Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3032

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
201410441/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:5683, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van het bestaande pand aan de [locatie] te Groningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410441/1/A1.

Datum uitspraak: 30 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Groningen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 november 2014 in zaak nr. 14/3256 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van het bestaande pand aan de [locatie] te Groningen.

Bij besluit van 13 juni 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghoudster] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellante] hebben nog nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.G.L. van Nus, advocaat te Groningen, is verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. S. Veenstra, advocaat te Leeuwarden, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het ten tijde van het besluit op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad 1995" rust op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Stadscentrum".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig bestemde gronden bestemd voor wonen, onderwijs, detailhandel, horeca, sociaal-culturele voorzieningen, bedrijven, groothandel en dienstverlening.

Ingevolge artikel 6, derde lid, dienen de bebouwingseisen zoals aangegeven op de kaarten A t/m D ten aanzien van bebouwingspercentage, vloerindex, aantal bouwlagen en korrelgrootte in acht genomen te worden.

Ingevolge artikel 7, vierde lid, is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 6, derde lid, uitsluitend voor hoekpanden, waarvan de gevels langs twee straten grenzen, die een hoek vormen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage 100% mag bedragen en de vloerindex gelijk mag zijn aan het maximale aantal bouwlagen.

2. Met het bouwplan worden de ingevolge het bestemmingsplan maximaal toegestane vloerindex en bebouwingspercentage overschreden. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in verbinding met artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergroting van het pand niet zodanige hinder zal veroorzaken voor omwonenden dat ten gevolge van de realisering van het bouwplan een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat op grond van het bestemmingsplan realisering van een pand met vier bouwlagen op 80% van het perceel is toegestaan. De afwijking van het bestemmingsplan, waardoor vier bouwlagen op 100% van het perceel mogelijk wordt gemaakt, acht de rechtbank ten opzichte van het rechtens toegestane niet zodanig dat aan de extra schaduw die hierdoor zal ontstaan doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.

4. Ter zitting bij de Afdeling heeft [vergunninghoudster] betoogd dat de door [appellante] bij brief van 10 augustus 2015 bij de Afdeling ingediende stukken zodanig laat zijn ingebracht dat deze wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten worden gelaten.

Dit betoog faalt. Gelet op artikel 8:58, eerste lid, van Algemene wet bestuursrecht konden partijen tot en met 10 augustus 2015 nadere stukken indienen. De stukken zijn per fax op 10 augustus 2015 ingediend. De nadere stukken strekken ter toelichting op hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd. Gelet op de aard en inhoud van de stukken ziet de Afdeling geen aanleiding deze wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor het bouwplan heeft kunnen verlenen zonder daaraan voorwaarden ter bescherming van de bezonning op haar terras te verbinden. Hiertoe voert zij aan dat in de aangevallen uitspraak niet gemotiveerd is ingegaan op de door haar naar voren gebrachte beroepsgronden met betrekking tot de door het college aan het besluit ten grondslag gelegde belangenafweging. [appellante] wijst in dit kader mede op het door haar overgelegde expertiserapport van 22 september 2014 van AD Experts, waaruit blijkt dat [appellante] zal worden geconfronteerd met een aanmerkelijke toename van schaduwwerking op het buitenterras evenals een verslechtering van het uitzicht, waardoor de omzet zal dalen en de economische waarde van [appellante] zal verminderen. Voorts heeft [appellante] aangevoerd dat het besluit een onderbouwing van de aan het besluit ten grondslag liggende belangenafweging ontbeert.

5.1. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort in dit geval tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om daarvoor omgevingsvergunning te verlenen.

5.2. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op de in beroep naar voren gebrachte beroepsgronden. Weliswaar zijn niet alle in beroep aangevoerde argumenten en ter zitting van de rechtbank aan de orde gestelde aspecten uitdrukkelijk in de aangevallen uitspraak besproken, maar dit leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

Voor zover [appellante] wijst op de in beroep naar voren gebrachte ontbrekende behoefte aan het bouwen van studentenhuisvesting in de binnenstad en de in dit kader door haar genoemde 15%-norm, alsmede het door haar gestelde reeds jaren bestaande verzet tegen de flexibiliteit van het bestemmingsplan, kan dat in deze procedure, die ziet op verlening van een omgevingsvergunning, geen rol spelen en heeft de rechtbank deze aspecten terecht buiten beschouwing gelaten.

Blijkens het besluit van 13 juni 2014 en het daaraan ten grondslag gelegde advies van de algemene bezwaarschriftencommissie ligt aan het verlenen van de omgevingsvergunning een belangenafweging ten grondslag, waarbij de belangen van [appellante] zijn betrokken. Het college heeft hierbij de in het bestemmingsplan voorziene bebouwingsmogelijkheden op het perceel in aanmerking mogen nemen. Omdat ingevolge het bestemmingsplan vier bouwlagen op het perceel zijn toegestaan en dit een vergelijkbare schaduwwerking voor [appellante] mee zou brengen, acht het college de belangen van [appellante] niet onredelijk geschaad.

Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechtbank de in het expertiserapport neergelegde bevindingen met betrekking tot de schaduwwerking voor het buitenterras van [appellante] en het verhandelde ter zitting niet bij de beoordeling van het beroep heeft betrokken. In het door [appellante] overgelegde expertiserapport is wat betreft de bezonningssituatie op het buitenterras een globale vergelijking gemaakt tussen de bestaande bebouwing op het perceel en het te realiseren bouwplan. Deze vergelijking is niet gebaseerd op een objectief onderzoek naar de bezonningssituatie ter plaatse, maar louter op een inschatting dat verhoging van de bebouwing meer schaduwwerking mee zal brengen, ook in de richting van het terras van [appellante]. De rechtbank heeft hieraan terecht niet het gewicht toegekend dat [appellante] hieraan toegekend wil zien.

Het door [vergunninghoudster] in hoger beroep overgelegde expertiserapport van 17 februari 2015 van Urban Climate Architects bevat een bezonningsstudie van de situatie ter plaatse. In het rapport is aan de hand van een computermodel een vergelijking gemaakt tussen de schaduwwerking in de bestaande en in de voorziene situatie gedurende de tijdsspanne van 12:00 uur tot 15:00 uur. Uit deze studie volgt dat de schaduw van het voorziene gebouw de gevel van [appellante] niet raakt. Op 21 maart en 21 september zal de extra schaduw ten gevolge van realisering van het

bouwplan beperkt blijven tot een hoekje op het terras tussen 13:00 uur en 14:30 uur. In de tussenliggende maanden zal het voorziene gebouw nauwelijks invloed hebben op de bezonning op het terras. De overige schaduwwerking op het terras van [appellante] wordt gedurende deze periode veroorzaakt door het tegenoverliggende hoekpand en niet door het voorziene gebouw. Nu geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de resultaten van de uitgevoerde bezonningsstudie, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] door de realisering van het bouwplan niet onevenredig in haar belangen zal worden geschaad.

Voor zover [appellante] heeft beoogd te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte de door haar geleden schade in de vorm van omzetderving niet in de belangenafweging heeft betrokken, overweegt de Afdeling dat [appellante] de gestelde schade niet heeft onderbouwd. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college hieraan onvoldoende gewicht heeft toegekend. [appellante] kan in een afzonderlijke procedure om een tegemoetkoming in de planschade op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening vragen.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Deen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015

604.