Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3086

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201501230/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:9471, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2014 heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum [appellant] een boete van € 12.000,00 opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2015/289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501230/1/A3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2014 in zaak nr. 14/4354 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2014 heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum [appellant] een boete van € 12.000,00 opgelegd.

Bij besluit van 4 juni 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.J.J. Hendrikse, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Franke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van het college aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is.

Ingevolge artikel 85a, eerste lid, kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van artikel 30, eerste lid. Het college is bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, kan de bestuurlijke boete niet hoger zijn dan € 18.500,00 voor overtreding van artikel 30, eerste lid.

Ingevolge artikel 26, derde lid, van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 wordt als woonruimte als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet in de gemeente Amsterdam aangewezen alle woonruimte ongeacht huur- of koopprijs met uitzondering van:

a. tweede woning huur en tweede woning koop zoals bedoeld in artikel 1, onder w en x; en

b. door het college aangewezen woonruimte voor huisvesting van studenten die staan ingeschreven bij een universiteit, een hogere beroepsopleiding of een middelbare beroepsopleiding gevestigd in het gebied van de Stadsregio Amsterdam, alsmede voor promovendi verbonden aan deze instellingen, waarbij sprake is van omzetting van zelfstandige en onzelfstandige woonruimte.

Ingevolge artikel 27 is het verboden om woonruimte aangewezen in artikel 26, derde tot en met zevende lid, zonder vergunning aan bestemming tot bewoning te onttrekken, met andere woonruimte samen te voegen of van zelfstandig in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, kan het college een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van artikel 30 van de Huisvestingswet.

Ingevolge het tweede lid legt het college een boete op:

a. voor de eerste overtreding van de artikelen genoemd in het eerste lid overeenkomstig kolom A van de in bijlage 5 opgenomen tabel;

b. voor de tweede en volgende overtreding van de artikelen genoemd in het eerste lid binnen drie jaar na de eerste overtreding overeenkomstig kolom B van de in bijlage 5 genoemde tabel.

In bijlage 5 is bij "onttrekken zonder vergunning" in kolom A een bedrag van € 12.000,00 opgenomen en in kolom B een bedrag van € 18.500,00.

2. Het dagelijks bestuur heeft aan het besluit van 12 maart 2014 ten grondslag gelegd dat op 30 mei 2013 en 16 januari 2014 de woning aan de Brouwersgracht 182-B te Amsterdam is bezocht door een toezichthouder. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woning werd verhuurd aan toeristen. De woning heeft de bestemming wonen. Dat betekent dat die is bestemd voor bewoning door een huishouden. Daarom moet er in de woning worden gewoond. De woning werd evenwel gebruikt voor hoteldoeleinden en is daarmee onttrokken aan de woonbestemming. [appellant] is eigenaar van de woning en had geen vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Huisvestingswet. Daarom heeft het dagelijks bestuur hem een boete van € 12.000,00 opgelegd, aldus het besluit van 12 maart 2014.

Aan het in beroep bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat voormelde boete enkel is opgelegd wegens de overtreding die is vastgesteld op 16 januari 2014, omdat toen toeristen in de woning zijn aangetroffen. Het was niet duidelijk of de situatie die op 30 mei 2013 is aangetroffen eveneens een overtreding van artikel 30 van de Huisvestingswet inhield.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij ten onrechte niet op de hoogte is gesteld van het bezoek aan de woning van 30 mei 2013, althans dat hij na dat bezoek ten onrechte niet op de hoogte is gesteld van de omstandigheid dat er een onderzoek liep naar de woning. Daardoor is hem de mogelijkheid ontnomen uitleg te geven over het gebruik van de woning en de strafbare gedragingen te beëindigen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte van belang geacht dat bij het bezoek van 30 mei 2013 geen overtreding is vastgesteld, omdat dat onverlet laat dat het onderzoek toen is begonnen.

3.1. Dit betoog faalt. Er is geen rechtsregel die het dagelijks bestuur dan wel het college ertoe verplichtte [appellant] op de hoogte te stellen van het bezoek van 30 mei 2013.

4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat Uitvoeringsinstructie 8, getiteld Huisbewaring, niet van toepassing is omdat er geen personen in de basisregistratie personen zijn ingeschreven in de woning en er geen zaken van een eventuele hoofdbewoner in de woning zijn aangetroffen. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] gesteld dat hij zowel op 30 mei 2013 als op 16 januari 2014 in de woning woonde.

4.1. In Uitvoeringsinstructie 8 is vermeld dat onder huisbewaring het in gebruik geven en nemen van een woning bij tijdelijke afwezigheid van de hoofdbewoner wordt verstaan. Verder is daarin vermeld dat geen toestemming nodig is voor het tijdelijk in gebruik geven van woonruimte aan derden tijdens normale vakantieperiodes, die korter dan drie maanden zijn.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat Uitvoeringsinstructie 8 in dit geval niet van toepassing was. Het bestaan van een hoofdbewoner is een van de voorwaarden voor toepassing van die uitvoeringsinstructie. [appellant] noch iemand anders had evenwel op de in geding van belang zijnde datum van 16 januari 2014 zijn hoofdverblijf in de woning. Het college heeft in verweer bij de rechtbank gesteld dat op 16 januari 2014 niemand in de basisregistratie personen als bewoner van de woning stond ingeschreven. [appellant] heeft ter zitting van de rechtbank te kennen gegeven dat hij op dat moment niet op vakantie was en hij niet in de woning woonde, zodat geen waarde kan worden gehecht aan de ongemotiveerde stelling van [appellant] die hij ter zitting van de Afdeling naar voren heeft gebracht dat hij wel in de woning woonde.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Reuveny

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015

622.