Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3062

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
201500899/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:190, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 17 december 2013 heeft [appellant] het college onder vermelding van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verzocht een bijgevoegde vragenlijst ingevuld retour te sturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500899/1/A3.

Datum uitspraak: 30 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 januari 2015 in zaak nr. 14/895 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Grootegast.

Procesverloop

Bij brief van 17 december 2013 heeft [appellant] het college onder vermelding van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verzocht een bijgevoegde vragenlijst ingevuld retour te sturen.

Bij brief van 20 januari 2014 heeft het college de door [appellant] opgestuurde vragenlijst deels ingevuld retour gestuurd en hem medegedeeld dat zijn verzoek geen aanvraag is.

Bij besluit van 3 februari 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 15 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 september 2015, waar [appellant] is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge het derde lid wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkende instelling, dienst of bedrijf.

2. De door [appellant] bij brief van 17 december 2013 aan het college toegezonden vragenlijst betreft bij de gemeente in 2012 en 2013 ingediende bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Wet waardering onroerende zaken. [appellant] heeft daarbij gevraagd hoeveel bezwaarschriften niet-ontvankelijk, gegrond en ongegrond zijn verklaard. Voorts heeft hij daarbij gevraagd hoeveel van het aantal gegrond verklaarde bezwaarschriften zijn ingediend door een burger zelf, door een "no cure no pay"-bureau en door andere belangenbehartigers. Hetzelfde heeft hij gevraagd over het aantal ongegrond verklaarde bezwaarschriften. Verder heeft hij gevraagd tegen hoeveel van de ongegrond verklaarde bezwaren beroep bij de rechter is ingesteld door een "no cure no pay"-bureau, hoeveel van deze beroepen door de rechter gegrond zijn verklaard en hoeveel van deze beroepen nog in behandeling zijn bij de rechter. Achter de op de vragenlijst vermelde vragen staat een hokje of streepje, waar een antwoord kan worden ingevuld.

Bij brief van 20 januari 2014 heeft het college de vragenlijst retour gestuurd en daarop aantallen vermeld. Bij vragen die het college niet heeft beantwoord, heeft het college vermeld dat het gevraagde aantal niet door de gemeente wordt bijgehouden.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het college het bewaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu het verzoek van [appellant] geen Wob-verzoek en derhalve geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is. Daartoe is volgens de rechtbank van belang dat de informatie waarom [appellant] heeft gevraagd geen informatie neergelegd in documenten in de zin van artikel 3 van de Wob is, en dat de Wob geen verplichting bevat om gegevens te vervaardigen die niet in bestaande documenten zijn neergelegd.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat zijn verzoek een Wob-verzoek was, nu hij in het verzoek de Wob heeft vermeld en de bestuurlijke aangelegenheid waarop zijn verzoek betrekking had. Ter zitting heeft [appellant] gewezen op de uitspraken van de Afdeling van 26 november 2014 in zaak nr. 201401658/1/A3 en van 23 juli 2015 in zaak nrs. 201504584/1/A3 en 201504584/2/A3. Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank haar uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd en ten onrechte zijn beroepsgronden niet heeft beoordeeld.

5. [appellant] heeft het college verzocht om aantallen in te vullen op een door hem opgestelde vragenlijst en deze lijst retour te sturen. Het verzoek heeft niet de strekking om informatie neergelegd in documenten die onder het bestuursorgaan berusten voor een ieder openbaar te maken, maar is louter een verzoek om informatie. De door [appellant] ter zitting genoemde uitspraken van de Afdeling bieden geen grond voor een ander oordeel, nu in die zaken werd verzocht om openbaarmaking van documenten en het verzoek van [appellant] slechts ziet op het invullen van aantallen in een hokje of op een streepje.

Het verzoek is geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb en de reactie van het college van 20 januari 2014 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college het door [appellant] gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank haar uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd, nu zij haar oordeel dat het verzoek geen Wob-verzoek is in overweging 2.2. heeft toegelicht. Voorts heeft de rechtbank de door [appellant] aangevoerde beroepsgronden, voor zover gericht tegen de wijze waarop het college zijn verzoek heeft behandeld, terecht onbesproken gelaten, nu de reactie van het college op het verzoek geen besluit is en hiertegen geen bezwaar en beroep open staat.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015

280-819.