Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
201501696/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/346 met annotatie van prof. mr. T.P. Spijkerboer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501696/1/V2.

Datum uitspraak: 24 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 februari 2015 in zaak nr. 13/26450 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 februari 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanleiding is om de door de Afdeling in haar uitspraak van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102753/1/V3 gegeven uitleg van de term asielaanvraag niet op de onderhavige situatie toe te passen. De staatssecretaris klaagt in dit verband dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de toepassing van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000, nr. 2009/16 (hierna: het WBV 2009/16) dient te worden uitgegaan van de datum waarop de vreemdeling haar asielwens heeft geuit. Het in het WBV 2009/16 neergelegde beleid, inhoudende dat asielzoekers uit Somalië die op of na 19 mei 2009 een asielaanvraag hebben ingediend niet in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is volgens de staatssecretaris een bewuste beleidskeuze geweest. Bij de totstandkoming van het beleid is volgens de staatssecretaris de omstandigheid betrokken dat een vreemdeling zich voor 19 mei 2009 heeft gemeld, maar eerst na die datum een asielaanvraag heeft ingediend. Hij verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2011 in zaak nr. 200907000/1/V2. Volgens de staatssecretaris volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2011 niet dat geen betekenis meer toekomt aan het moment van indienen van de formele asielaanvraag. Dat hij een vreemdeling vanaf de eerste aanmelding moet behandelen als een asielzoeker betekent niet dat daarmee het nationale categoriale beschermingsbeleid en de beleidskeuze om het categoriale beschermingsbeleid voor aanvragen die tot een bepaalde datum zijn ingediend toe te passen niet kunnen worden toegepast, aldus de staatssecretaris.

1.1. In voormelde uitspraak van 21 maart 2011 heeft de Afdeling overwogen dat, gelet op de ruime beoordelingsvrijheid die de staatssecretaris volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling toekomt ter zake van de vraag of aanleiding bestaat voor het voeren van een beleid van categoriale bescherming, het in het WBV 2009/16 neergelegde beleid, inhoudende dat asielzoekers uit Somalië die op of na 19 mei 2009 een asielaanvraag hebben ingediend niet in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, niet als onredelijk kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat een vreemdeling zich voor 19 mei 2009 heeft gemeld, maar eerst na die datum een asielaanvraag heeft ingediend, moet, gelet op de in die zaak ter zitting bij de Afdeling toegelichte bewuste beleidskeuze, bij de totstandkoming van dat beleid worden geacht te zijn voorzien (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2011 in zaak nr. 200906342/1/V2).

1.2. In haar voormelde uitspraak van 4 oktober 2011 heeft de Afdeling de vraag of een door een vreemdeling geuite wens om hem internationale bescherming te verlenen, dient te worden opgevat als een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen bevestigend beantwoord. Dit is echter wat anders dan de vraag of de in het WBV 2009/16 neergelegde keuze van de staatssecretaris dat asielzoekers uit Somalië die hun asielaanvraag op of na 19 mei 2009 formeel hebben ingediend niet in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, onredelijk is, welke vraag door de Afdeling in voormelde uitspraken van 21 maart 2011 en 16 mei 2011 ontkennend is beantwoord. Gelet op het voorgaande betekent de omstandigheid dat de vreemdeling vanaf de datum dat zij haar asielwens heeft geuit, moet worden geacht een asielaanvraag te hebben ingediend, niet dat de in het WBV 2009/16 neergelegde keuze van de staatssecretaris thans om die reden als onredelijk moet worden beschouwd. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De zaak zal krachtens artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb naar de rechtbank worden teruggewezen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank moet over de vergoeding van deze kosten beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 februari 2015 in zaak nr. 13/26450;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro) en bepaalt dat de rechtbank over de vergoeding van deze kosten beslist.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Yildiz

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2015

594.