Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3073

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
201309543/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2013, kenmerk PDN/2013-049, heeft de staatssecretaris ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het gebied "Dinkelland" aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn).

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 10a
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2015/145 met annotatie van J.M.I.J. Zijlmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309543/3/R2.

Datum uitspraak: 30 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de maatschap Stille maatschap [maatschap], gevestigd te De Lutte, gemeente Losser, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], allen wonend te De Lutte, en anderen,

appellanten,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013, kenmerk PDN/2013-049, heeft de staatssecretaris ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het gebied "Dinkelland" aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn).

Tegen dit besluit hebben onder andere [maatschap] en anderen beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[maatschap] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2014, waar onder meer [maatschap] en anderen, bijgestaan door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Zwolle, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. den Haan, vergezeld door drs. E.R. Osieck en ir. D. Bal, allen werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting door de staatssecretaris nog stukken in het geding gebracht.

Bij tussenuitspraak van 24 december 2014, nr. 201309543/1/R2 heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 4 juli 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 11 juni 2015 heeft de staatssecretaris het bestreden besluit van een nadere motivering voorzien, teneinde het gebrek dat in de tussenuitspraak is genoemd te herstellen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [maatschap] en anderen daarover een zienswijze naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om het besluit van 4 juli 2013 te herstellen door alsnog de ecologische noodzaak tot het aanwijzen van de gronden binnen een zone van minimaal 25 meter aan weerszijden van de Dinkel tussen de Beverborgsbrug bij Lutterzand en de Snoeijinksbeek ten zuidoosten van De Lutte toereikend te motiveren, of in plaats daarvan een gewijzigd besluit te nemen.

2. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de staatssecretaris bij brief van 11 juni 2015 een nadere motivering gegeven voor de ecologische noodzaak tot het aanwijzen van de gronden binnen een zone van minimaal 25 meter aan weerszijden van de Dinkel.

3. De staatssecretaris heeft pas bij brief van 11 juni 2015 het bestreden besluit van een nadere motivering voorzien. Daarmee heeft de staatssecretaris niet binnen de gestelde termijn van zestien weken, die eindigde op 14 april 2015, aan de opdracht voldaan.

De tussenuitspraak verplicht, gelet op artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb, het gebrek te herstellen binnen de daartoe gestelde termijn. De Afdeling heeft nagelaten terstond na het verstrijken van die termijn het onderzoek te sluiten. Daarin ziet de Afdeling aanleiding ondanks het verstrijken van de hersteltermijn de brief van 11 juni 2015, waarover [maatschap] en anderen een zienswijze naar voren hebben gebracht, niettemin in deze einduitspraak te betrekken.

4. Gelet op hetgeen onder 9.2 en 9.3 van de tussenuitspraak is overwogen, ziet de Afdeling in hetgeen [maatschap] en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 4 juli 2013, voor zover dat betrekking heeft op het binnen de begrenzing brengen van de gronden binnen een zone van minimaal 25 meter aan weerszijden van de Dinkel tussen de Beverborgsbrug bij Lutterzand en de Snoeijinksbeek ten zuidoosten van De Lutte, niet berust op een deugdelijke motivering en wegens strijd met artikel 3:46 van Awb dient te worden vernietigd. Het beroep van [maatschap] en anderen is gegrond.

5. Hierna zal worden beoordeeld of de nadere motivering van de staatssecretaris in de brief van 11 juni 2015 aanleiding geeft om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover dat is vernietigd, in stand blijven.

6. In het aanwijzingsbesluit is vermeld dat onder meer zandafzetting van belang is voor de ontwikkeling van stroomdalgraslanden (H6120) en daarbij is ook vermeld dat zandafzetting volgens een steekproef in 2010 slechts blijkt voor te komen in een strook van minder dan 10 meter langs de Dinkel. In de nadere motivering van 11 juni 2015 stelt de staatssecretaris zich echter op het standpunt dat in het aanwijzingsbesluit ten onrechte is vermeld dat zandafzettingen als gevolg van overstromingen slechts voorkomen in een strook van minder dan 10 meter langs de Dinkel.

De staatssecretaris stelt voorop dat de begrenzing van het aangewezen gebied langs de Dinkel is beperkt tot een strook waarbinnen de Dinkel kan meanderen en waar mogelijkheden bestaan voor ontwikkeling van het habitattype stroomdalgraslanden (H6120). Volgens de staatssecretaris volgt uit een nadere bestudering van de beschikbare gegevens dat als gevolg van overstromingen op enkele tientallen meters langs de Dinkel zandafzettingen plaatsvinden. Daartoe verwijst de staatssecretaris naar het rapport 'Natuurbehoud en natuurontwikkeling langs Bloemenbeek en Boven-Dinkel' uit 1994, rapport nr. 304, afkomstig van het DLO-Staringscentrum. Daaruit blijkt dat zand wordt afgezet binnen enkele tientallen meters van de Dinkel. Verder verwijst de staatssecretaris naar luchtfoto’s die als bijlage bij de nadere motivering zijn gevoegd, waarop is te zien dat ruimschoots buiten een afstand van 10 meter van de Dinkel in 2011 zand is afgezet. Op één locatie is zand tot op een afstand van 70 meter van de Dinkel afgezet. In dit kader wijst de staatssecretaris ook op de voorgestelde maatregelen ten aanzien van het habitattype stroomdalgraslanden (H6120) in de 'Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof Dinkelland', vastgesteld door het college van gedeputeerde staten van Overijssel op 1 juni 2015. Daarin is vermeld dat ter bevordering van zandafzetting op oeverwallen en kronkelwaardruggen langs de Boven-Dinkel oeverbescherming (steenstort) wordt verwijderd. Die maatregel is urgent en nodig voor behoud van het habitattype stroomdalgraslanden (H6120), want deze maatregel bevordert de zandaanvoer tijdens overstromingen.

Omdat in een zone van minimaal 25 meter langs de Dinkel zand wordt afgezet, waardoor deze zone kansrijk is voor het ontstaan van stroomdalgraslanden (H6120) en gezien het feit dat niet exact kan worden voorspeld op welke plekken in deze zone van 25 meter langs de Dinkel bij overstromingen zand zal worden afgezet, acht de staatssecretaris het uit ecologisch oogpunt noodzakelijk om aan weerszijden van de Dinkel een strook van minimaal 25 meter aan te wijzen.

7. [maatschap] en anderen voeren aan dat de staatssecretaris niet heeft aangegeven waarom het eerdergenoemde en overgelegde rapport uit 1994 nog steeds actueel is en kan dienen ter onderbouwing van de gekozen begrenzing. Daarbij wijzen zij erop dat sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw de situatie bovenstrooms is gewijzigd. Door stadsuitbreidingen en het kanaliseren van de Dinkel in Duitsland moet tegenwoordig een onnatuurlijk grote hoeveelheid water door de Dinkel worden afgevoerd. Daardoor is van meanderen geen sprake meer volgens [maatschap] en anderen. De staatssecretaris heeft onvoldoende rekening gehouden met de veranderingen die bovenstrooms hebben plaatsgevonden, omdat die grote invloed hebben op het stroomgebied van de Dinkel binnen het aangewezen gebied. Voorts is de verwijzing naar luchtfoto’s die bij de nadere motivering zijn gevoegd volgens [maatschap] en anderen onjuist, omdat de zandafzetting tot een afstand van 70 meter die daarop is te zien het gevolg was van uitzonderlijke weersomstandigheden waarbij meer dan 138 mm regen in één etmaal was gevallen. Ook is uit de luchtfoto’s niet af te leiden of die betrekking hebben op de Dinkel. Voor zover een zone langs de Dinkel aangehouden zou moeten worden, dient die volgens [maatschap] en anderen te worden beperkt tot 10 meter en tot de gronden in de buitenbochten, want volgens hen vloeit bij een meanderende rivier - afgezien van situaties met grote hoeveelheden neerslag - alleen in de buitenbochten water over de oevers.

8. De Afdeling ziet in hetgeen [maatschap] en anderen naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris op basis van de nadere motivering niet in redelijkheid een zone van 25 meter aan weerszijden van de Dinkel heeft kunnen aanwijzen. Daarbij betrekt de Afdeling het volgende. Het eerdergenoemde rapport uit 1994 beschrijft de geomorfologische processen van erosie en sedimentatie langs de Dinkel en op welke wijze daarbij zand en andersoortig sediment worden afgezet op de oevers zoals dat de afgelopen eeuwen heeft plaatsgevonden. Niet valt in te zien waarom deze processen sinds 1994 zouden zijn veranderd, nu niet is gebleken dat sindsdien in het stroomgebied van de Dinkel binnen het aangewezen gebied - de zogeheten Boven-Dinkel - wezenlijke veranderingen hebben plaatsgevonden.

De stelling van [maatschap] en anderen dat kanalisering van de Dinkel en verstedelijking stroomopwaarts in Duitsland ertoe hebben geleid dat verder stroomafwaarts bij de Boven-Dinkel geen sprake meer is van meanderen, kan de Afdeling niet volgen. Het stroomgebied van de Boven-Dinkel kent immers nog steeds een grotendeels natuurlijk verloop zonder kanalisering. Zoals de staatssecretaris in zijn nadere motivering heeft vermeld, vormt zandafzetting ten gevolge van overstromingen de cruciale factor voor het ontstaan van stroomdalgraslanden (H6120). In het aanwijzingsbesluit is voor dit habitattype een verbeterdoelstelling ten aanzien van de oppervlakte en de kwaliteit opgenomen. In de hiervoor onder 6 vermelde Gebiedsanalyse zijn daarop gerichte maatregelen voorgesteld die zandafzetting op oeverwallen en kronkelwaardruggen op korte termijn bevorderen.

De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de luchtfoto’s die bij de nadere motivering zijn gevoegd of om aan te nemen dat die geen betrekking hebben op gronden langs de Dinkel. Ten aanzien van de luchtfoto waarop een zandafzetting van 70 meter van de Dinkel is te zien, overweegt de Afdeling dat de aangehouden zone van 25 meter niet is gebaseerd op zandafzettingen tijdens overstromingen door dergelijke uitzonderlijke weersomstandigheden, maar op de breedte van de oeverwallen en kronkelwaarden die worden gevormd door sedimentatie. De bewuste luchtfoto en de andere overgelegde luchtfoto dienen slechts ter illustratie van het feit dat zandafzettingen op meer dan 10 meter van de Dinkel plaatsvinden.

Anders dan [maatschap] en anderen stellen, blijkt uit het overgelegde rapport uit 1994 niet dat in geval van overstromingen uitsluitend de gronden overstromen die aan de buitenbocht van een beek liggen. Evenmin blijkt daaruit dat zandafzetting, wat onder meer leidt tot de vorming van oeverwallen, uitsluitend in buitenbochten plaatsvindt. De Afdeling ziet dan ook geen reden voor het oordeel dat de staatssecretaris de begrenzing van het aangewezen gebied ten onrechte niet heeft beperkt tot 10 meter en de gronden die aan de buitenbochten van de Dinkel zijn gelegen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb geheel in stand te laten.

9. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 4 juli 2013, kenmerk PDN/2013-049, voor zover dat betrekking heeft op het binnen de begrenzing brengen van de gronden binnen een zone van minimaal 25 meter aan weerszijden van de Dinkel tussen de Beverborgsbrug bij Lutterzand en de Snoeijinksbeek ten zuidoosten van De Lutte;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover dat is vernietigd;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken tot vergoeding van bij de maatschap Stille maatschap [maatschap] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de staatssecretaris van Economische Zaken aan de maatschap Stille maatschap [maatschap] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015

571.