Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3115

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201501754/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:626, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501754/1/V6.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 januari 2015 in zaak nr. 14/5468 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 24 juli 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 januari 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 september 2015, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.F. Jim, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.R.M. de Kock, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) moet de verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte, overleggen. Van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten stelt de staatssecretaris vrij de verzoeker die in bewijsnood verkeert. Bewijsnood doet zich volgens de Handleiding voor indien de registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan of onvolledig zijn en wanneer in dat land geen stukken kunnen worden verkregen door de op dat moment bestaande politieke situatie. In bewijsnood is voorts de verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin die autoriteiten gemotiveerd aangeven waarom zij de verzoeker niet in het bezit kunnen stellen van een geldig buitenlands reisdocument. Indien de verzoeker voormelde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan ter verkrijging van een geldig buitenlands reisdocument.

2. De staatssecretaris heeft aan de handhaving van de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat de identiteit van [appellante] niet vaststaat en dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij in bewijsnood verkeert. [appellante] heeft bij het verzoek geen gelegaliseerde geboorteakte, dan wel ter vervanging hiervan een gelegaliseerde notariële verklaring met een door een notaris gewaarmerkte kopie van een brondocument waarop de notaris zich heeft gebaseerd, overgelegd. Volgens de staatssecretaris kan als brondocument uitsluitend gelden een geactualiseerde, complete 'hukou', dat wil zeggen een huishoudregistratieboekje, een verklaring van het Public Security Bureau (hierna: het PSB) of een verklaring van een ziekenhuis, waaruit blijkt dat deze mag worden gebruikt voor inschrijving in het hukou-registratiesysteem.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met de door haar overgelegde stukken haar identiteit is komen vast te staan. Zij stelt dat geen twijfel bestaat over haar identiteit en dat de namen van haar ouders op 16 juli 2012 zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie (thans: basisregistratie personen, hierna: BRP). [appellante] voert daartoe voorts aan dat zij, in de vorm van overlijdensaktes van haar ouders, een verklaring van het PSB heeft overgelegd die door de Chinese autoriteiten als echt is aangemerkt, zodat ook daarom haar identiteit is komen vast te staan. De rechtbank heeft niet onderkend dat de omstandigheid dat de staatssecretaris onvoldoende vergelijkingsmateriaal heeft om de waarde van die overlijdensaktes te onderzoeken, niet voor haar risico mag komen. Het vasthouden aan de eis van het overleggen van de onder 2 vermelde brondocumenten door de staatssecretaris is voorts onredelijk, aldus [appellante].

3.1. Het onder 2 vermelde beleid, dat inhoudt dat de staatssecretaris ter vervanging van een gelegaliseerde geboorteakte een gelegaliseerde notariële verklaring en brondocumenten mag verlangen, acht de Afdeling niet onredelijk. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat, aangezien [appellante] geen van de onder 2 vermelde brondocumenten heeft overgelegd, de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit van [appellante] niet is komen vast te staan. Nog daargelaten of de overlijdensaktes, mede gelet op de Verklaring van Onderzoek van het Bureau Documenten van 2 juli 2014 en de omstandigheid dat de aktes niet zijn gelegaliseerd, op één lijn kunnen worden gesteld met een verklaring van het PSB, is [appellante]'s identiteit met die aktes niet komen vast te staan. Daartoe is redengevend dat zij geen notariële gewaarmerkte kopie heeft overgelegd van de brondocumenten die ten grondslag hebben gelegen aan de afgifte van de overlijdensaktes. Derhalve heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is op welke gegevens de overlijdensaktes zijn gebaseerd, zodat deze niet kunnen dienen ter vaststelling van de identiteit van [appellante]. Dat de namen van de ouders van [appellante] zijn opgenomen in de BRP, leidt niet tot een ander oordeel, omdat [appellante] desgevraagd ter zitting bij de Afdeling heeft toegelicht dat die gegevens zijn gebaseerd op de gegevens van de overlijdensaktes.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij ten aanzien van de geboorteakte dan wel de onder 2 bedoelde, vervangende documenten, niet in bewijsnood verkeert. Zij voert daartoe aan dat zij al het mogelijke heeft gedaan om de vereiste documenten te verkrijgen. [appellante] betoogt dat de Chinese autoriteiten haar geen medewerking verlenen, omdat zij haar reeds overlijdensaktes hebben verstrekt en omdat zij geen contacten heeft in China. Verder voert [appellante] aan dat de rechtbank haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij geen - professionele - derde heeft ingeschakeld. Zij wijst erop dat dit tijd kost, dat zij hiervoor geen geld heeft en het bovendien onzeker is of zij daarmee bewijsnood kan aantonen. Tot slot betoogt [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van december 2012 over de situatie in China (hierna: het ambtsbericht) niet mag worden aangemerkt als een deskundigenadvies, omdat het niet actueel is en innerlijk tegenstrijdig. [appellante] voert aan dat zij concrete aanknopingspunten heeft aangedragen voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de daarin neergelegde informatie over het hukou-registratiesysteem.

4.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 1 februari 2012 in zaak nr. 201107027/1/V6) volgt dat de verzoeker die betoogt dat hij in bewijsnood verkeert, moet aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten.

[appellante] heeft geen verklaring van het PSB, als bedoeld onder 2, overgelegd dan wel met stukken aangetoond dat en waarom het PSB heeft geweigerd om een dergelijke verklaring te verstrekken. Nu zij evenmin heeft aangetoond dat zij geen notariële verklaring kan verkrijgen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet al hetgeen mogelijk is heeft gedaan ter verkrijging van de gevraagde documenten. De stelling van [appellante] dat zij geen contacten heeft in China, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit niet maakt dat niet van haar kan worden verlangd in China verblijvende

- professionele - derden in te schakelen om aldaar de gevraagde documenten te verkrijgen. Dat zij, naar zij stelt, hiervoor niet over voldoende tijd en financiële middelen beschikt, komt voor haar risico.

Voorts wordt in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanknopingspunt gevonden voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015 in zaak nr. 201407884/1/V6). Dat uit het ambtsbericht volgt dat het mogelijk is dat iemand geen hukou heeft, is, anders dan [appellante] stelt, niet tegenstrijdig met de vermelding in het ambtsbericht dat ieder gezin een hukou heeft. Voor zover [appellante] heeft gewezen op passages uit het ambtsbericht die volgens haar onjuist of onvolledig zijn, heeft zij haar stellingen niet nader gemotiveerd. Tenslotte heeft [appellante] niet toegelicht waarom het ambtsbericht niet voldoende actueel is.

Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij in bewijsnood verkeert.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

164-766.