Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3074

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
201403592/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Aan de Rien" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/302 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403592/1/R4.

Datum uitspraak: 30 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Lemmer, gemeente de Fryske Marren,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Lemmer, gemeente de Fryske Marren,

3. [appellant sub 3], thans wonend te Balk, gemeente de Fryske Marren,

4. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te Lemmer, gemeente de Fryske Marren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente de Fryske Marren, voorheen de Friese Meeren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Aan de Rien" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2015, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door drs. J. Steenkamer, [appellant sub 4], en de raad, vertegenwoordigd door mr. C. den Hollander-van der Ent en ing. T.J. Plattel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [twee gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan voorziet in 28 appartementen verdeeld over vier woongebouwen aan de Zeedijk 8-10 te Lemmer langs het water van De Rien. Tevens voorziet het plan in het herinrichten van het gebied waarbij de inham van het water wordt verplaatst. Het betreft een voormalig bedrijventerrein waar een scheepswerf was gevestigd. De woningen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn tegenover het plangebied gelegen, de woning van [appellant sub 2] ligt naast het plangebied.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Procedurele bezwaren

3. [appellant sub 4] betoogt dat de raad ernstig tekort is geschoten in de communicatie naar omwonenden en het betrekken van de omwonenden bij de planvorming.

[appellant sub 4] betoogt voorts dat zijn zienswijze onvoldoende gemotiveerd is weerlegd. Dit volgt volgens hem uit de beknopte weergave en beantwoording hiervan en uit het feit dat met hem geen contact is gezocht om zijn zienswijze te bespreken.

3.1. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. [appellant sub 4] heeft voor het overige geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de bestemmingsplanprocedure niet volgens de in de Wro voorgeschreven procedure is verlopen.

Voorts verzet artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog faalt.

4. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 4] dat de plantoelichting onjuistheden bevat en onvolledig is, overweegt de Afdeling dat uit artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro volgt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting en dat deze toelichting geen deel uitmaakt van het plan. Daarom kan aan de toelichting geen bindende betekenis worden toegekend. De door [appellant sub 4] geconstateerde onjuistheden en onvolledigheden in de plantoelichting kunnen derhalve niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

5. [appellant sub 2] betoogt dat sprake is van onvolledige en ontoegankelijke informatievoorziening rond de planvorming en dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Hij wijst hierbij in het bijzonder op het ontbreken van informatie ten aanzien van de exploitatieovereenkomst en de correspondentie met de welstandscommissie.

5.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

5.2. Voor zover het betoog van [appellant sub 2] aldus moet worden begrepen dat de exploitatieovereenkomst op de voet van artikel 3:11 van de Awb met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage had moeten worden gelegd, wordt het volgende overwogen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr. 201007248/1/R1), kunnen de ten behoeve van de grondexploitatie gesloten anterieure overeenkomsten niet worden aangemerkt als op het ontwerpplan betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. De exploitatieovereenkomst behoefde derhalve niet met het ontwerpplan ter inzage te worden gelegd. Overigens is in de plantoelichting de zakelijke inhoud van de exploitatieovereenkomst weergegeven.

Het voorgaande geldt eveneens voor de correspondentie met de welstandscommissie, nu ook deze stukken niet kunnen worden aangemerkt als op het ontwerpplan betrekking hebbende stukken.

Het betoog faalt.

Stedenbouwkundige aspecten

6. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat het plan niet passend is voor (dit deel van) Lemmer. Zij wijzen in dit verband in het bijzonder op de in het plan toegestane bouwhoogte en de verstoring van de zichtlijnen als gevolg van het plan. Volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 4] worden hierdoor het historische karakter van Lemmer en de entree van het dorp aangetast. Zij benadrukken hierbij dat het plangebied het eerste zicht op Lemmer als voormalig vissersdorpje vormt en dat dit wordt verstoord door de massaliteit van de in het plan voorziene woongebouwen.

[appellant sub 2] en [appellant sub 4] betogen dat het plan mede gelet op het voorgaande in strijd met de structuurvisie Lemsterland ‘Poort van Fryslân’, zoals vastgesteld door de raad op 22 november 2010, is vastgesteld. [appellant sub 2] en [appellant sub 4] voeren hiertoe voorts aan dat het plangebied ten onrechte niet in samenhang met het gehele gebied ‘De Polle’ is bezien, maar hiervan slechts een klein gedeelte betreft. Het plan leidt dan ook volgens hen tot een onwerkbare versnippering van het gebied ‘De Polle’.

[appellant sub 4] betoogt dat onvoldoende is gekeken naar alternatieven waarbij de bebouwing verder van het water is gelegen.

6.1. De raad stelt dat het plan voldoet aan de structuurvisie en de stedenbouwkundige voorwaarden zoals neergelegd in de door Buro Vijn opgestelde notitie "Randvoorwaarden ontwikkeling De Polle" van 1 november 2010 (hierna: de randvoorwaarden). De gekozen maatvoering sluit volgens de raad aan bij de ligging te midden van gebouwen met een verschillende grootte en schaal en past in het overgangsgebied naar de kleinschaliger woningbouw in het centrum van Lemmer.

6.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.2, onderdeel 6.2.1, aanhef en onder d, van de planregels in samenhang bezien met de verbeelding bedraagt de maximum bouwhoogte van twee woongebouwen 15 m en van de andere twee woongebouwen 12 m.

6.3. In de plantoelichting staat dat het plangebied in de structuurvisie omschreven staat als herstructureringslocatie Polle/Zeedijk. De bedoeling is om het huidige bedrijventerrein te herstructureren naar een woonmilieu. Daarbij wordt de samenhang binnen de langgerekte strip De Polle benadrukt. Voor dit gehele gebied zijn de randvoorwaarden opgesteld. Met het plan is bedoeld op deze randvoorwaarden aan te sluiten, zodat een gebied ontstaat met een stedenbouwkundige samenhang en hoge beeldkwaliteit, aldus de plantoelichting.

Uit de randvoorwaarden kan worden afgeleid dat de zichtlijnen van en naar het dorp dienen te worden geborgd. Voor het plangebied zijn in de randvoorwaarden ter hoogte van het voorziene water zichtlijnen geprojecteerd. De randvoorwaarden verdelen voorts het gebied De Polle in verschillende zones. Het plangebied bevat twee zones, te weten F en G. Voor zone F wordt onder meer als randvoorwaarde gegeven dat binnen deze zone de te realiseren bebouwing twee tot drie lagen met kap hoog mag zijn en daarmee aan dient te sluiten op de bebouwingshoogte aan de dorpsrand. Binnen zone G mag de bebouwing bestaan uit twee tot vier (hoge) lagen. Het plan omvat vier woongebouwen, waarvan drie gebouwen in zone F en één woongebouw in zone G is gelegen.

De zichtlijnen van het dorp naar de Zeedijk lopen over de twee in het plan voorziene inhammen van het water en de ruimten tussen de woongebouwen door. Hoewel de zichtlijnen van en naar het dorp als gevolg van het plan in enige mate worden verstoord, ziet de Afdeling, gelet op voornoemde geprojecteerde zichtlijnen, geen aanleiding voor het oordeel dat de zichtlijnen van en naar het dorp zodanig worden verstoord dat de opzet van het plan in zoverre niet overeenstemt met de randvoorwaarden.

Wat betreft de in het plan toegestane bouwhoogte overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan de raad stelt, wijkt één van de drie woongebouwen in zone F af van de randvoorwaarden, nu hiervoor een maximum bouwhoogte van 15 m is voorzien in het plan. Desgevraagd heeft de raad dit ter zitting bevestigd. De raad heeft voorts toegelicht dat een eerder ontwerp voor het plangebied op verzoek van de raad zodanig is aangepast dat de randvoorwaarden dichter werden benaderd en de raad daarmee een afwijking van de randvoorwaarden voor één van de woongebouwen aanvaardbaar heeft geacht. Volgens de raad past een bouwhoogte voor twee van de hoofdgebouwen van maximaal 12 m en voor de overige twee van 15 m binnen de voorheen aanwezige industriële strook, die nu wordt ingericht als woongebied in de overgang tussen het dorp en de hoger gelegen Zeedijk.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om ten behoeve van één van de vier woongebouwen af te wijken van de randvoorwaarden. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet in overeenstemming heeft kunnen achten met de structuurvisie, nu de plantoelichting de samenhang binnen het gebied de Polle benadrukt en de raad de randvoorwaarden voor dit gebied als uitgangspunt heeft gehanteerd voor het plan.

De betogen falen in zoverre.

6.4. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling, mede gelet op de wijzigingen die in de voorfase aan het plan zijn aangebracht, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de voor- en nadelen van de verschillende inrichtingsmogelijkheden niet in de afweging heeft meegenomen.

Het betoog faalt.

Verkeer

7. [appellant sub 4] betoogt dat een integraal verkeersplan dient te worden opgesteld voor de Zeedijk en de Polle. Daarbij acht hij het 30 km/uur regime voor de Zeedijk onterecht en dient deze weg volgens hem te worden geherwaardeerd. [appellant sub 4] wijst in dit verband op de verkeershinder en geluidhinder die de Zeedijk nu al oplevert en de extra verkeersbewegingen als gevolg van een mogelijke toename van parkeerplaatsen in het gebied. [appellant sub 2] betoogt dat de raad onvoldoende oog heeft gehad voor de verkeerssituatie ter plaatse. Door het plan zal het aantal verkeersbewegingen toenemen waardoor de verkeerssituatie nog onoverzichtelijker wordt, aldus [appellant sub 2].

7.1. De raad stelt dat de toevoeging van 28 appartementen een relatief beperkt effect heeft op de verkeersdrukte op de Zeedijk. De Zeedijk heeft volgens de raad voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen als gevolg van het plan te verwerken.

7.2. Voor zover [appellant sub 4] wijst op de reeds bestaande hinder vanwege het intensieve gebruik van de Zeedijk, onder andere door het vrachtverkeer uit de polder, en vraagt om een integraal verkeersplan voor de zogeheten strip om de bestaande hinder op te lossen, overweegt de Afdeling dat de Zeedijk niet binnen het plangebied ligt en het plan voorts geen oplossing hoeft te bieden voor de reeds bestaande verkeersproblematiek, wat daar ook van zij, nu deze verkeershinder geen gevolg is van het plan.

7.3. In de plantoelichting staat dat het plangebied wordt ontsloten via de Zeedijk. Uitgaande van algemene kencijfers zorgt de in het plan voorziene ontwikkeling voor ongeveer 5 verkeersbewegingen per appartement per etmaal. In totaal bedraagt de verkeersproductie 115 verkeersbewegingen per etmaal. De capaciteit van de Zeedijk is voldoende om deze verkeersbewegingen te kunnen opvangen, aldus de plantoelichting.

Het door Oranjewoud uitgevoerde akoestisch onderzoek "Bouwplan aan de Rien te Lemmer" van 8 februari 2013 gaat uit van een totaal van 9.766 mvt/etm in het jaar 2025. De toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan bedraagt daarmee 1,17%.

Gelet hierop hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 4] niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het plan een zodanige toename van het aantal verkeersbewegingen zal ontstaan, dat de raad het plan vanwege het aspect verkeer niet heeft mogen vaststellen zoals hij heeft gedaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat het vorige bestemmingsplan voorzag in een bedrijventerrein ter plaatse dat eveneens aan- en afrijdend verkeer opleverde.

Het betoog faalt.

Geluid

8. [appellant sub 2] en [appellant sub 4] betogen dat het plan snel is vastgesteld zodat niet aan de gewijzigde regelgeving ten aanzien van geluidnormen en verkeerslawaai behoeft te worden voldaan.

8.1. In hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd over de snelle vaststelling van het plan, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met de bij de voorbereiding te betrachten zorgvuldigheid heeft vastgesteld.

8.2. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

8.3. Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 4] betogen dat ter plaatse van de in het plan voorziene woningbouw niet kan worden voldaan aan de thans geldende geluidnormen vanwege het wegverkeer op de A6, overweegt de Afdeling als volgt.

Afdeling 2 van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) bevat een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone langs een weg, ter zake van de geluidsbelasting vanwege de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woningen is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woningen een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woningen. De regeling in artikel 83 van de Wgh strekt ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidsbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de te bouwen woningen vanwege de weg maximaal mag optreden. Deze regeling strekt daarmee, zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juli 2011 in zaak nr. 201006731/1/M3), tot bescherming van de bewoners van de te bouwen woningen. Bij besluit van 14 januari 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders voor de in het plan voorziene woningen hogere waarden vastgesteld. [appellant sub 2] en [appellant sub 4] wonen thans respectievelijk naast en tegenover de te bouwen woningen waarvoor bij besluit van 14 januari 2014 hogere waarden zijn vastgesteld. Niet is gebleken dat [appellant sub 2] en [appellant sub 4] concrete interesse hebben getoond in de koop en/of bewoning van deze woningen. Derhalve strekt de regeling kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 2] en [appellant sub 4]. Hetgeen zij hebben aangevoerd kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking (vgl. de uitspraak van 16 oktober 2013 in zaken nrs. 201300837/1/R1 en 201302394/1/R1).

Woon- en leefklimaat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4]

9. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] vrezen als gevolg van de in het plan voorziene woongebouwen een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij betogen dat het plan tot gevolg heeft dat voor een groot deel van het jaar schaduwwerking ontstaat ter plaatse van hun percelen.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voeren aan dat de door Oranjewoud uitgevoerde "Bezonningsstudie Zeedijk te Lemmer" (hierna: de bezonningsstudie) onjuistheden bevat, nu, anders dan daarin vermeld, in de winter ter plaatse van hun perceel thans geen sprake is van schaduwwerking.

Voorts betogen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] dat mogelijk sprake zal zijn van weerspiegeling van de zon ter plaatse van hun percelen als gevolg van de grote raampartijen waarmee de woongebouwen worden uitgerust. Tot slot vrezen zij dat als gevolg van het plan hun vrije uitzicht zal verdwijnen en hun privacy wordt aangetast doordat vanuit de woongebouwen zicht op hun percelen ontstaat.

9.1. De raad wijst op de bezonningsstudie die is gedaan en stelt op basis van de conclusies daarvan dat geen sprake is van onevenredige schaduwwerking ter plaatse van de percelen van appellanten.

De raad stelt dat het uitzicht van appellanten thans al aan beperkingen onderhevig is gezien de mogelijkheden op grond van het vorige bestemmingsplan. De raad wijst voorts op de situering van de woningen van appellanten ten opzichte van het plangebied. Het uitzicht en de privacy worden door het plan dan ook niet onevenredig beperkt, aldus de raad.

9.2. Ten behoeve van het plan is voornoemde bezonningsstudie opgesteld. De bezonningsstudie is uitgegaan van het ontwerpbestemmingsplan uit 2011. Hierin was, in tegenstelling tot het plan, een hogere nokhoogte en een situering van de woongebouwen direct aan het water voorzien. De bezonningsstudie betreft dan ook een worst-case scenario. Uit de bezonningsstudie blijkt dat als gevolg van de voorziene woongebouwen gedurende het gehele jaar geen schaduwwerking valt te verwachten op de percelen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4].

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de bezonningsstudie zodanige gebreken dan wel leemten in kennis bevat dat de raad zich hierop niet mocht baseren bij de vaststelling van het plan. De stelling van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat zij de zon minder zullen zien, is hiertoe onvoldoende.

9.3. De afstand van de woningen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 3] tot het plangebied bedraagt ongeveer 40 m. De woning van [appellant sub 4] ligt op een afstand van ongeveer 50 m van het plangebied. Tussen de woningen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en het plangebied ligt een straat en het water van De Rien.

Niet in geschil is dat het plan een zekere aantasting van het huidige uitzicht vanuit de woningen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] met zich brengt. Ook zal meer zicht ontstaan op hun woningen.

In aanmerking genomen dat geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat en evenmin aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad, gezien voornoemde afstand tot de woningen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en de tussengelegen straat en het water, had moeten inzien dat het plan een ernstige inbreuk vormt op hun privacy, ziet de Afdeling, mede gelet op het ontbreken van schaduwwerking ten gevolge van het plan op de percelen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4], geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van hun woon- en leefklimaat.

De betogen falen.

9.4. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd dat zij als gevolg van de grote raampartijen waarmee de in het plan voorziene woongebouwen zullen worden uitgerust, ter plaatse van hun woningen hinder gaan ondervinden van de weerkaatsing van de zon. Dit heeft echter geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan, in het bijzonder de wijze waarop de woongebouwen zullen worden vormgegeven. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

Woon- en leefklimaat [appellant sub 2]

10. [appellant sub 2] vreest als gevolg van de in het plan voorziene verlegging van de inham van het water naar het perceel naast zijn woning een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij betoogt dat dit gevolgen voor de waterhuishouding ter plaatse met zich brengt, waardoor verzakking van zijn woning kan optreden en hiernaar onderzoek had moeten worden gedaan. Ook vreest [appellant sub 2] voor een aantasting van zijn privacy. Gezien de nabijheid van water vreest [appellant sub 2] voor overlast van aanmerende boten en watergebonden activiteiten. Een eventueel aanmeerverbod acht hij niet te handhaven. [appellant sub 2] stelt dat een berekening had moeten worden gemaakt van het aantal benodigde ligplaatsen en dat het nu onduidelijk is of hiervoor voldoende ruimte aanwezig is.

10.1. Ter zitting is komen vast te staan dat het water ten gevolge van de verlegging van de inham op ongeveer 2 m van het perceel van [appellant sub 2] en op ongeveer 4 m van zijn woning komt te liggen. Binnen de bestemming "Water" is voor de inham aan de zijde van het perceel van [appellant sub 2] op de verbeelding de aanduiding "steigers uitgesloten" opgenomen. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder f, van de planregels zijn ter plaatse van deze aanduiding geen steigers toegestaan.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat de ter plaatse geldende Ligplaatsenverordening geen steigers binnen voornoemde inham toestaat, maar dat het aanmeren van boten niet kan worden uitgesloten. [belanghebbende] heeft daarop ter zitting toegezegd in de met de kopers van de voorziene appartementen te sluiten overeenkomsten op te nemen dat de toekomstige bewoners van de voorziene woongebouwen geen boten mogen aanmeren in de inham aan de zijde van het perceel van [appellant sub 2].

Hoewel het aanmeren van boten in de inham aan de zijde van het perceel van [appellant sub 2] zich kan voordoen, ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg hiervan een zodanige overlast dan wel een zodanige aantasting van de privacy van [appellant sub 2] dient te worden gevreesd, dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in de verlegging van de inham. De Afdeling ziet mede gelet daarop geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van een berekening van het aantal benodigde ligplaatsen.

Voor zover [appellant sub 2] vreest voor verzakking van zijn woning, overweegt de Afdeling als volgt. [belanghebbende] heeft ter zitting toegezegd dat voor de aanvang van de werkzaamheden een zogeheten nulmeting wordt verricht voor de woning van [appellant sub 2] en deze zal worden gemonitord, om te kunnen nagaan of als gevolg van de werkzaamheden schade aan de woning wordt toegebracht. Daarnaast is toegezegd dat zij over de voortgang van de werkzaamheden contact met [appellant sub 2] zal onderhouden.

10.2. Gelet op het vorenoverwogene ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] met zich brengt.

Het betoog faalt.

Bodemverontreiniging

11. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] vrezen gevolgen van het afgraven van de gronden binnen het plangebied, nu daar in 1996 ernstige bodemverontreiniging werd geconstateerd en sindsdien geen saneringsmaatregelen zijn genomen.

11.1. De raad stelt dat het op te stellen saneringsplan waar nodig moet voorzien in maatregelen ter voorkoming van schade.

11.2. De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Ten behoeve van het plan is bodemonderzoek gedaan. Uit dit onderzoek blijkt dat het gehele plangebied licht tot sterk is verontreinigd. In de plantoelichting staat dat de grondeigenaar het benodigde budget heeft gereserveerd om het plangebied te saneren en een saneringsplan hiertoe op te stellen.

Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezige bodemverontreiniging binnen het plangebied op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

Archeologie

12. [appellant sub 4] stelt dat onduidelijk is tot welke diepte de saneringswerkzaamheden uitgevoerd zullen worden en welke gevolgen dit kan hebben voor de archeologische waarden in het gebied.

12.1. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988, voor zover hier van belang, houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

12.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 3 april 2013 in zaak nr. 201209146/1/R3 strekt artikel 38a van de Monumentenwet 1998 met name tot het behoud van monumenten van archeologie. Voor [appellant sub 4] gaat het echter om het belang dat hij gevrijwaard blijft van de realisatie van de in het plan mogelijk gemaakte woongebouwen en de daarmee gepaard gaande aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Artikel 38a van de Monumentenwet strekt daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen waarvoor [appellant sub 4] in deze procedure bescherming zoekt. Daargelaten of de beroepsgrond wat betreft de archeologische waarden zou slagen, laat de Afdeling deze beroepsgrond dan ook buiten beschouwing nu zij, gelet op artikel 8:69a van de Awb, er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd (vgl. de uitspraak van 14 januari 2015 in zaak nr. 201407302/1/R6).

Ecologie

13. [appellant sub 4] betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de flora en fauna binnen en nabij het plangebied en welke compensatie hiervoor nodig is. Hij wijst op de aanwezigheid van zwaluwen, meerkoeten, eenden en andere watervogels.

13.1. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Aan het plan ligt onder meer het door Oranjewoud uitgevoerde "Ecologisch onderzoek Zeedijk Lemmer" van 29 april 2011 (hierna: het ecologische onderzoek) ten grondslag. Hierin staat dat broedende vogels in en nabij het plangebied aanwezig zijn. Bij het veldonderzoek zijn onder meer de meerkoet, de wilde eend en enkele andere vogels aangetroffen. In het ecologische onderzoek wordt aanbevolen buiten het broedseizoen bouwwerkzaamheden te verrichten, zodat deze vogels niet worden verstoord.

[appellant sub 4] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ecologische onderzoek zodanige gebreken dan wel leemten in kennis bevat dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat [appellant sub 4] wat betreft aanwezigheid van de zwaluw geen gegevens heeft overgelegd die een begin van bewijs leveren dat ter plaatse zwaluwen voorkomen. Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

14. [appellant sub 4] en [appellant sub 2] betogen dat de maatschappelijke uitvoerbaarheid minder rooskleurig is dan in de plantoelichting is weergegeven en dat veel weerstand bestaat tegen het plan.

14.1. In de plantoelichting staat vermeld dat een informatieavond is gehouden om omwonenden, andere belanghebbenden en belangstellenden te informeren over de ontwikkelingsmogelijkheden van het plangebied. Ook is de Nota van vooroverleg bij de plantoelichting opgenomen. Gedurende de termijn dat het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen, zijn 13 zienswijzen ingediend. Naar aanleiding van deze zienswijzen is het ontwerpplan gedeeltelijk gewijzigd.

Aldus volgt uit de plantoelichting dat met betrekking tot het plan inspraak heeft plaatsgevonden en dat reacties waar mogelijk zijn verwerkt in het plan. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, omdat de inhoud van de inspraak geen deel uitmaakt van de plantoelichting. Nu de meerderheid van de raad bij het bestreden besluit heeft ingestemd met het plan en de raad bij de vaststelling van het plan beleidsvrijheid toekomt, maken de omstandigheid dat omwonenden zienswijzen naar voren hebben gebracht en de mogelijke afwezigheid van maatschappelijk draagvlak bij de plaatselijke bevolking voor de in het plan voorziene ontwikkelingen het voorgaande niet anders. Dat de raad een andere keuze heeft gemaakt dan overeenkomt met de wens van een of meer van de omwonenden, betekent immers niet dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, dan wel dat die vaststelling ondeugdelijk is gemotiveerd (vgl. de uitspraak van 10 juni 2015 in zaak nr. 201407636/1/R4).

Het betoog faalt.

Economische uitvoerbaarheid

15. [appellant sub 2] stelt dat de economische uitvoerbaarheid van het plan niet is aangetoond. Volgens hem bestaat geen behoefte aan appartementen in deze prijsklasse. Hij wijst voorts op de demografische ontwikkelingen en de vele kosten die moeten worden gemaakt om een aantrekkelijk woonmilieu te creëren. [appellant sub 2] betoogt dat een actuele marktanalyse met de kenmerken van de in het plan voorziene appartementen had moeten worden verricht.

15.1. De raad wijst op de gesloten exploitatieovereenkomst en stelt voorts dat in 2011 door de projectontwikkelaar een marktonderzoek is gedaan en op basis daarvan wordt verwacht dat de in het plan voorziene woningen binnen de planperiode zullen worden verkocht.

15.2. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

In de plantoelichting staat dat het plan economisch uitvoerbaar wordt geacht gezien de exploitatieovereenkomst die is gesloten met de grondeigenaar. In deze overeenkomst zijn de afspraken over de te maken kosten neergelegd. In de plantoelichting wordt voorts ingegaan op de woonbehoefte binnen de gemeente. Hieruit blijkt dat met de provincie Fryslân woningbouwafspraken zijn gemaakt in het kader van het Woningbouwprogramma Lemsterland 2008 - 2016. Hierin wordt uitgegaan van netto 442 woningen, met een flexibele planologische ruimte tot maximaal 502 woningen. De gemeente Lemsterland, een van de rechtsvoorgangers van de gemeente de Fryske Marren, heeft in 2010 een verzoek ingediend voor extra bouwruimte ten behoeve van twee inbreidingslocaties, waaronder het plangebied. De provincie heeft hier positief op gereageerd.

In het woonplan 2008 - 2016 is het woningbouwprogramma opgenomen. Dit woningbouwprogramma is inmiddels een paar keer aangepast als gevolg van gewijzigde inzichten ten aanzien van de woningmarkt. Met het vaststellen van het Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2013 tot 2020 is besloten tot een herprioritering van de woningbouw. Het woningbouwprogramma is, rekening houdend met de economische crisis en demografische veranderingen, bijgesteld naar 140 nieuwe woningen per jaar. Per woningbouwcluster is een afweging gemaakt van projecten die door kunnen gaan en projecten die opgeschort dan wel geschrapt kunnen worden. Daarbij zijn de in dit plan voorziene 28 appartementen gehandhaafd. Ter aanvulling hierop heeft de raad ter zitting toegelicht dat dit type woning uniek is voor Lemmer en reeds hierom wordt verwacht dat behoefte bestaat aan de in het plan voorziene appartementen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

Het betoog faalt.

Planschade en schade bouwwerkzaamheden

16. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] vrezen voor schade aan hun woningen als gevolg van de bouwwerkzaamheden ter uitvoering van het plan. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wijzen in dit verband op hun oude woning op houten palen recht tegenover het bouwterrein. [appellant sub 2] wijst op de relatief kwetsbare oude gebouwen op zijn perceel en betoogt dat omwonenden ten onrechte niet zijn betrokken bij het opstellen van de risicoanalyse. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] achten de uitgevoerde risicoanalyse onvolledig.

[appellant sub 3] vreest als gevolg van het plan voor een waardevermindering van zijn woning. Hij verzoekt in dit verband om financiële compensatie.

16.1. De raad stelt dat van de projectontwikkelaar in dit verband mag worden verwacht dat deze zorgvuldig zal omgaan met belangen van omwonenden. De raad wijst voorts op de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om planschade.

16.2. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] vrezen voor schade aan hun woningen als gevolg van de bouwwerkzaamheden ter realisering van het plan.

Deze werkzaamheden hebben evenwel geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in de bestemmingsplanprocedure in beginsel niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond dient derhalve buiten beschouwing te blijven. Overigens is in de exploitatieovereenkomst opgenomen dat de grondeigenaar zich maximaal zal inspannen om bovenmatige hinder van bouwactiviteiten te beperken.

16.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 27 februari 2013 in zaak nr. 201205526/1/R1 bestaat geen wettelijke verplichting tot het opstellen van een planschaderisicoanalyse. Eventueel te betalen tegemoetkomingen in planschade kunnen echter wel een rol spelen bij de beoordeling van de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

Uit de exploitatieovereenkomst volgt dat [belanghebbende] het risico draagt voor planschade. Ten behoeve van het plan is in haar opdracht op 7 juni 2011 een risicoanalyse planschade inzake de ontwikkeling van vier voorziene woongebouwen in Lemmer opgesteld.

In de risicoanalyse is de in aanmerking komende schade als gevolg van het plan ter plaatse van de woningen aan de [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 5] en enkele woningen aan de Zeedijk bezien. Daartoe behoren ook de woningen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3]. De raad heeft ter zitting toegelicht dat abusievelijk de woning van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] aan de [locatie 4] niet in de risicoanalyse wordt genoemd. [belanghebbende] heeft voor de eventueel te betalen tegemoetkomingen in planschade budget gereserveerd.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen grond voor de verwachting dat de eventueel te betalen tegemoetkomingen in planschade zodanig zullen zijn, dat de raad het plan vanwege het aspect planschade niet heeft mogen vaststellen zoals hij heeft gedaan. Dat de woning van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet in de risicoanalyse wordt genoemd, betekent overigens niet dat zij geen verzoek om tegemoetkoming in planschade kunnen doen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan vanwege de eventueel te betalen tegemoetkomingen in planschade financieel niet uitvoerbaar is.

De betogen falen in zoverre.

16.4. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 3] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

17. De beroepen zijn ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Verhoeven, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Verhoeven

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015

690.