburg Clarissenhof; ecologische quickscan in het kader van de Flora en faunawet; update nader onderzoek 2012" van 19 september 2014 (hierna: de quickscan), omdat in de quickscan gebruik is gemaakt van het door Bureau Waardenburg uitgevoerde onderzoek "Vleermuizen, gierzwaluw en huismus Oude Stad Tilburg, inventarisatie 2013" uit 2013 (hierna: het inventarisatierapport) en geen gebruik is gemaakt van het in 2013 uitgevoerde gemeentebrede vleermuizenonderzoek. Volgens [appellant] en anderen bieden de quickscan en het inventarisatierapport minder waarborgen en is ten onrechte alleen het plangebied onderzocht. Bovendien hebben [appellant] en anderen vleermuizen waargenomen in het plangebied.

15.1. De raad stelt dat in de quickscan gebruik is gemaakt van de gegevens uit het inventarisatieonderzoek. Volgens de raad blijkt uit beide rapporten dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het gebied zijn waargenomen.

15.2. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

15.3. Voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft de raad onderzoek laten uitvoeren naar de aanwezige ecologische waarden en eventueel benodigde ontheffingen op grond van de Ffw. De resultaten hiervan zijn in eerste instantie neergelegd in een conceptversie van de quickscan. In deze conceptversie werd nader onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van vleermuizen aanbevolen. In de definitieve versie van de quickscan staat dat nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen niet meer noodzakelijk is, omdat het inventarisatierapport beschikbaar is. Dit inventarisatierapport betreft, anders dan [appellant] en anderen veronderstellen, het door hen bedoelde gemeentebrede vleermuisonderzoek uit 2013. In het inventarisatieonderzoek is niet alleen het plangebied op de aanwezigheid van vleermuizen onderzocht, maar de gehele oude stad. In het inventarisatierapport staat dat, overeenkomstig de waarneming van [appellant] en anderen, in het plangebied vleermuizen vliegen. Er zijn echter geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aangetroffen. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de quickscan of het inventarisatierapport onjuistheden bevat. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich op voorhand in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

Economische uitvoerbaarheid

16. [appellant] en anderen betogen dat niet duidelijk is of er wel behoefte aan de voorziene appartementen is. Volgens hen is het twijfelachtig of de voorziene appartementen wel verkocht zullen worden.

16.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] en anderen aldus dat zij de financieel-economische uitvoerbaarheid betwisten. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan slechts leiden tot vernietiging van een besluit indien en voor zover de raad in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

16.2. In de plantoelichting staat dat de voorziene woningen passen binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma tot 2021. Verder hebben de raad en Werkplaats Ontwikkelingsbedrijf B.V. ter zitting gesteld dat inmiddels meer dan de helft van de ter verkoop aangeboden appartementen is verkocht. Gelet hierop ziet de Afdeling in de door [appellant] en anderen geuite twijfel over de verkoop van de appartementen geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet hoeft te worden getwijfeld aan de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan.

Het betoog faalt.

Herhaling zienswijze

17. [appellant] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie en proceskosten

18. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de maatvoeringsaanduiding "maximum bouwhoogte (m) = 22,5" op het perceel met de bestemming "Verkeer - Verblijf" en de functieaanduiding "parkeergarage" aan de Lange Nieuwstraat, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

18.1. Partijen hebben ter zitting verklaard zich in een wijziging van de toegestane maximumbouwhoogte van de voorziene parkeergarage te kunnen vinden. Gelet hierop en nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dit is vernietigd.

18.2. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3. van het Bro, ziet de Afdeling tevens aanleiding om de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

19. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tilburg van 9 maart 2015, kenmerk raad 2015_168 nieuw definitief, voor zover het betreft de maatvoeringsaanduiding "maximum bouwhoogte (m) = 22,5" op het perceel met de bestemming "Verkeer - Verblijf" en de functieaanduiding "parkeergarage" aan de Lange Nieuwstraat;

III. bepaalt dat de maatvoeringsaanduiding "maximum bouwhoogte (m) = 17" wordt toegekend aan het perceel met de bestemming "Verkeer - Verblijf" en de functieaanduiding "parkeergarage" aan de Lange Nieuwstraat;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit, voor zover vernietigd;

V. draagt de raad van de gemeente Tilburg op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de onderdelen onder II., III. en IV. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Tilburg aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Nijholt, griffier.

w.g. Hagen

voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

767.