Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3119

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201401309/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:17920, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om verstrekking van documenten krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), deels ingewilligd en deels doorgezonden aan de politie-eenheid Haaglanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401309/1/A3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 december 2013 in zaak nr. 13/6948 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om verstrekking van documenten krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), deels ingewilligd en deels doorgezonden aan de politie-eenheid Haaglanden.

Bij besluit van 3 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], juridisch adviseur in Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door W. Nomen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het door [appellant] ingestelde hoger beroep te komen, ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of het hoger beroep kan worden ontvangen. Daartoe is van belang dat het college, onder meer onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 19 november 2014 in zaken nrs. 201311752/1/A3 en 201400648/1/A3, heeft aangevoerd dat [appellant] vertegenwoordigd wordt door een gemachtigde wiens handelwijze blijk geeft van misbruik van een wettelijke bevoegdheid.

2. Zoals uit de onder 1 vermelde uitspraken volgt, zijn zwaarwichtige gronden vereist om tot het oordeel te komen dat iemand misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Naar het oordeel van de Afdeling kan uit de door het college ingeroepen feiten niet worden afgeleid dat [gemachtigde] de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen en tegen de afwijzing daarvan rechtsmiddelen aan te wenden uitsluitend heeft gebruikt om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Nu op basis van de thans beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld dat [gemachtigde] misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid, zal de Afdeling de zaak inhoudelijk beoordelen.

3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder e, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

4. [appellant] heeft het college verzocht om openbaarmaking van "alle documenten die betrekking hebben op de laatste bekeuring welke tot een zogenaamde Mulderbeschikking leidde in het kalenderjaar tweeduizendentien uitschreven door een bij u in dienst zijnde bijzondere opsporingsambtenaar, met hierin onder andere inbegrepen het proces-verbaal van beëdiging van de bevoegde verbalisant evenals de akte van aanstelling en de eventuele wijzigingsbesluiten, het brondocument, een op ambtseed opgemaakt en op een proces-verbaal gelijkend document, waaruit ondubbelzinnig blijkt hoe de vermeende overtreding is waargenomen."

5. Het college heeft bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 maart 2013, onder verwijzing naar artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob, met weglakking van de geboortedatum, het adres en het inkomen, een akte van opsporingsbevoegdheid tevens inhoudende een akte van beëdiging, een aanstellingsbesluit, een getuigschrift en een verklaring omtrent het gedrag openbaar gemaakt, alle betrekking hebbend op de in het verzoek bedoelde opsporingsambtenaar. Het college heeft voorts een convenant tussen de inmiddels opgeheven gemeenten Reeuwijk en Bodegraven openbaar gemaakt. Voor zover het verzoek ziet op het brondocument, het op ambtseed opgemaakte en op een proces-verbaal gelijkend document heeft het college het verzoek doorgezonden naar de politie-eenheid Haaglanden.

6. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] zijn beroep op openbaarmaking van persoonlijke gegevens toespitst op de geboortedatum van de opsporingsambtenaar. Het college heeft abusievelijk de geboortedatum op de verklaring omtrent het gedrag niet weggelakt, zodat de geboortedatum alsnog aan [appellant] is openbaargemaakt, aldus de rechtbank.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in het bezwaarschrift is aangevoerd dat ten onrechte niet (alle gedeeltes van) de verzochte documenten openbaar zijn gemaakt, zonder daarbij te vermelden welke documenten niet openbaar zijn gemaakt. Dit terwijl het college zich op het standpunt heeft gesteld dat alle beschikbare documenten zijn verstrekt. Nu [appellant] wordt bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener ligt het op zijn weg om toe te lichten welke documenten nog ontbreken. Het college heeft daarom in redelijkheid met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), van het horen van [appellant] kunnen afzien, aldus de rechtbank.

7. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid van het horen heeft kunnen afzien. Daartoe voert hij aan dat hij het bezwaarschrift heeft gemotiveerd. Door van het horen af te zien heeft het college hem de mogelijkheid ontnomen om de gronden van het bezwaarschrift toe te lichten, aldus [appellant].

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 14 januari 2015 in zaak nr. 201403552/1/A3) mag van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3,

aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om met toepassing van voornoemde bepaling van horen af te zien, moet worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld.

7.2. [appellant] heeft in het bezwaarschrift volstaan met de motivering dat het besluit geen kenbare en/of deugdelijke motivering heeft en dat ten onrechte niet (alle gedeeltes van) de gevraagde documenten openbaar zijn gemaakt, zonder dat hij daarbij een begin van een motivering heeft gegeven waarom aannemelijk is dat het college niet alle onder hem berustende documenten openbaar heeft gemaakt en waarom het college niet in redelijkheid gegevens heeft kunnen weglakken. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat aan voormelde maatstaf is voldaan. Dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat [appellant] tijdens een hoorzitting nieuwe gezichtspunten te berde brengt die tot gegrondverklaring van het bezwaar zouden hebben geleid, doet daaraan niet af, omdat het college de beslissing om van horen af te zien moet nemen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld.

Het betoog faalt.

8. Voorts voert [appellant] aan dat de weggelakte gegevens geen gegevens zijn als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob, en geen evenredige belangenafweging is verricht met betrekking tot het weglakken van de geboortedatum. Voorts is er een onderscheid tussen het besluit tot openbaarmaking en het feitelijk verstrekken van documenten. Het is niet de bedoeling van het college om de geboortedatum openbaar te maken, aldus [appellant]. Dat de geboortedatum abusievelijk is verstrekt, maakt dit volgens hem niet anders.

8.1. Bij het besluit van 12 maart 2013 heeft het college in een van de aan [appellant] verstrekte documenten de geboortedatum niet weggelakt. Nu hij aldus de beschikking had over de geboortedatum had hij geen belang meer bij deze beroepsgrond, zodat de rechtbank terecht niet op deze beroepsgrond is ingegaan.

Het betoog faalt.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Borman w.g. Beerse

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

382-818.