Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3103

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201500105/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2014 heeft de burgemeester aan [appellante] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning op het adres [locatie] te Den Haag voor de periode van 29 juni 2014 tot en met 9 juli 2014. Bij besluit van 8 juli 2014 heeft de burgemeester dit huisverbod verlengd tot en met 27 juli 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500105/1/A3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 november 2014 in zaak nr. C/09/469998 FA RK 14-5519 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2014 heeft de burgemeester aan [appellante] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning op het adres [locatie] te Den Haag voor de periode van 29 juni 2014 tot en met 9 juli 2014. Bij besluit van 8 juli 2014 heeft de burgemeester dit huisverbod verlengd tot en met 27 juli 2014.

Bij uitspraak van 27 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. Verbraaken, advocaat te Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. R.W.I. Alkema, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) wordt in deze wet onder huisverbod verstaan: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

2. Aan het besluit van 29 juni 2014 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat het geweld tussen [appellante] en haar [toenmalige echtgenoot] in frequentie toeneemt en kan escaleren. De oplegging van het huisverbod is daarom preventief bedoeld. Aan de verlenging van het huisverbod heeft hij ten grondslag gelegd dat nog geen netwerkgesprek heeft plaatsgevonden, waardoor nog geen afspraken zijn gemaakt over de veiligheid. Bovendien staan de verklaringen van [appellante] en [toenmalige echtgenoot] haaks op elkaar, aldus de burgemeester.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid aan haar een huisverbod heeft kunnen opleggen en dit in redelijkheid heeft kunnen verlengen. Hiertoe voert zij aan dat [toenmalige echtgenoot] haar mishandelde in plaats van andersom. Zij heeft hiervan verscheidene malen bij de politie melding gemaakt. Het op 29 juni 2014 plaatsgevonden hebbende incident dat aanleiding was voor het opleggen van het huisverbod, was eveneens een mishandeling door [toenmalige echtgenoot]. Het is onjuist dat zij [toenmalige echtgenoot] op die dag met insectenspray zou hebben bespoten. Derhalve is het huisverbod ten onrechte aan haar opgelegd, aldus [appellante].

De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen dat de omstandigheid dat zij niet is gehoord niet aan de burgemeester kan worden tegengeworpen. Ten tijde van het verhoor was zij duizelig door de mishandeling en niet in staat vragen te beantwoorden. Het verhoor werd uitgesteld, maar vrijwel direct na het onderbreken van het verhoor werd haar het besluit tot het opleggen van een huisverbod uitgereikt, aldus [appellante].

Tot slot wijst [appellante] op de grote gevolgen van het huisverbod voor haar. Zij kwam immers zonder geld op straat te staan.

3.1. [appellante] betoogt terecht dat zij ten onrechte niet is gehoord voor de oplegging van het huisverbod, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. In het proces-verbaal van verhoor van [appellante] is vermeld dat zij heeft verklaard niet in staat te zijn om vragen te beantwoorden, omdat zij met haar hoofd tegen de muur is geslagen en dat zij een uur nodig heeft om te rusten. Afgesproken is om het verhoor later te hervatten. Bij het hervatten van het verhoor heeft [appellante] verklaard aangifte te willen doen van mishandeling. Vervolgens is het verhoor voor twintig minuten onderbroken om het huisverbod aan [appellante] uit te reiken. Eerst na de oplegging van het huisverbod is in het proces-verbaal van verhoor een verklaring opgenomen van [appellante] over het incident op 29 juni 2014.

4. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de besluiten van 29 juni 2014 en 8 juli 2014 van de burgemeester alsnog gegrond verklaren. Die besluiten komen voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet evenwel aanleiding te bezien of de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand kunnen blijven, nu [appellante] in beroep en hoger beroep in de gelegenheid is geweest zich over de besluiten tot oplegging en verlenging van het huisverbod uit te laten.

5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 11 september 2013 in zaak nr. 201209644/1/A3), is het opleggen van een huisverbod een ingrijpende maatregel waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Indien dat het geval is, dient de burgemeester zorgvuldig te overwegen of aanwending van de bevoegdheid is aangewezen. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester terughoudend getoetst.

Uit een rapportage ‘situatie ter plaatse’ en een ingevuld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG), die aan de oplegging van het huisverbod ten grondslag zijn gelegd, volgt dat een op 29 juni 2014 plaatsgevonden hebbend incident tussen [appellante] en [toenmalige echtgenoot] aanleiding was om [appellante] een huisverbod op te leggen. In het RiHG is vermeld dat [appellante] [toenmalige echtgenoot] met een insectenspray in het gezicht heeft gespoten, waarna hij zich heeft verweerd en [appellante] met haar achterhoofd tegen de muur is gevallen. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen heeft [toenmalige echtgenoot] naar aanleiding van het incident de politie gebeld. Verder heeft de politie krassen op de arm van [toenmalige echtgenoot] geconstateerd. Weliswaar heeft [appellante] verklaard dat zij niet [toenmalige echtgenoot] heeft mishandeld maar hij haar, nu hij met een deodorant in haar ogen heeft gespoten, haar op de kin heeft geslagen en haar hoofd tegen de muur heeft gebonkt, maar duidelijk is dat zich een situatie voordeed waarin huiselijk geweld aan de orde was. Sinds 2011 is door zowel [appellante] als [toenmalige echtgenoot] melding en aangifte gedaan van huiselijk geweld. Vooral in 2014 zijn verscheidene meldingen bij de politie gedaan. Nu de frequentie van meldingen van huiselijk geweld over en weer toenam, heeft de burgemeester zich terecht op het standpunt gesteld dat verdere escalatie te vrezen was. Gelet op de voorgeschiedenis van in frequentie toenemende meldingen van geweld en het op 29 juni 2014 plaatsgevonden hebbende incident dat [toenmalige echtgenoot] als mishandeling bij de politie heeft gemeld, heeft de burgemeester zich op het standpunt mogen stellen dat de aanwezigheid van [appellante] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde als bedoeld in artikel 2 van de Wth of dat een ernstig vermoeden van zulk gevaar bestond. Derhalve was de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod. Gezien het voorgaande heeft hij in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 19 februari 2014 in zaak nr. 201304642/1/A3, is bij de beoordeling of de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, van belang of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken.

Tijdens de eerste tien dagen van het huisverbod heeft [appellante] een gesprek gevoerd met de reclassering. Doordat [appellante] aanvankelijk niet kon worden bereikt, is het tijdens de eerste tien dagen evenwel niet mogelijk geweest om een netwerkgesprek te plannen waarbij veiligheidsafspraken konden worden gemaakt. Nu [appellante] geen reële aanvang met de hulpverlening had gemaakt, was de burgemeester bevoegd het opgelegde huisverbod te verlengen. Van deze bevoegdheid heeft hij in redelijkheid gebruik kunnen maken.

Gelet op het vorenoverwogene zal de Afdeling de rechtsgevolgen van de besluiten van 29 juni 2014 en van 8 juli 2014 geheel in stand laten.

6. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 november 2014 in zaak nr. C/09/469998 FA RK 14-5519;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Den Haag van 29 juni 2014, kenmerk 138885/152412;

V. vernietigt het besluit van de burgemeester van Den Haag van 8 juli 2014, kenmerk 138885/152412;

VI. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de onder IV. en V. vernietigde besluiten geheel in stand blijven;

VII. veroordeelt de burgemeester van Den Haag tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Van Altena w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

582-805.