Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201500335/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:6512, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 december 2013 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500335/1/A2.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 december 2014 in zaak nr. 14/1985 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 26 december 2013 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 20 mei 2014 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

Ingevolge artikel 32 geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

2. Bij besluit van 26 december 2013 heeft de raad ten behoeve van [appellante] een toevoeging verleend onder nummer 5CS4597 voor een procedure of advies over een omgangsregeling met de kinderen na een eerdere echtscheiding.

Op 16 december 2013 heeft [appellante] een toevoeging voor rechtsbijstand aangevraagd voor een procedure of advies over kinderalimentatie. Bij besluit van 26 december 2013, met kenmerk 5CS4599, is deze aanvraag afgewezen.

Aan de afwijzing heeft de raad ten grondslag gelegd dat de aanvraag van 16 december 2013 betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan aanspraak kan worden gemaakt op rechtsbijstand op grond van de eerder verstrekte toevoeging met nummer 5CS4597. Het gaat in beide zaken om het treffen van een goede regeling voor het kind, waarbij het belang van het kind voorop staat, aldus de raad.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen omdat eerder een toevoeging is afgegeven voor hetzelfde rechtsbelang. Ten tijde van de aanvraag van 17 december 2013 (lees: 16 december 2013) om een toevoeging voor kinderalimentatie was de toevoeging voor de omgangsregeling nog niet verleend, zodat van een eerder afgegeven toevoeging geen sprake is.

3.1. Voor het antwoord op de vraag of een aanvraag kan worden afgewezen op grond van een eerder afgegeven toevoeging, is niet de datum van de aanvraag van de tweede toevoeging van belang. De raad dient in beginsel de feiten te beoordelen zoals die zich voordoen bij het nemen van het besluit. De lezing van [appellante] dat desondanks het tijdstip van aanvraag bepalend is, vindt geen steun in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb.

Ten tijde van het besluit van 26 december 2013, kenmerk 5CS4599, was reeds bij besluit van dezelfde datum met kenmerk 5CS4597 een toevoeging voor een omgangsregeling verleend, zodat de raad die toevoeging terecht heeft betrokken bij de vraag of voor hetzelfde rechtsbelang reeds een toevoeging was verleend.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de werkzaamheden waarvoor toevoeging is verleend, betrekking hebben op een ander rechtsbelang dan waarvoor de in geding zijnde aanvraag is gedaan. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte van belang heeft geacht dat in beide zaken wordt beoogd een goede regeling te treffen voor het kind. Bij kinderalimentatie speelt het belang van het kind geen rol. De aangevraagde toevoegingen hebben een verschillend oogmerk en de omstandigheden verschillen. De reeds verleende toevoeging heeft betrekking op het nakomen van een omgangsregeling, een immaterieel belang, terwijl deze aanvraag om toevoeging betrekking heeft op betaling van kinderalimentatie, een financieel belang. Indien geprocedeerd wordt betreft het bovendien verschillende procedures op grond van verschillende wetsbepalingen met verschillende rechtsvragen en verschillende gronden. Verder worden door de raad aan de toevoegingen verschillende zaakcodes toegekend, aldus [appellante].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 september 2014 in zaak nr. 201307087/1/A2) moeten gelet op artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 32 van de Wrb, in geval van verschillende rechtsbelangen ter zake waarvan rechtsbijstand is gevraagd, in beginsel meer toevoegingen worden verstrekt. Als er één rechtsbelang is, kan met één toevoeging worden volstaan, tenzij sprake is van behandeling van een procedure in meer dan een instantie. Het gaat derhalve om de vraag of het verzoek om een toevoeging op hetzelfde rechtsbelang betrekking heeft als een eerder verzoek. Als dat zo is, dient vervolgens te worden bezien of sprake is van behandeling van een procedure in meer dan een instantie.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 november 2014 in zaak nr. 201400196/1/A2) betreffen de werkzaamheden van een advocaat ter zake van een omgangsregeling en kinderalimentatie hetzelfde rechtsbelang, nu het in beide zaken gaat om het nader regelen van de gevolgen van de eerdere verbreking van de relatie van de ouders voor de minderjarige kinderen.

4.2. Anders dan [appellante] is de Afdeling van oordeel dat een omgangsregeling en kinderalimentatie geen verschillend oogmerk hebben. De omgangsregeling en de kinderalimentatie hebben beide betrekking op de verzorging en de opvoeding van het kind en de kosten daarvan na eerdere verbreking van de relatie van de ouders. Voorts spelen bij zowel de vaststelling van een omgangsregeling als de hoogte van de kinderalimentatie de omstandigheden waarin het kind en de beide ouders verkeren een rol. Dat de omgangsregeling enkel een immaterieel belang en de kinderalimentatie enkel een materieel belang betreft, maakt dit niet anders, nu de omgangsregeling die wordt getroffen van invloed is op de hoogte van de kinderalimentatie. De beide zaken zijn in die zin met elkaar verweven. Dat de raad aan de toevoegingen verschillende zaakcodes toekent leidt niet tot een ander oordeel.

4.3. Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanvragen om een toevoeging geen betrekking hebben op nevenvorderingen als bedoeld in aantekening 20 bij artikel 32 van het Handboek Toevoegen, nu partijen reeds lang gescheiden zijn. Dat de toevoegingen niet zijn aangevraagd ten behoeve van nevenvorderingen als bedoeld in aantekening 20 bij artikel 32 van het Handboek Toevoegen bij echtscheiding maar voor zelfstandige vorderingen, is niet van doorslaggevend belang voor het antwoord op de vraag of de werkzaamheden waarvoor toevoeging is gevraagd op hetzelfde rechtsbelang zien.

6. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte de in beroep overgelegde werkinstructie bij haar oordeel heeft betrokken. Ten tijde van de aanvraag was deze instructie nog niet van kracht, aldus [appellante].

6.1. De rechtbank heeft overwogen "Verweerder voert ten aanzien van de toepassing van de wet het beleid neergelegd in het Handboek toevoegen" De rechtbank heeft voorts overwogen dat dit beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist is en geoordeeld dat de raad dat beleid heeft toegepast. Uit de overweging "Overigens is verweerders standpunt thans ook opgenomen in artikel 3.2.7 van de nieuwe, door eiseres bij brief van 10 oktober 2014 overgelegde, werkinstructie van 1 oktober 2014" volgt dat zij dit beleid niet aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd, maar slechts ten overvloede heeft vermeld dat het beleid niet is gewijzigd.

Het betoog faalt.

7. Ten slotte betoogt [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad, door één toevoeging te verlenen voor advieswerkzaamheden na een echtscheiding, in strijd heeft gehandeld met de brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 31 oktober 2011 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer en de brief van de staatssecretaris van 31 januari 2013 aan de Voorzitter van de Eerste Kamer. De staatssecretaris heeft onder meer gekozen voor het verhogen van de door rechtzoekenden te betalen eigen bijdragen bij vervolgzaken na beëindiging van relaties, naast een algemene verlaging van de vergoeding voor rechtsbijstandverleners. Uitdrukkelijk is vermeld dat bij uitsluitend alimentatie en ouderlijk gezag sprake is van zelfstandige toevoegingen.

7.1. In de brieven van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie staan voorstellen voor besparingen op de gesubsidieerde rechtsbijstand. In deze brieven is ten aanzien van echtscheiding en vervolgzaken na echtscheiding een aantal maatregelen voorgesteld die de kosten voor rechtsbijstand moeten verlagen waarvoor de eigen bijdrage voor echtscheidings- en vervolgzaken wordt verhoogd. Uit de brief blijkt niet dat de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat werkzaamheden voor zaken over een omgangsregeling en kinderalimentatie niet hetzelfde rechtsbelang betreffen. Niet kan worden staande gehouden dat de toepassing die de raad geeft aan artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb in strijd is met het standpunt van de staatssecretaris. Reeds daarom faalt het betoog.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

362-809.