Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3099

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201501688/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2012 heeft het college aan de stichting Amelander Musea een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een scheepsbrug bij het Maritiem Centrum aan de Oranjeweg 18 te Hollum.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7135
JOM 2015/1000
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501688/1/A4.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Hollum, gemeente Ameland (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], wonend te Hollum, gemeente Ameland (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 januari 2015 in zaken nrs. 13/239, 13/492, 13/818 en 13/3253 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ameland.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2012 heeft het college aan de stichting Amelander Musea een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een scheepsbrug bij het Maritiem Centrum aan de Oranjeweg 18 te Hollum.

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het college het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 9 oktober 2013 heeft het college aan de stichting Amelander Musea een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een mast/opbouw op de scheepsbrug bij het Maritiem Centrum aan de Oranjeweg 18 te Hollum.

Bij uitspraak van 19 januari 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen de besluiten van 5 maart 2013 en 9 oktober 2013 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2015, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. C. Lubben, en het college, vertegenwoordigd door R. Korvemaker, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de stichting Amelander Musea, vertegenwoordigd door haar [directeur] verschenen.

Overwegingen

1. De stichting Amelander Musea exploiteert het Maritiem Centrum "Abraham Fock" aan de Oranjeweg 18 te Hollum. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 17 juli 2012 en het besluit van 9 oktober 2013 heeft het college omgevingsvergunningen verleend voor de bouw van een scheepsbrug bij het museum, de bouw van een mast/opbouw op die scheepsbrug, het veranderen van de inrichting en het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn eigenaren en bewoners van naastgelegen percelen.

2. De betogen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] spitsen zich toe op de overweging van de rechtbank dat niet kan worden gesteld dat ten tijde van de besluitvorming sprake was van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter. Zij wijzen op een vonnis van de civiele kamer van de rechtbank Noord-Nederland van 3 december 2014, waaruit volgens hen volgt dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan het verlenen van een omgevingsvergunning in de weg stond.

2.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, kan de omgevingsvergunning, indien de gevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

2.2. Niet in geschil is dat het bouwplan dat voorziet in het plaatsen van de mast/opbouw op de scheepsbrug in strijd is met het bestemmingsplan, omdat door die mast/opbouw de maximaal toegestane bouwhoogte van 6,5 meter wordt overschreden.

Om de bouw van de mast/opbouw niettemin mogelijk te maken, heeft het college vergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, van de Wabo.

Met hun betoog betwisten [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat het college van deze bevoegdheid gebruik heeft mogen maken.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 februari 2013 in zaak nr. 201207119/1/T1/A1), is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

2.4. Tussen onder anderen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] enerzijds en de gemeente Ameland anderzijds zijn afspraken gemaakt over het gebruik van het perceel Oranjeweg 18 te Hollum. Die afspraken zijn vastgelegd bij notariële akte van 31 mei 2006. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en het college verschillen van mening over de uitleg van deze afspraken, meer in het bijzonder over de vraag of het ingevolge deze afspraken al dan niet is toegestaan een scheepsbrug met mast/opbouw op het buitenterrein van het museum te plaatsen.

Bij de beoordeling van het besluit van 9 oktober 2013 moet worden uitgegaan van de zich ten tijde van het nemen van dat besluit voordoende feiten en omstandigheden. Op dat moment waren de in dit verband relevante feiten en omstandigheden dat de akte, naar niet in geschil is, niet expliciet bepaalt dat op het buitenterrein van het museum niet mag worden gebouwd en dat over de vraag of op dat terrein een scheepsbrug met mast/opbouw mag worden geplaatst een procedure aanhangig was bij de burgerlijke rechter. Het college heeft zich, gelet hierop, op het standpunt kunnen stellen dat de afspraken geen evidente privaatrechtelijke belemmering voor vergunningverlening vormden. Het vonnis van de rechtbank van 3 december 2014 dateert van na het besluit van 9 oktober 2013 en heeft het college derhalve niet bij het nemen van dat besluit kunnen betrekken. Overigens blijkt uit dit vonnis, zoals de rechtbank heeft overwogen, dat de burgerlijke rechter de gemaakte afspraken aan de hand van vijf getuigenverklaringen heeft uitgelegd. Dit vonnis ondersteunt daarmee niet het gestelde evidente karakter van de privaatrechtelijke belemmering.

2.5. De betogen falen.

3. [appellant sub 1] voert voorts aan dat het college bij afweging van de betrokken belangen de geluidoverlast door de wind niet heeft meegewogen en dat bovendien te weinig gewicht aan zijn belangen is toegekend.

3.1. De rechtbank heeft overwogen dat de enkele door [appellant sub 1] ter zitting naar voren gebrachte stelling, dat bij harde wind een hinderlijk fluitend geluid te horen is, ontoereikend is om tot de conclusie te komen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet meer is gewaarborgd. In dit aspect behoefde het college daarom volgens de rechtbank geen aanleiding te zien om vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo te weigeren.

3.2. [appellant sub 1] heeft niet gemotiveerd waarom dit oordeel van de rechtbank onjuist is. Hij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie van het college, na onderzoek, dat bij een constante wind met een kracht van 6 Beaufort nagenoeg geen geluiden te horen zijn en bij hardere windvlagen een geruis hoorbaar is vergelijkbaar met een boomtop in de wind, onjuist is. Zijn betoog dat te weinig gewicht aan zijn belangen is toegekend, is evenmin gemotiveerd. De beroepsgrond kan reeds hierom niet slagen.

4. De hoger beroepen zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

148.