Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3085

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
201502841/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502841/1/V3.

Datum uitspraak: 30 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), van 1 april 2015 in zaken nrs. 15/5086 en 15/5087 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 april 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2015, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.J.T. van Loo, advocaat te Oss, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.P.A. van Laarhoven, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Duitsland heeft op 18 november 2014 het terugnameverzoek ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013 L 180/31; hierna de Dublinverordening) aanvaard.

2. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de behandeling van haar aanvraag aan zich te trekken. Voor deze overweging heeft de rechtbank, volgens de vreemdeling, ten onrechte redengevend geacht dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar partner na haar terugkeer naar Duitsland geen mantelzorg aan haar zal kunnen verlenen. Daartoe voert de vreemdeling aan dat zij afhankelijk is van de mantelzorg van haar partner en hij deze zorg niet in Duitsland zal kunnen voortzetten, omdat die niet op afstand kan worden verleend. De vreemdeling wijst op een brief van een maatschappelijk werkster van 19 maart 2015 waarin wordt vermeld dat mantelzorg voor haar onontbeerlijk is. Voorts volgt uit een brief van een Duitse arts van 23 december 2014 dat zij zich in Duitsland bij afwezigheid van haar partner niet aan de voorgeschreven dialysebehandeling houdt, aldus de vreemdeling.

2.1. Niet in geschil is dat de vreemdeling lijdt aan terminale nierinsufficiëntie en daarvoor dialysebehandeling behoeft.

2.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 11 maart 2015 en het voornemen daartoe, zoals toegelicht ter zitting bij de rechtbank en de Afdeling, op het standpunt gesteld dat de medische situatie van de vreemdeling niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. Daartoe heeft de staatssecretaris redengevend geacht dat de medische voorzieningen in Duitsland moeten worden geacht vergelijkbaar te zijn met die in Nederland. Daarbij heeft de staatssecretaris betrokken dat de vreemdeling, mede nu zij tijdens haar eerdere verblijf in Duitsland is behandeld, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Duitsland niet de benodigde behandeling zal kunnen krijgen. Voorts heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat de vreemdeling geen stukken heeft overgelegd ter staving van haar gestelde ernstige psychische problemen wanneer zij haar partner mist. Volgens de staatssecretaris blijkt uit de door de vreemdeling ingebrachte stukken dat de rol van haar partner hoofdzakelijk ondersteunend van aard is en kan de behandeling van de vreemdeling ook zonder zijn directe nabijheid plaatsvinden. Ook mag van de vreemdeling worden verwacht dat zij de benodigde behandeling ondergaat en heeft zij geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij daartoe niet in staat is, aldus de staatssecretaris.

2.3. De door de vreemdeling overgelegde brief van 23 december 2014 vermeldt, voor zover thans relevant, het volgende:

"(…) [De vreemdeling] ist weiterhin relativ schwer zu führen, Sie lässt einzelne Dialysen ohne Vorankündigung aus. Über die angegebene Handy-Nummer ist in der Regel niemand zu erreichen.

Leider hat [de vreemdeling] in der letzten Zeit immer wieder Dialysen ausfallen lassen, teils mit der Folge, dass sie extrem hohe Blutdruckwerte hat und dabei erhebliche Kopfschmerzen. Es sind mehrere Gespräche erfolgt - jeweils mit Zeugen - [de vreemdeling] wurde immer wieder ausdrücklich und eindeutig darauf hingewiesen, dass diese Verhaltensweise dazu führt, das sie schwere kardiale Schäden bekommen kann und dass letztendlich auch eine tödliche Folge durch Elektrolytentgleisung (Kalium) möglich ist. [De vreemdeling] hört immer aufmerksam zu, die Aufklärungen erfolgten sowohl auf Deutsch als auch in Englisch. [De vreemdeling] bestätigte glaubhaft, dass sie uns gut versteht. Das Ganze ist sehr ärgerlich. (…)"

2.4. Uit de brief van 23 december 2014 volgt dat herhaaldelijk gesprekken met de vreemdeling hebben plaatsgevonden over de noodzaak van de dialysebehandeling. Desondanks heeft de vreemdeling tijdens haar eerdere verblijf in Duitsland meerdere malen verzuimd de noodzakelijke dialysebehandeling te ondergaan, hetgeen grote gezondheidsrisico's met zich brengt. Dat de vreemdeling niet heeft onderbouwd dat zij niet in staat is zich in Duitsland te laten behandelen, laat onverlet dat uit de brief van 23 december 2014 volgt dat zij herhaaldelijk in Duitsland de noodzakelijke dialysebehandelingen niet heeft ondergaan. Nu verder in voormelde brief van 19 maart 2015 is opgemerkt dat mantelzorg voor de vreemdeling met het oog daarop onontbeerlijk is, had de staatssecretaris nader moeten motiveren dat zij desondanks na terugkeer in Duitsland de benodigde behandeling zal blijven ondergaan.

Gelet op de door de vreemdeling overgelegde stukken heeft de staatssecretaris zich niet met de onder 2.2. weergegeven motivering op het standpunt kunnen stellen dat de medische situatie van de vreemdeling niet in de weg staat aan haar terugkeer naar Duitsland en kan het standpunt van de staatssecretaris, dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die aanleiding geven gebruik te maken van de bevoegdheid het asielverzoek van de vreemdeling aan zich te trekken, de rechterlijke toetsing niet doorstaan.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. De staatssecretaris dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 1 april 2015 in zaak nr. 15/5086;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 maart 2015, V-nummer […];

V. draagt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op om binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Nieuwenhuizen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015

633.