Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3116

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201501612/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie] in Tirns" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501612/1/R4.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Tirns, gemeente Súdwest-Fryslân,

2. [appellant sub 2], wonend te Tirns, gemeente Súdwest-Fryslân,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie] in Tirns" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2015, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], bijgestaan door drs. E.M. Korevaar, werkzaam bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Hobma en S.G. Faber, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord [belanghebbende] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. Veltman, advocaat te Amersfoort.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroep ingetrokken.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan heeft betrekking op de gronden aan de [locatie] in Tirns. Met het plan heeft de raad beoogd een uitbreiding van de capaciteit van de bestaande mestvergistingsinstallatie en een nieuwe stal voor (jong)vee mogelijk te maken. Voorts voorziet het plan in een schuur en een tweede bedrijfswoning.

4. [belanghebbende] en anderen betogen dat het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in hun zienswijze uitsluitend hebben gewezen op het ontbreken van voorwaarden in het plan wat betreft de reductie van de geuremissie van de bestaande mestvergistingsinstallatie in het plangebied. Volgens [belanghebbende] en anderen hebben zij hiermee niet de in het plan voorziene ontwikkelingen bestreden. Voorts hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] verklaard tevreden te zijn met de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan naar aanleiding van hun zienswijze, aldus [belanghebbende] en anderen.

4.1. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.

In hun zienswijze hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gesteld dat zij geurhinder ervaren van de bestaande mestvergistingsinstallatie en hebben zij aangevoerd dat de capaciteitsuitbreiding zal leiden tot extra geurhinder. Ook vrezen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] blijkens de zienswijze voor verkeersoverlast als gevolg van het vrachtverkeer van en naar het plangebied. Naar het oordeel van de Afdeling hebben zij hiermee het gehele plan bestreden. Het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] heeft dientengevolge geen betrekking op besluitonderdelen die niet reeds in de zienswijze zijn bestreden. In de omstandigheid dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] bij [belanghebbende] en anderen te kennen hebben gegeven dat zij tevreden zijn met de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan, ziet de Afdeling, wat daar ook van zij, evenmin aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] is derhalve ontvankelijk.

5. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] richten zich in hun beroep tegen het gehele plan en de daarin voorziene en beoogde ontwikkelingen. Zij vrezen onder meer dat het vergisten van mest geen ondergeschikte activiteit blijft en dat de mestvergistingsinstallatie en de nieuwe veestal zorgen voor extra geur-, geluid- en verkeershinder ter plaatse van hun woning nabij het plangebied.

5.1. Blijkens de verbeelding is aan alle gronden in het plangebied de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch" bestemd voor:

a. agrarische cultuurgronden;

b. grondgebonden agrarische bedrijven met niet-grondgebonden agrarische nevenactiviteiten, waarvan de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 500 m2 bedraagt, dan wel de bestaande gezamenlijke oppervlakte indien deze meer is, met dien verstande dat het houden van dieren ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - houden van dieren" niet is toegestaan;

[…]

d. nevenactiviteiten in de vorm van bedrijfsactiviteiten ten behoeve van energieopwekking door middel van mestvergisting met bijbehorende voorzieningen, waarvan de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 500 m2 bedraagt.

Ingevolge lid 3.2, onder a, aanhef en sub 1, mag de nieuwe melk- en veestal, zoals beschreven in paragraaf 2.2 van de toelichting bij het plan, uitsluitend worden gebouwd nadat:

a. er technische maatregelen zijn getroffen voor het afsluiten en afzuigen van de opslagtanks met de uitvergiste mest, de opslagsilo’s voor vloeibare grondstoffen en de hydrolysetank behorende bij de mestvergistingsinstallatie;

b. een opslagkelder voor de vaste grondstoffen behorende bij de mestvergistingsinstallatie is gebouwd en technische maatregelen zijn getroffen voor het afzuigen ervan.

Ingevolge artikel 1, vijfde lid, is een agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of houden van dieren.

5.2. De oppervlakte van de bestaande mestvergistingsinstallatie met bijbehorende voorzieningen bedraagt zo’n 3.700 m2. Dit is aanzienlijk meer dan de thans ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, van de planregels toegestane oppervlakte van 500 m2 voor de mestvergistingsinstallatie met bijbehorende voorzieningen. De bestaande mestvergistingsinstallatie en de bijbehorende voorzieningen zijn in dit plan derhalve niet volledig als zodanig bestemd en daarmee gedeeltelijk onder het overgangsrecht gebracht. De beoogde capaciteitsuitbreiding en aanpassingen van de mestvergistingsinstallatie en bijbehorende voorzieningen, waaronder de bouw van een opslagkelder voor vaste grondstoffen, kunnen derhalve niet op grond van dit plan worden gerealiseerd. Het vorenstaande betekent ook dat de nieuwe veestal niet kan worden gerealiseerd, omdat ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder a, aanhef en sub 1, die nieuwe veestal uitsluitend mag worden gebouwd nadat onder meer een opslagkelder voor de vaste grondstoffen behorende bij de mestvergistingsinstallatie is gebouwd.

De raad heeft erkend dat het plan niet mogelijk maakt wat hij beoogd heeft mogelijk te maken. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.

Het betoog slaagt.

6. Het beroep is reeds hierom gegrond. Nu de voorziene schuur en tweede bedrijfswoning verbonden zijn met de beoogde bedrijfsuitbreiding, ziet de Afdeling aanleiding om het bestreden besluit in zijn geheel wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te vernietigen.

Ter zitting is gebleken dat nog niet duidelijk is of, en zo ja op welke wijze en binnen welke termijn, de raad het hiervoor geconstateerde gebrek in het bestemmingsplan gaat herstellen. Gelet hierop, komt de Afdeling aan een bespreking van de overige beroepsgronden niet toe.

6.1. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3. van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling tevens aanleiding om de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft de gevraagde verletkosten, overweegt de Afdeling dat forfaitair zes uren voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân van 25 september 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie] in Tirns";

III. draagt de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân tot vergoeding van de bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 729,38 (zegge: zevenhonderdnegenentwintig euro en achtendertig cent), met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Nijholt, griffier.

w.g. Michiels

voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

767.