Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3052

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
201500289/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:7518, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2013 heeft de korpschef van politie het aan [appellant] verleende verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie met onmiddellijke ingang ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500289/1/A3.

Datum uitspraak: 30 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 december 2014 in zaak nr. 14/2420 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2013 heeft de korpschef van politie het aan [appellant] verleende verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (hierna: het verlof) met onmiddellijke ingang ingetrokken.

Bij besluit van 11 juni 2014 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 december 2013 gedeeltelijk vernietigd en het besluit om het verlof met onmiddellijke ingang in te trekken gehandhaafd.

Bij uitspraak van 11 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De korpschef heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.D. van Milt, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3a, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) zijn de artikelen artikel 9, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, 27, eerste lid, 32a, eerste lid, en 32b, eerste lid, niet van toepassing op de krijgsmacht. Zij zijn evenmin van toepassing op personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover de minister van Defensie dit bij regeling heeft bepaald.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, kunnen de in deze wet genoemde verloven, door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend worden gewijzigd of ingetrokken:

(…)

b. indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.

c. in geval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie;

(…).

Ingevolge artikel 26, eerste lid, is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is het eerste lid niet van toepassing op personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, voor zover dit verlof reikt.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, wordt verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, door de korpschef verleend.

Ingevolge artikel 38, tweede lid, volgt de korpschef bij de uitvoering van deze wet de aanwijzingen van de minister.

De minister van Defensie heeft, gelet op onder meer artikel 3a, eerste lid, van de Wwm de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997 (hierna: de Regeling) vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling wordt voor de toepassing van deze regeling onder personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn voor de krijgsmacht begrepen Nederlandse en

niet-Nederlandse militairen in werkelijke dienst.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is de categorie personen, genoemd in artikel 1, onder a, gerechtigd tot:

a. voor zover de uitoefening van de dienst zulks vereist:

1˚. Het transformeren, herstellen, beproeven, voorhanden hebben, vervoeren, doen binnenkomen en uitgaan van een wapen of munitie van de categorieën II en III;

2˚. Het dragen van een wapen van de categorieën II en III;

(…).

Volgens onderdeel B, paragraaf 1.1, van de Circulaire Wapens en Munitie 2013 (hierna: de Circulaire) bepaalt het tweede lid van artikel 7 dat de in de Wwm genoemde vergunningen door het bestuursorgaan of de minister kunnen worden gewijzigd of ingetrokken indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd of in geval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie. ‘Vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ zijn twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt over de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.

Volgens dit onderdeel, paragraaf 1.2, vormen wapens en munitie een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Daarom wordt een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft. Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering.

Bij het onderzoek in verband met de vraag of vrees voor misbruik bestaat, kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen. Vrees voor misbruik kan ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten. In zijn algemeenheid geldt dat tegen een houder bestaande bezwaren, voor zover daarvan niet reeds blijkt uit veroordelingen of opgemaakte processen-verbaal, alsnog in een rapport dienen te worden vastgelegd.

In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die - door oorzaken van zowel interne als externe aard - onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of bijvoorbeeld alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. Met de beschikking over een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid, aldus die passage.

2. Aan het in beroep bestreden besluit heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat er aanwijzingen zijn dat het onder zich hebben van wapens en munitie niet langer aan [appellant] kan worden toevertrouwd. De staatssecretaris wijst daartoe op een uittreksel van de Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat [appellant] een door de Officier van Justitie op 17 mei 2013 aangeboden transactie ter zake van overtreding van artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, mishandeling, heeft aanvaard en voldaan. Voorts wijst de staatssecretaris op een proces-verbaal van de politie van 18 augustus 2012, waarin verklaringen van [appellant] over zijn psychische gesteldheid zijn neergelegd, en op een mutatierapport van 17 december 2013, waarin verklaringen van buurtbewoners over zijn agressieve gedrag zijn neergelegd.

3. [appellant] ontkent dat hij een buurvrouw op een agressieve manier heeft bejegend. [appellant] stelt dat hij de buurvrouw had gesommeerd zijn huis te verlaten nadat zij zonder zijn toestemming was binnengekomen. Verder ontkent [appellant] dat hij iedereen op een zeer agressieve manier zou aanspreken. Hij voert aan dat hij wel iedereen die zijn auto voor de oprit van zijn woning parkeert dringend verzoekt de auto elders te parkeren.

3.1. Dit betoog is niet gericht tegen een overweging in de aangevallen uitspraak en faalt derhalve reeds daarom.

4. [appellant] bestrijdt de overweging van de rechtbank dat de staatssecretaris er terecht vanuit is gegaan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Hij voert aan dat de vermeende mishandeling van de persoon die de oprit naar zijn woning blokkeerde dient te worden gerelativeerd, nu hij met enige regelmaat wordt geconfronteerd met parkeeroverlast door auto’s die zijn oprit blokkeren. Voorts verkeerde hij in de veronderstelling dat de zaak was afgedaan omdat het verlof aanvankelijk enkele maanden na de vermeende mishandeling probleemloos was verleend. Eerst op 17 mei 2013 ontving [appellant] een transactievoorstel dat hij heeft aanvaard omdat hij dacht dat dit de meest snelle en goedkope wijze was om het gebeurde achter zich te laten.

[appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat zijn psychische gemoedstoestand niet die stabiliteit lijkt te vertonen die van een wapenverlofhouder mag worden verwacht. Hij voert aan dat hij weliswaar enige tijd is behandeld voor klachten die verband houden met een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS), maar dat hij zich zelf voor die behandeling heeft aangemeld.

4.1. In de Circulaire is als uitgangspunt neergelegd dat degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie in een bijzondere positie komt te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Het intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar een maatregel ter bescherming van de veiligheid van de samenleving. Tegen de achtergrond van het maatschappelijk belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering voldoende reden om het verlof in te trekken.

4.2. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, biedt de aanvaarding van [appellant] van de transactie geen grond voor het oordeel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Niettemin heeft de staatssecretaris onder verwijzing naar de Circulaire de uit de transactie over [appellant] gebleken feiten van belang mogen achten bij zijn oordeel dat twijfel bestaat aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering op het verbod om wapens en munitie voorhanden te hebben. Daartoe is redengevend dat het Openbaar Ministerie een transactie voorstelt indien er voldoende zekerheid is over de relevante feiten. Voor zover [appellant] aanvoert dat de mishandeling van de persoon die de oprit naar zijn woning blokkeerde dient te worden gerelativeerd, omdat hij met enige regelmaat wordt geconfronteerd met parkeeroverlast door auto’s die zijn oprit blokkeren, biedt dat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat de geweldsgedraging waarop de transactie ziet, zoals omschreven in het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 18 augustus 2012, zich heeft voorgedaan, noch voor het oordeel dat de staatssecretaris daaraan geen grond voor twijfel aan het verantwoord zijn van het verlof heeft mogen ontlenen. [appellant] kan zich voorts niet met succes beroepen op zijn stelling dat hij zich niet realiseerde dat het aangaan van een transactie gevolgen zou hebben voor zijn wapenverlof, nu hij de keuze heeft gemaakt de strafzaak niet te laten voorkomen. De gevolgen daarvan komen voor zijn risico.

Het betoog van [appellant] biedt verder geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat zijn psychische gemoedstoestand niet die stabiliteit lijkt te vertonen die van een wapenverlofhouder mag worden verwacht. Volgens een proces-verbaal van 18 augustus 2012 heeft [appellant] verklaard aan PTSS te lijden en een agressieprobleem te hebben waarvoor hij in behandeling is. Voorts is [appellant] van 24 augustus 2012 tot 27 februari 2014 onder behandeling geweest bij een forensische polikliniek en was zijn hulpvraag volgens een rapport van Kairos van 31 januari 2014 gericht op het voorkomen van fysieke agressie. De omstandigheid dat [appellant] zich uit eigen beweging voor een behandeling voor PTSS heeft aangemeld, heeft de staatssecretaris niet tot een ander inzicht behoeven te brengen over zijn psychische gesteldheid.

De rechtbank heeft in het betoog van [appellant] terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat, gelet op de gedraging waarop de transactie ziet en zijn psychische gesteldheid, er aanwijzingen zijn dat aan [appellant] het onder zich hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd. In de omstandigheid dat het verlof aanvankelijk op 10 januari 2013 probleemloos is verleend, heeft de staatssecretaris geen grond behoeven zien voor het oordeel dat die aanwijzingen zich niet voordoen.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het maatschappelijk belang bij veiligheid in de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij het onder zich hebben van wapens en munitie. [appellant] voert aan dat hij beroepsmilitair is en dat de intrekking van zijn verlof daarom onbegrijpelijk is. Volgens hem valt niet in te zien waarom hij als beroepsmilitair gerechtigd is Categorie II wapens te dragen, terwijl het enkele voorhanden hebben van Categorie III wapens voor het beoefenen van de schietsport niet langer aan hem zou kunnen worden toevertrouwd. Hij voert voorts aan dat de schietsport reeds vele jaren zijn enige hobby is en dat hij ook trainer van de Koninklijke Nederlandse Schietsportassociatie is.

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan het maatschappelijk belang bij veiligheid in de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij het onder zich hebben van wapens en munitie voor zijn hobby als sportschutter en trainer. De omstandigheid dat [appellant] werkzaam is als beroepsmilitair en in die functie ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, sub 2˚, van de Regeling, voor zover de uitoefening van de dienst zulks vereist, is gerechtigd tot het dragen van een wapen of munitie van de categorieën II en III, biedt geen grond voor het oordeel dat het verlof, dat strekte tot het voorhanden hebben van een wapen of munitie van de categorie III buiten die dienst, niet ingevolge artikel 7, tweede lid, onder b, van de Wwm mocht worden ingetrokken. Het dragen van een wapen of munitie in het kader van zijn functie als beroepsmilitair vindt immers plaats in een andersoortige omgeving en context dan het als burger dragen van wapens of munitie. De staatssecretaris heeft derhalve een eigen verantwoordelijkheid voor het verlenen, wijzigen en intrekken van wapenverloven buiten de krijgsmacht.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Larsson-van Reijsen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015

344.