Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3111

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201410122/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 november 2014, met kenmerk C2099890/3652975, heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend aan [vergunninghouder] voor de wijziging en uitbreiding van een varkenshouderij aan de [locatie] te Bakel (hierna: de Nbw-vergunning).

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2016/18 met annotatie van H.E. Woldendorp
JOM 2015/989
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410122/1/R2.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Werkgroep Behoud de Peel (hierna: de Werkgroep), gevestigd te Deurne,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2014, met kenmerk C2099890/3652975, heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend aan [vergunninghouder] voor de wijziging en uitbreiding van een varkenshouderij aan de [locatie] te Bakel (hierna: de Nbw-vergunning).

Tegen dit besluit heeft de Werkgroep beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2015, waar de Werkgroep, vertegenwoordigd door W.M.M. van Opbergen, bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door L.J.J.M. Klijs en C. de Kleine, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] gehoord.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Het bestreden besluit

2. Het college heeft bij het bestreden besluit, dat is voorbereid met toepassing van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 verleend voor de wijziging en uitbreiding van een varkenshouderij. Nu de varkenshouderij de kwaliteit van natuurlijke habitats kan verslechteren, omdat hierdoor depositie van stikstof plaatsvindt op hiervoor gevoelige habitattypen in enkele Natura 2000-gebieden, waaronder het gebied "Deurnsche Peel & Mariapeel", is een Nbw-vergunning nodig. De instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden hebben onder meer betrekking op voor stikstof gevoelige habitattypen en soorten die hiervan afhankelijk zijn.

Het college heeft de gevolgen van de totale ammoniakemissie van de uit te breiden varkenshouderij beoordeeld. Hiertoe is een berekening gemaakt van de depositie van stikstof op verschillende hiervoor gevoelige locaties in de betrokken Natura 2000-gebieden als gevolg van de ammoniakemissie van de vergunde varkenshouderij. Een vergelijking is gemaakt met de op de relevante referentiedata rechtens toegestane situatie. Uit deze vergelijking volgt dat de depositie van ammoniak op de betrokken Natura 2000-gebieden per saldo tot maximaal 0,05 mol stikstof per hectare per jaar (hierna: mol N/ha/jr) zal toenemen op voor stikstof gevoelige habitattypen. Het college beschouwt een toename van stikstofdepositie van maximaal 0,05 mol N/ha/jr niet als een daadwerkelijke toename, zodat het heeft geconcludeerd dat de aangevraagde activiteit geen significant negatieve gevolgen kan veroorzaken voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Het college acht het maken van een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 niet nodig.

Het beroep

3. De Werkgroep betoogt dat de Nbw-vergunning op onjuiste gronden is verleend, nu uit de gegevens die hieraan ten grondslag liggen, blijkt dat de vergunde activiteit een toename van de stikstofdepositie zal veroorzaken. Ten onrechte stelt het college een toename van 0,05 mol N/ha/jr gelijk aan nul en is geen rekening gehouden met de cumulatie van gevolgen van deze veehouderij met de gevolgen van veehouderijen in de omgeving, waarvoor recent vergunningen zijn verleend, aldus de Werkgroep.

3.1. Gelet op artikel 19d, eerste lid, en artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 kan een vergunning zonder passende beoordeling worden verleend indien op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat een project significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. De Afdeling overweegt dat op grond van de vaststelling dat een toename van stikstofdepositie onder een drempelwaarde blijft van 0,05 mol N/ha/jr, niet kan worden geconcludeerd dat op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat de aangevraagde activiteit significante gevolgen heeft voor de kwaliteit van voor stikstof gevoelige habitats en de habitats van soorten in een reeds overbelast Natura 2000-gebied, zoals aan de orde is. Die conclusie kan alleen worden gebaseerd op objectieve verifieerbare gegevens, verkregen uit (nader) onderzoek. Het louter hanteren van een getalsmatige grens - zoals in deze zaak is gedaan - is onvoldoende.

3.2. Voorts overweegt de Afdeling dat in het onderzoek betreffende de vraag of de aangevraagde activiteit significante gevolgen kan hebben, op grond van artikel 19f van de Nbw 1998 in beginsel rekening moet worden gehouden met de cumulatie van de toename van stikstofdepositie van het project met de toename van stikstofdepositie als gevolg van andere plannen of projecten. Hierbij hoeven onzekere toekomstige gebeurtenissen en projecten waarvoor een Nbw-vergunning is verleend ten tijde van het nemen van een besluit tot verlening van een Nbw-vergunning en die ook reeds zijn uitgevoerd, in beginsel niet afzonderlijk te worden betrokken (vergelijk de uitspraak van 15 juli 2015, zaak nr. 201406756/1/R2, rechtsoverweging 8.5).

De Werkgroep betoogt dat het college bij de verlening van de Nbw-vergunning voor de varkenshouderij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zestien recent vergunde activiteiten, die evenals de vergunde varkenshouderij een toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitattypen tot gevolg hebben. Niet is gebleken dat het college bij de beoordeling of de varkenshouderij significante gevolgen kan hebben, rekening heeft gehouden met deze activiteiten. Evenmin heeft het college onderzocht of met het oog op voormelde redenen, geen rekening hoefde te worden gehouden met deze activiteiten. Het college kon dan ook in dit geval, gelet op de toename van stikstofdepositie die de vergunde varkenshouderij op hiervoor gevoelige habitattypen tot gevolg heeft, niet concluderen dat op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat de aangevraagde activiteit significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied.

3.3. Het college heeft ter zitting de onderbouwing dat geen passende beoordeling is vereist nader toegelicht en gesteld dat de berekende toename van stikstofdepositie op hiervoor gevoelige habitattypen slechts een zeer klein percentage vormt van de kritische depositiewaarde van de habitattypen in de betrokken Natura 2000-gebieden. Deze toelichting doet niet af aan vorenstaande conclusie. Het college gaat immers ook hierbij uit van een louter getalsmatige grens en heeft deze toename niet bezien in relatie tot de instandhoudingsdoelen en staat van instandhouding in de betrokken Natura 2000-gebieden. Dat het college in dit verband heeft gewezen op onderzoek in de provincie Drenthe waaruit volgt dat een overschrijding van de kritische depositiewaarde niet in de weg staat aan een verbetering van de staat van instandhouding van vergelijkbare habitattypen, doet hier niet aan af, omdat niet duidelijk is gemaakt in hoeverre de situatie in Drenthe vergelijkbaar is met de situatie in de gebieden die voor het bestreden besluit van belang zijn.

3.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling aan het bestreden besluit ten onrechte geen passende beoordeling ten grondslag gelegd. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998.

Conclusie en proceskostenveroordeling

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 te worden vernietigd.

5. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Op 1 juli 2015 zijn de wet tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof), het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof en de Regeling programmatische aanpak stikstof (hierna: regeling PAS) in werking getreden. Het college dient mede gelet op het overgangsrecht dat in de Nbw 1998 en de Regeling PAS is opgenomen te bezien of en in hoeverre de Nbw 1998 zoals die vanaf 1 juli 2015 luidt van toepassing is op het nieuw te nemen besluit. De Afdeling ziet hierin aanleiding de termijn voor het nieuw te nemen besluit op zes maanden te bepalen.

6. Het college dient ten aanzien van de Werkgroep op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 november 2014, kenmerk C2099890/3652975;

III. bepaalt dat de beslistermijn voor het nieuw te nemen besluit zes maanden bedraagt, aanvangend op de dag van verzending van deze uitspraak;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de stichting Stichting Werkgroep Behoud de Peel in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1028,04 (zegge: duizendachtentwintig euro en vier cent), waarvan €980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de stichting Stichting Werkgroep Behoud de Peel het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Scheele

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

723.