Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3096

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201501076/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:7031, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2014 heeft het CBR [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501076/1/A1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 december 2014 in zaak nr. 14/5234 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2014 heeft het CBR [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Bij besluit van 12 augustus 2014 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2015, waar [appellant], en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het CBR heeft het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 maart 2014 genomen naar aanleiding van een mededeling van de politie Amsterdam-Amstelland van 6 maart 2014. Volgens het aan de mededeling ten grondslag liggende op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2014 heeft de verbalisant geconstateerd dat [appellant] op die dag om omstreeks 16.25 uur met een personenauto met hoge snelheid reed en met hard piepende banden linksaf sloeg bij een kruising waar ook een verkeersoversteekplaats is gelegen. De verbalisant reed daarop achter [appellant] aan waarbij hij constateerde dat de afstand tussen hem en [appellant] steeds groter werd. [appellant] naderde vervolgens een voetgangersoversteekplaats, waar daadwerkelijk een voetganger aan het oversteken was, zonder snelheid te minderen en zonder de voetganger voor te laten gaan. Daarna reed [appellant] bij een volgende kruising vanaf het voorsoorteervak voor rechtsaf naar de voorsoorteerstrook voor rechtdoor, hard recht op een van links komende fietser af. Vlak voor de fietser maakte [appellant] een scherpe stuurbeweging naar rechts, en sloeg hij na gebruik te hebben gemaakt van de voorsoorteerstrook voor rechtdoor, toch rechtsaf. Vervolgens haalde de verbalisant [appellant] in en gaf hem een stopteken waaraan [appellant] niet voldeed en vlak naast verbalisant ging rijden waardoor deze genoodzaakt was een sterke stuurbeweging naar links te maken om een aanrijding te voorkomen. Aan het tweede stopteken gaf [appellant] wel gehoor door zeer abrupt af te remmen, aldus het proces-verbaal.

2. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) besluit het CBR tot oplegging van een EMG, indien betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht, als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.

Bijlage 1, onder A, noemt als feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid onder meer:

[…]

III. Rijgedrag

1. Gevaarzettend rijgedrag waardoor:

a. andere weggebruikers of obstakels rakelings worden gepasseerd;

[…]

2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:

[...]

c. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne factoren zoals het "hand held bellen", afleiding door audiovisuele middelen of vermoeidheid;

e. met een te hoge snelheid naderen van of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen of in andere onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en spoorwegovergangen:

[…]

4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

[…]

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling zodat het CBR gehouden was om aan hem een EMG op te leggen. Daartoe voert hij aan dat het CBR ten onrechte van de juistheid van het op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2014 is uitgegaan. [appellant] stelt in dit verband dat hij wel te hard heeft gereden maar dat er, anders dan in het proces-verbaal is vermeld, geen voetganger in beeld was, de fietser op een grote afstand reed en hij niet met piepende banden afsloeg. In dit verband merkt hij verder op dat hij geen kosten voor het procederen zou hebben gemaakt indien het proces-verbaal zou kloppen.

3.1. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling, heeft de rechtbank terecht overwogen dat een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt (onder meer de uitspraak van 19 maart 2014 in zaak nr. 201305233/1/A1).

In hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanknopingspunten gevonden om van dat uitgangspunt af te wijken. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de enkele betwisting van het proces-verbaal daarvoor onvoldoende is. Overigens ook in het geval er wel van zou worden uitgegaan dat [appellant] zoals hij stelt niet met piepende banden linksaf is geslagen en er geen voetganger en fietser in beeld zijn geweest, dan maakt dat nog niet dat de overige in bijlage 1 bij de Regeling en in het proces-verbaal genoemde gedragingen, waaronder het met hoge snelheid naderen van een voetgangersoversteekplaats, niet hebben plaatsgevonden. Daarbij is van belang dat [appellant] niet heeft bestreden dat die gedragingen hebben plaatsgevonden en dat hij ter zitting heeft verklaard dat hij te hard heeft gereden. Dat [appellant] kosten heeft gemaakt om aan te tonen dat het proces-verbaal niet klopt maakt, gelet op het voorgaande, niet dat hij daarmee tegenbewijs heeft geleverd dat noopt tot afwijken van het uitgangspunt dat van de juistheid van een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal dient te worden uitgegaan.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het CBR heeft mogen uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2014 dat aan de op 6 maart 2014 gedane mededeling ten grondslag is gelegd. Uit die mededeling volgt dat [appellant] herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als bedoeld in bijlage 1 bij de Regeling zodat het CBR ingevolge artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994, gelezen in samenhang met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, gehouden was aan [appellant] een EMG op te leggen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

374-712.