Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
201407220/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:8481, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellante] om afgifte van een verklaring omtrent gedrag (hierna: een VOG) voor de functie van medewerker (in)direct zorg kinderen/huisgenoot bij [gastouderbureau] te Den Haag (hierna: het gastouderbureau), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407220/1/A3.

Datum uitspraak: 4 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juli 2014 in zaak nr. 14/2893 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellante] om afgifte van een verklaring omtrent gedrag (hierna: een VOG) voor de functie van medewerker (in)direct zorg kinderen/huisgenoot bij [gastouderbureau] te Den Haag (hierna: het gastouderbureau), afgewezen.

Bij besluit van 26 februari 2014 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. H. Polat-Kilic, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door F.E.I.H. Muijtjens LLM, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een VOG een verklaring van de minister van Veiligheid en Justitie dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor een VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Volgens paragraaf 3.2 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 2013, 5409; hierna: de Beleidsregels) wordt de afgifte van een VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium, strekkende tot de beoordeling of de justitiële gegevens die over de aanvrager in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS) zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor een VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van een VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het objectief vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt een VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op de omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van een VOG. Omstandigheden van het geval die altijd bij de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

2. In het JDS is geregistreerd dat [appellante] wegens poging tot zware mishandeling bij uitspraak van 20 augustus 2013 door de politierechter te Den Haag is veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Deze proeftijd eindigt op 3 september 2015. Daarnaast is haar een maatregel van schadevergoeding opgelegd van € 210,76 subsidiair vier dagen hechtenis. Deze uitspraak is op 4 september 2013 onherroepelijk geworden. Voorts is in het JDS geregistreerd dat [appellante] in de periode van 1994 tot en met 2007 is veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, poging tot zware mishandeling en diefstal door twee of meer verenigde personen tot (on)voorwaardelijke gevangenisstraffen, geldboetes en een werkstraf.

3. De rechtbank heeft geoordeeld - en in hoger beroep is onbestreden gebleven - dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat gelet op de in het JDS aangetroffen justitiële gegevens, aan het objectieve criterium is voldaan.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit, het beperkte tijdsververloop sinds de veroordeling en de recidive, het belang van [appellante] bij afgifte van een VOG minder zwaarwegend is dan het objectief vastgestelde risico voor de samenleving. Hiertoe voert zij aan dat haar geval anders moet worden beoordeeld, omdat zij alleen gastouder wil zijn voor haar kleinkinderen en niet voor andere kinderen. Zij zorgt nu ook voor haar kleinkinderen, maar ontvangt daar geen vergoeding voor, aldus [appellante]. Nu zij slechts een bijstandsuitkering heeft, kan zij zonder een vergoeding de zorg voor haar kleinkinderen niet betalen. Vanwege deze financiële situatie bestaat een reëel risico dat Bureau Jeugdzorg besluit dat zij niet meer voor haar kleinkinderen mag zorgen, aldus [appellante].

4.1. Dat [appellante] alleen gastouder wil zijn voor haar kleinkinderen, heeft de rechtbank terecht niet gebracht tot het oordeel dat de staatssecretaris het objectief vastgestelde risico voor de samenleving niet in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van [appellante] bij afgifte van een VOG. Daarbij is van belang dat een VOG niet slechts wordt verleend voor de opvang van haar kleinkinderen maar [appellante] ook in staat stelt om door tussenkomst van het gastouderbureau voor andere kinderen gastouder te zijn. Dat door de weigering van de staatssecretaris een VOG af te geven het risico bestaat dat Bureau Jeugdzorg besluit dat [appellante] niet langer voor haar kleinkinderen kan zorgen, is een bij het vaststellen van de Beleidsregels voorzien mogelijk gevolg van die weigering. De rechtbank heeft om die reden hierin terecht geen bijzondere omstandigheden gezien in verband waarmee de staatssecretaris niettemin tot afgifte van een VOG had moeten besluiten (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2012 in zaak nr. 201112975/1/A3).

Het betoog faalt.

5. Dat volgens [appellante] de overige gronden gelijk zijn aan de gronden die in bezwaar en beroep zijn aangevoerd en als in het hogerberoepschrift ingelast moeten worden beschouwd, leidt evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. In hoger beroep ligt de aangevallen uitspraak ter toetsing voor. De rechtbank is gemotiveerd op de beroepsgronden ingegaan en heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de weigering om een VOG af te geven bij het besluit van 26 februari 2014 terecht heeft gehandhaafd. Met louter een verwijzing naar de bezwaar- en beroepsgronden zijn geen redenen aangevoerd waarom het door de rechtbank gegeven oordeel onjuist dan wel onvolledig is.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2015

382-816.