Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3113

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201501940/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Printhagenstraat en Bosserveldlaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501940/1/R3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Beek,

en

de raad van de gemeente Beek,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Printhagenstraat en Bosserveldlaan" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De [belanghebbende] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.M.J.G. Neelis, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Hannen en mr. E.J.S. Verjans, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar de [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J. Schepers, advocaat te Maastricht, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet voor de gronden aan de Bosserveldlaan ong. in Beek in de bestemming "Wonen - Ruimte voor Ruimte". Met het plan worden zogenoemde ruimte-voor-ruimte-woningen mogelijk gemaakt als tegenprestatie voor de beëindiging van de melkrundveehouderij van de [belanghebbende] op de [locatie 1]. Op de locatie aan de Bosserveldlaan voorziet het plan in twee woningen. [appellant] is eigenaar van een perceel aan de [locatie 2]. Dit perceel ligt direct ten noorden van de gronden aan de Bosserveldlaan met de bestemming "Wonen - Ruimte voor Ruimte".

3. [appellant] heeft ter zitting zijn beroepsgronden over het provinciale en het regionale beleid ingetrokken.

4. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Wonen - Ruimte voor Ruimte" aan de Bosserveldlaan heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat door de voorziene woningen het bedrijfsmatige gebruik van zijn perceel zal worden belemmerd. In dit verband wijst hij er op dat ter plaatse hoveniersactiviteiten zijn toegestaan op grond van een brief van het college van burgemeester en wethouders van Beek van 24 maart 2003. Ook een huurder mag deze activiteiten volgens hem verrichten, zodat niet van belang is dat hij zijn activiteiten in 2007 heeft gestaakt. De raad heeft ten onrechte geen rekening gehouden met hoveniersactiviteiten en daarmee een problematische situatie in het leven geroepen, nu de bewoners van de woningen overlast zullen ondervinden van de bedrijfsmatige activiteiten. Verder voert [appellant] aan dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in de verplichting dat als niet binnen vijf jaar gebruik wordt gemaakt van de bouwmogelijkheden de woonbestemming weer wordt gewijzigd in een agrarische bestemming. Tot slot betoogt [appellant] dat het plandeel met de woonbestemming leidt tot een waardevermindering van zijn perceel en dat ten onrechte een planschaderisico-analyse ontbreekt.

5. De raad stelt dat bedrijfsmatige activiteiten voor een hoveniersbedrijf ter plaatse op grond van de agrarische bestemming in het geldende plan uit 2011 niet zijn toegestaan. Dat dit gebruik zou zijn toegestaan volgt evenmin uit de brief van 24 maart 2003 en ook niet uit de aan [appellant] verleende gedoogbeschikking van 3 december 2000. Voorts wijst de raad er op dat er thans slechts sprake is van opslag, zodat geen overlast zal ontstaan voor de toekomstige bewoners. De raad heeft bewust gekozen voor een wijzigingsbevoegdheid op grond waarvan de woonbestemming kan worden gewijzigd in een agrarische bestemming indien de woonbestemming niet na vijf jaar na het onherroepelijk worden van het plan is gerealiseerd. Een daartoe strekkende verplichting is niet mogelijk. Over het laatstgenoemde onderwerp heeft de raad er op gewezen dat dit niet in de zienswijze van [appellant] voorkwam.

6. Anders dan de raad betoogt, staat, binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, geen rechtsregel er aan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. De grond over de periode waarbinnen de woonbestemming zou moeten worden gerealiseerd is niet in de zienswijze genoemd, maar kan, gelet op het voorgaande, in beroep wel aan de orde komen, omdat de zienswijze en de beroepsgrond betrekking hebben op hetzelfde besluitonderdeel.

7. De Afdeling stelt vast dat het geldende plan voor het perceel van [appellant] het bestemmingsplan "Buitengebied Beek 2011" is en dat het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden" heeft. Niet in geschil is dat [appellant] in of omstreeks 2007 zijn hoveniersbedrijf ter plaatse heeft beëindigd. Het perceel wordt thans verhuurd aan een derde en wordt gebruikt voor opslagdoeleinden. Het bestaande niet-agrarische gebruik van de gronden is niet in overeenstemming met het bestemmingsplan "Buitengebied Beek 2011", omdat gebruik voor opslagdoeleinden ingevolge artikel 4, lid 4.5, aanhef en onder d, van de regels van dat plan is aangemerkt als met de agrarische bestemming strijdig gebruik. De gedoogbeschikking van 3 december 2000 en de brief van het college van burgemeester en wethouders van 24 maart 2003 brengen evenmin met zich dat de raad bij de vaststelling van het plan had moeten uitgaan van de situatie dat op het perceel een volwaardig hoveniersbedrijf zou zijn toegestaan. Nog daargelaten dat een gedoogbeschikking niet zonder meer een aanspraak geeft op een planologische regeling, is in dit geval van belang dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Beek 2011" op 7 juli 2011 aan het perceel van [appellant] een agrarische bestemming is toegekend en dit plan in rechte onaantastbaar is. Indien hij zich, gelet op de gedoogbeschikking van 3 december 2000 en de brief van 24 maart 2003, niet met deze bestemming had kunnen verenigen, had hij tegen dat plan rechtsmiddelen moeten aanwenden. De raad is terecht uitgegaan van een planologische situatie waarin het door [appellant] bedoelde hoveniersbedrijf niet is toegestaan. Voor de vrees van overlast van een hoveniersbedrijf bij de voorziene woningen en een beperking van de bedrijfsvoering bestaat dan ook geen aanleiding, omdat een dergelijk bedrijf ter plaatse niet is toegestaan.

Het betoog faalt.

8. Over het betoog dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in een verplichting om binnen vijf jaar de bestemming "Wonen - Ruimte voor Ruimte" te verwezenlijken overweegt de Afdeling dat een dwingend geformuleerde wijzigingsbevoegdheid in strijd is met artikel 3.6 van de Wro. De raad kan derhalve het college van burgemeester en wethouders niet verplichten tot toepassing van een wijzigingsbevoegdheid als aan de gestelde voorwaarde wordt voldaan. De door [appellant] bedoelde voorwaardelijke verplichting kan evenmin voorzien in een plicht om na vijf jaar een onbenutte woonbestemming te wijzigen in een agrarische bestemming. Het instrument van de voorwaardelijke verplichting is aangewezen als in het kader van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een ontwikkeling het noodzakelijk is dat deze ontwikkeling pas mogelijk wordt nadat eerst een andere voorziening wordt gerealiseerd of ander gebruik wordt beëindigd en dit slechts met een regeling in het plan kan worden verzekerd. Deze situatie doet zich hier niet voor. Gelet op het voorgaande heeft de raad kunnen kiezen voor een wijzigingsbevoegdheid die het mogelijk maakt de woonbestemming te wijzigen als deze bestemming niet binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van het plan is gerealiseerd.

Het betoog faalt.

9. Wat de eventueel nadelige invloed van het plandeel met de bestemming "Wonen - Ruimte voor Ruimte" op de waarde van de gronden van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan en een planschaderisico-analyse had moeten laten opstellen.

Het betoog faalt.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant] ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Kramer w.g. Kegge

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

459.