Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:304

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
201406628/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Goutum-Sud (voormalig kassencomplex)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406628/1/R4.

Datum uitspraak: 4 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Goutum, gemeente Leeuwarden,

en

de raad van de gemeente Leeuwarden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Goutum-Sud (voormalig kassencomplex)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2015, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door C. Tasma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Allura B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], ter zitting als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de bouw van elf woningen, waarvan vier woningen door middel van een wijzigingsbevoegdheid, op de gronden gelegen ten zuiden van De Nije Oanliz te Goutum ter plaatse van een voormalig kassencomplex. Tevens is in het plan een woonbestemming toegekend aan de voormalige bedrijfswoning op het perceel Lykwei 12 te Goutum.

Nieuwe woningbouw

3. [appellant] betoogt dat het in het plangebied mogelijk maken van woningbouw onverenigbaar is met het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan "Jabikswoude". Volgens [appellant] is dit voorheen geldende bestemmingsplan eerst recent vastgesteld en kan de raad daarom uitsluitend in uitzonderlijke situaties een andere planologische regeling vaststellen.

3.1. Het bestemmingsplan "Jabikswoude" is door de raad vastgesteld op 26 mei 2008 en door het college van gedeputeerde staten van Fryslân goedgekeurd op 16 december 2008. In dat plan waren de gronden in het plangebied bestemd als "Agrarische cultuurgrond" met de aanduiding "grondgebonden tuinbouw". Anders dan [appellant] meent, kunnen aan dit voorheen geldende bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan, ongeacht wanneer het voorheen geldende bestemmingsplan is vastgesteld, op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Gelet hierop ziet de Afdeling in de enkele stelling dat de in het thans bestreden plan voorziene woningbouw in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het thans bestreden plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt tevens dat het plan is vastgesteld in strijd met het gemeentelijke beleid dat binnen een afstand van 50 meter en 50 tot 100 meter van de bestaande woningbouw aan De Nije Oanliz geen, onderscheidenlijk uitsluitend incidenteel nieuwe bebouwing wordt toegestaan. Volgens [appellant] heeft de raad gelet op dit gemeentelijke beleid in het voor zijn perceel geldende bestemmingsplan de door hem gewenste bouw van meer dan één woning op zijn perceel niet mogelijk gemaakt. Door in het thans bestreden plan te voorzien in de bouw van elf nieuwe woningen heeft de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld, aldus [appellant].

4.1. Aan de gronden gelegen in het zuidelijke deel van het plangebied zijn de bestemmingen "Wonen" en "Woongebied - 2" toegekend. Aan de gronden gelegen in het noordelijke deel van het plangebied, grenzend aan de bestaande woningbouw aan De Nije Oanliz, is de bestemming "Groen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels mogen op of in de gronden waaraan de bestemming "Groen" is toegekend geen gebouwen worden gebouwd.

4.2. In de plantoelichting staat dat bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt is gehanteerd een bufferzone van 50 meter tussen de bestaande woningen aan De Nije Oanliz en de in het plangebied te bouwen woningen waarbinnen uitsluitend vergunningsvrije bouwwerken zijn toegestaan. In het plan is hiertoe aan de gronden gelegen op 50 meter afstand van de woningen aan De Nije Oanliz de bestemming "Groen" toegekend binnen welke bestemming, gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels, geen gebouwen mogen worden gebouwd. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de toekenning van de bestemming "Groen" aan de gronden gelegen in het noordelijke deel van het plangebied de bufferzone van 50 meter tussen de bestaande woningen aan De Nije Oanliz en de in het plangebied te bouwen woningen is gewaarborgd.

4.3. Wat de stelling van [appellant] betreft dat het plan tevens is vastgesteld in strijd met het gemeentelijke beleid dat binnen een afstand van 50 tot 100 meter van de bestaande woningen aan De Nije Oanliz uitsluitend incidentele bebouwing is toegestaan, heeft de raad zich onweersproken op het standpunt gesteld dat het plangebied onderdeel is van het nieuwe stadsdeel De Zuidlanden en dat in het voor dit stadsdeel ten tijde van de vaststelling van het plan geldende beleid, neergelegd in de in 2011 vastgestelde "Structuurvisie De Zuidlanden" (hierna: de Structuurvisie), niet is voorzien in de door [appellant] gestelde zone voor incidentele bebouwing. Voor zover [appellant] ter onderbouwing van zijn stelling verwijst naar de zienswijzennota behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Jabikswoude" uit 2008, overweegt de Afdeling dat de zienswijzennota gelet op de in 2011 vastgestelde Structuurvisie niet het ten tijde van de vaststelling van het thans bestreden plan geldende beleid bevat. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de in het plan voorziene woningbouw in strijd is met het gemeentelijke beleid.

4.4. Over de door [appellant] gemaakte vergelijking met het bij hem in eigendom zijnde perceel gelegen nabij het plangebied, waarop volgens hem in tegenstelling tot de gronden in het plangebied uitsluitend de bouw van één woning is toegestaan, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie. Daartoe heeft de raad toegelicht dat het plangebied onderdeel is van de tot het nieuwe stadsdeel De Zuidlanden behorende woonbuurt Goutum-Sûd, welke woonbuurt met de in het plan voorziene woningen wordt afgerond. De raad heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat het perceel van [appellant] niet is gelegen in deze woonbuurt. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld.

4.5. De betogen falen.

5. [appellant] betoogt voorts dat de raad het bestemmingsplan niet had mogen vaststellen, nu het woonplan van de gemeente Leeuwarden niet is goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Fryslân.

5.1. De enkele omstandigheid dat het woonplan van de gemeente Leeuwarden niet is goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Fryslân betekent niet zonder meer dat de raad het bestemmingsplan niet had mogen vaststellen. Gelet hierop en nu [appellant] zijn betoog niet nader heeft onderbouwd, ziet de Afdeling in het aangevoerde in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan niet had mogen vaststellen.

Het betoogt faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidbelasting ter plaatse van de voorziene woningen gelet op de hoge verkeersintensiteit op de nabij het plangebied gelegen Wergeasterdyk. In dit verband betoogt [appellant] tevens dat de verkeersintensiteit op de Wergeasterdyk een hoge geluidbelasting ter plaatse van zijn nabij het plangebied gesitueerde woning tot gevolg heeft.

6.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

6.2. Het betoog van [appellant] dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidbelasting ter plaatse van de voorziene woningen heeft betrekking op de naleving van normen met betrekking tot de geluidbelasting ter plaatse van deze woningen. Deze normen strekken ter bescherming van de bewoners van de voorziene woningen. [appellant] is geen eigenaar van de gronden in het plangebied. Voorts is niet gebleken dat [appellant] voornemens is in de in het plangebied voorziene woningen te gaan wonen. Derhalve strekken de normen met betrekking tot de geluidbelasting en de vraag of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen niet ter bescherming van [appellant]. Gelet op het vorenstaande kan het betoog dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidbelasting ter plaatse van de voorziene woningen ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen [appellant] terzake heeft aangevoerd.

6.3. Voor zover [appellant] wijst op de geluidbelasting ter plaatse van zijn nabij het plangebied aan de Wergeasterdyk gesitueerde woning, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting staat dat de voorziene woningen niet worden ontsloten via de Wergeasterdyk, maar via de ten westen van het plangebied gesitueerde Overijsselselaan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan een onaanvaardbare geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant] tot gevolg heeft.

Voor zover [appellant] betoogt dat de bestaande verkeersintensiteit op de Wergeasterdyk een hoge geluidbelasting ter plaatse van zijn woning tot gevolg heeft, overweegt de Afdeling dat dit betoog in deze procedure niet kan worden beoordeeld, nu de Wergeasterdyk geen onderdeel is van het thans bestreden plan.

7. [appellant] betoogt voorts dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar alternatieve locaties voor de in het plan voorziene woningbouw. Hiertoe voert [appellant] aan dat nabij het plangebied geschikte woningbouwkavels beschikbaar zijn.

7.1. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Ter onderbouwing van de gekozen locatie voor de voorziene woningen heeft de raad toegelicht dat met de in het plangebied voorziene woningen de woonbuurt Goutum-Sûd wordt afgerond, hetgeen niet mogelijk is op de door [appellant] genoemde alternatieve woningbouwlocaties. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor de in het plan voorziene locatie heeft kunnen kiezen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad alternatieve locaties voor de realisatie van de in het plan voorziene woningen onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

Het betoog faalt.

Woonbestemming perceel Lykwei 12

8. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte een woonbestemming heeft toegekend aan de voormalige bedrijfswoning op het perceel Lykwei 12. Volgens [appellant] wordt het huishoudelijk afvalwater van de voormalige bedrijfswoning niet op het gemeentelijk riool, maar op het oppervlaktewater geloosd. Gelet hierop is het volgens [appellant] vanuit milieuoogpunt ongewenst een woonbestemming aan deze voormalige bedrijfswoning toe te kennen.

8.1. Daargelaten of de omstandigheid dat een woning niet is aangesloten op het gemeentelijk riool een omstandigheid betreft die de raad bij het toekennen van een woonbestemming aan deze woning in zijn afweging behoort te betrekken, heeft de raad onweersproken gesteld dat de voormalige bedrijfswoning op het perceel Lykwei 12 samen met de in het plangebied te bouwen woningen op het gemeentelijk riool zal worden aangesloten. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een woonbestemming aan de voormalige bedrijfswoning op het perceel Lykwei 12 heeft kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Gerkema

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2015

472-810.