Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3042

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
201410437/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:6881, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2013 heeft de raad de deelname van [appellant] aan het jeugdstrafpiketrooster geweigerd.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechtsbijstand
Wet op de rechtsbijstand 14
Wet op de rechtsbijstand 15
Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2013 krachtens de Wet op de Rechtsbijstand
Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2013 krachtens de Wet op de Rechtsbijstand 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/350
JB 2015/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410437/1/A2.

Datum uitspraak: 30 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 november 2014 in zaak nr. 14/1999 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2013 heeft de raad de deelname van [appellant] aan het jeugdstrafpiketrooster geweigerd.

Bij besluit van 6 mei 2014 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2015, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. M. Doets, beiden werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 14 van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) worden alle in Nederland kantoor houdende advocaten die daartoe een aanvraag hebben ingediend, door het bestuur ingeschreven indien zij voldoen aan de in artikel 15 bedoelde voorwaarden. Het bestuur kan regels stellen met betrekking tot deze voorwaarden. Deze regels behoeven de goedkeuring van de minister van Veiligheid en Justitie.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder b, kunnen de door het bestuur te stellen regels met betrekking tot de voorwaarden betrekking hebben op de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden.

De raad heeft de regels bedoeld in de artikelen 14 en 15 van de Wrb neergelegd in de Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2013, versie geldig per 1 september 2013 (Stcrt. 2013, 24666) (hierna: de Inschrijvingsvoorwaarden).

Ingevolge artikel 1, onder g, van de Inschrijvingsvoorwaarden worden advocaten voor maximaal drie roostergebieden uit onderstaande lijst ingeschreven.

1. rooster strafpiket/ rooster Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen-overleveringspiket Amsterdam;

2. rooster minderjarigenstrafpiket;

3. rooster psychiatrisch patiƫntenpiket;

4. rooster vreemdelingenpiket.

Ingevolge het bepaalde onder h, worden advocaten die staan ingeschreven op het beschikbaarheidsrooster aanmeldcentrum asielzoekers (hierna: het AC-rooster) naast die inschrijving op het AC-rooster ingeschreven voor maximaal twee piketten.

2. Bij brief van 19 april 2013 heeft [appellant] de raad verzocht hem in te schrijven voor het jeugdstrafpiketrooster.

Aan het besluit van 8 juli 2013 heeft de raad ten grondslag gelegd dat advocaten gelet op artikel 1, onder g en h, van de Inschrijvingsvoorwaarden maximaal voor drie roostergebieden worden ingeschreven en advocaten die staan ingeschreven op het AC-rooster naast de inschrijving op het AC-rooster worden ingeschreven voor maximaal twee piketten.

Aan het besluit van 6 mei 2014 heeft de raad het advies van de commissie voor bezwaar van 1 mei 2014 ten grondslag gelegd. De commissie heeft in dit advies overwogen dat zowel de tekst van artikel 15, aanhef en onder b, van de Wrb als de toelichting op dit artikel spreekt over de mogelijkheid voor de raad om voorwaarden te stellen met betrekking tot de deskundigheid van de ingeschreven advocaat op bepaalde rechtsgebieden. De piketten waar het hier om gaat betreffen steeds rechtzoekenden die in een benarde positie verkeren, terwijl het veelal ook gaat om kwetsbare personen. De rechtshulpverlener in piketzaken kent de zaak en de rechtzoekende doorgaans maar zeer beperkt en dient daarom in ieder geval over uitstekende parate kennis te beschikken, naast uiteraard de nodige sociale vaardigheden. Gelet op de grote belangen die voor rechtzoekenden op het spel staan, is naar het oordeel van de commissie dan ook te rechtvaardigen dat de raad wil waken voor verwatering van kennis. Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom de raad geen maximum zou mogen stellen aan het aantal piketinschrijvingen. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat de rechtsgebieden nauw aan elkaar verwant zijn, is deze stelling door de commissie verworpen. De afzonderlijke piketten zijn in het verleden juist ingesteld omdat voor de afzonderlijke piketten telkens andere kennis en vaardigheden waren vereist. Artikel 15, aanhef en onder b, van de Wrb kan naar het oordeel van de commissie als basis dienen voor de in artikel 1, onder g en h, van de Inschrijvingsvoorwaarden genoemde regels. De regels zijn volgens de commissie algemeen verbindende voorschriften. Dat de voorwaarde abusievelijk is geplaatst onder het kopje "kantoororganisatie" doet daaraan niet af. Omdat aan de raad de taak is opgedragen voorwaarden te stellen die de kwaliteit van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand bevorderen, kan niet worden gezegd dat de raad door het aantal piketten waaraan een advocaat kan deelnemen te beperken op onredelijke of willekeurige wijze invulling heeft gegeven aan artikel 15, aanhef en onder b, van de Wrb. Verder is niet gebleken van strijdigheid met een of meer regels van geschreven of ongeschreven recht, zodat de voorwaarde in kwestie voldoende grondslag biedt voor het besluit van 8 juli 2013. Nu de Inschrijvingsvoorwaarden niet in een mogelijkheid tot afwijking van het aantal piketten waaraan men kan deelnemen voorzien, mag de raad hiervan niet afwijken. De stelling van [appellant] dat de raad het AC-rooster ten onrechte als een piketrooster heeft aangemerkt, wat hiervan ook zij, kan niet leiden tot een ander standpunt, omdat bij dit soort zaken eveneens sprake is van toewijzing van advocaten die beurtelings rechtsbijstand verlenen, aldus de commissie voor bezwaar in het advies van 1 mei 2014.

3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de in artikel 1, onder g en h, van de Inschrijvingsvoorwaarden opgenomen bepalingen algemeen verbindende voorschriften zijn. Artikel 1, onder g en h, van de Inschrijvingsvoorwaarden werken naar buiten, zijn voor de daarbij betrokken advocaten en de raad bindend en de voorwaarden zijn opgesteld door de raad, die daartoe de bevoegdheid ontleent aan de Wrb.

4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad een redelijke invulling heeft gegeven aan artikel 15, aanhef en onder b, van de Wrb. Volgens [appellant] is het door de raad gekozen middel, het beperken van het aantal piketroosters waaraan advocaten kunnen deelnemen, niet geschikt om de kwaliteit van de rechtsbijstand te bevorderen. Doordat het aantal piketten wordt beperkt, neemt de kwaliteit van de rechtsbijstand niet als vanzelf toe. Het middel is voorts overbodig omdat kwaliteit van de rechtsbijstand reeds door andere middelen is gewaarborgd, aldus [appellant].

4.1. Omdat, zoals hiervoor is overwogen, de in artikel 1, onder g en h, van de Inschrijvingsvoorwaarden opgenomen bepalingen algemeen verbindende voorschriften zijn, kunnen deze slechts buiten toepassing worden gelaten indien deze in strijd zijn met een hogere regeling dan wel met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag de verschillende belangen die bij de Inschrijvingsvoorwaarden betrokken zijn tegen elkaar af te wegen. Gelet op de aan de raad opgedragen taak om voorwaarden die de kwaliteit van de door de overheid gefinancierde rechtsbijstand bevorderen op te stellen en gelet op de motieven die aan de vaststelling van de Inschrijvingsvoorwaarden ten grondslag liggen, zoals nader toegelicht in de aan het besluit van 6 mei 2014 ten grondslag gelegde, onder 2 weergegeven motivering, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de in artikel 1, onder g en h, van de Inschrijvingsvoorwaarden neergelegde bepalingen de hiervoor bedoelde toets kunnen doorstaan. De raad heeft dan ook in redelijkheid kunnen komen tot deze bepalingen. Hieruit volgt dat de raad [appellant] deelname aan het jeugdstrafpiketrooster kon weigeren.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Van Dokkum

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015

480-735.