Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3028

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
201406906/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft het college [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een kalverenstal en een loods, planologisch strijdig gebruik, het oprichten van een inrichting en het slopen van een loods/stal (hierna: het bouwplan) op het perceel [locatie] te Slagharen, gemeente Hardenberg (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2015/253
JOM 2015/974
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406906/1/A1.

Datum uitspraak: 30 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Slagharen, gemeente Hardenberg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 juli 2014 in zaak nrs. 13/839 en 13/840 in het geding tussen onder meer:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft het college [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een kalverenstal en een loods, planologisch strijdig gebruik, het oprichten van een inrichting en het slopen van een loods/stal (hierna: het bouwplan) op het perceel [locatie] te Slagharen, gemeente Hardenberg (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 9 juli 2014 heeft de rechtbank het door onder meer [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghoudster] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2015, waar [appellant], bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Stellingwerff, vergezeld door T. Casula-Visser, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door ir. A.J. Hoogendoorn, gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet blijkens de aanvraag en de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing in het realiseren van twee bedrijfsgebouwen op het perceel, te weten een kalverenstal en een wagenloods. Op het perceel is een kalverenfokbedrijf gevestigd. De bestaande bedrijfsgebouwen, een bestaande kalverenstal en wagenschuur, zullen worden gesloopt om de bouw van een nieuwe kalverenstal en wagenloods te realiseren. Verder wordt verharding toegevoegd om de nieuwe stallen te kunnen bereiken.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Hardenberg" (hierna: het bestemmingsplan) gelden voor het perceel de bestemmingen "Agrarische doeleinden (agrarisch gebied bouwperceel)" en "Agrarische doeleinden (agrarisch gebied)".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor agrarische doeleinden (agrarisch gebied, bouwperceel) aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van:

a. grondgebonden agrarisch bedrijf en niet-grondgebonden agrarisch bedrijf;

b. grondgebonden agrarisch bedrijf, voor zover dit op de kaart van de letteraanduiding "G" is voorzien;

(…)

met de daarbij benodigde bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning, bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken.

Ingevolge het tweede lid, gelden ten aanzien van de bebouwing de volgende bepalingen:

(…)

d. in afwijking van het bovenstaande, dient van de gebouwen, voor zover deze op de kaart van de aanduiding "karakteristieke verschijningsvorm" zijn voorzien, de uitwendige hoofdvorm, zoals blijkend uit de bestaande goothoogte, nokhoogte en dakvorm, te worden gehandhaafd;

e. op bouwpercelen voorzien van de letteraanduiding "G" is het verboden bouwwerken te bouwen met een oppervlakte van meer dan 250 m² ten behoeve van een niet-grondgebonden agrarische bedrijfstak;

(…).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor agrarische doeleinden (agrarisch gebied), bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, alsmede voor een ijsbaan, (…).

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, gelden ten aanzien van de bebouwing en inrichting de volgende bepalingen:

a. op of in deze gronden is het oprichten van gebouwen verboden;

c. de oppervlakte van een terrein met een aaneengesloten oppervlakteverharding mag niet meer dan 500 m² bedragen.

3. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de artikelen 3, tweede lid, onder d en e, en 4, tweede lid, onder a en c, van het bestemmingsplan. Het college heeft, om het bouwplan niettemin mogelijk te maken, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), daarvoor een omgevingsvergunning verleend.

4. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het besluit leidt volgens hem tot een te grote aantasting van zijn leefmilieu nu het door de aanzienlijke toename van het bouwvlak mogelijk wordt dat 1192 kalveren worden gehouden, in plaats van het huidige aantal van 135.

Verder is het besluit genomen in strijd met het provinciale ruimtelijke beleid, zoals neergelegd in de geldende Omgevingsvisie Overijssel (hierna: de Omgevingsvisie) en de Omgevingsverordening Overijssel 2009 (hierna: de Omgevingsverordening), aldus [appellant].

5.1. De rechtbank heeft, voor een goede beoordeling van de vraag of het besluit van 19 februari 2013 in rechte stand kan houden, aanleiding gezien de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB) als deskundige te benoemen. De StAB heeft op 18 februari 2014 schriftelijk verslag uitgebracht aan de rechtbank van haar onderzoek inzake de beroepen tegen de verleende omgevingsvergunning voor het bouwplan.

5.2. [appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan zijn leefmilieu in naar hij stelt te grote mate aantast door een toename van onder meer luchtvervuiling, ammoniakuitstoot, lawaai en geurhinder.

Op deze milieubelastende aspecten is in de ruimtelijke onderbouwing van het besluit, alsmede in de bij het besluit behorende "Beoordeling milieurelevante aspecten", ingegaan en zijn deze aanvaardbaar geacht. De rechtbank heeft, mede gelet op de bevindingen van de StAB, geen aanleiding gezien om de onderbouwing van het besluit op dit punt ontoereikend te achten. Nu [appellant] in hoger beroep niet heeft onderbouwd waarom het bouwplan desalniettemin tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat leidt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet tot dat oordeel is gekomen.

5.3. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat, zoals ook de StAB heeft geconstateerd, in de ruimtelijke onderbouwing van het besluit is ingegaan op het provinciale ruimtelijke beleid zoals neergelegd in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening, waarbij is geconcludeerd dat dit beleid niet aan realisering van het bouwplan in de weg staat.

In de ruimtelijke onderbouwing wordt met betrekking tot het provinciale ruimtelijke beleid vermeld dat de Omgevingsvisie ontwikkelingsmogelijkheden biedt voor schaalvergroting en -verbreding in de landbouw, maar dat dergelijke ontwikkelingen dienen bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Er is in de ruimtelijke onderbouwing ook aandacht besteed aan de uitgangspunten van de Omgevingsvisie volgens het zogenoemde uitvoeringsmodel. Aan de hand daarvan wordt bij een ruimtelijk initiatief op 3 niveaus bepaald of daaraan behoefte is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden, gelet op de gebiedskenmerken.

In de ruimtelijke onderbouwing wordt met betrekking tot het bouwplan vermeld dat volgens het provinciale beleid schaalvergroting van de landbouw op deze locatie kan worden toegestaan, dat het bedrijf duurzaam wordt uitgevoerd, dat het past in het ontwikkelperspectief "Buitengebied - accent productie" met de nadere aanduiding "schoonheid van de moderne landbouw" dat volgens de Omgevingsvisie geldt voor het perceel, en dat het bedrijf landschappelijk wordt ingepast, hetgeen bijdraagt aan de herkenbaarheid van het landschap. In de ruimtelijke onderbouwing wordt geconcludeerd dat de ruimtelijke kwaliteit met het bouwplan wordt gewaarborgd en versterkt en dat het bouwplan in overeenstemming is met het provinciale beleid.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan juist niet bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid, omdat het in strijd is met de paragrafen 2.3.1 en 2.3.2 van de Omgevingsvisie, wordt niet gevolgd. Deze paragrafen, waarin, zoals [appellant] heeft gesteld, als uitgangspunt voor de duurzame ontwikkeling van de provincie bijvoorbeeld wordt genoemd: "(het) bevorderen van een gezond en veilig leefmilieu: terugdringen gezondheidsverlies door milieubelastingen (lucht, geluid, geur, externe veiligheid)", bevatten beleidsambities en geen concrete toetsingsnormen. Daarnaast is, zoals hiervoor reeds is overwogen, op de milieubelastende aspecten waarop [appellant] in dit verband heeft gewezen, zoals geur en geluid, in de ruimtelijke onderbouwing, alsmede in de "Beoordeling milieurelevante aspecten" ingegaan en zijn deze aanvaardbaar geacht.

[appellant] betoogt eveneens tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat in het besluit ten onrechte niet aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening is getoetst. Daarin is bepaald dat en op welke wijze in het besluit moet worden toegelicht dat de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Ter zitting heeft [appellant] erkend dat genoemde toelichting in paragraaf 2.3 van de ruimtelijke onderbouwing wel is gegeven. Voor het oordeel dat, zoals [appellant] ter zitting heeft gesteld, deze toelichting inhoudelijk onvoldoende is, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit in strijd is met artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening. Daarin is, voor zover thans van belang, bepaald dat bij nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de zogenoemde groene omgeving, door de aanvrager een zogenoemde "Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving" moet worden geleverd.

De rechtbank heeft terecht ook dit betoog niet gevolgd. Het college heeft zich, hoewel een definitie van het begrip "grootschalige uitbreiding" als genoemd in artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening ontbreekt, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de onderhavige ontwikkeling van een dergelijke grootschalige uitbreiding geen sprake is, nu blijkens de toelichting bij de Omgevingsverordening deze bepaling ziet op uitbreidingen van bestaande agrarische bouwpercelen waardoor grotere bouwpercelen ontstaan dan 1,5 ha in gebieden buiten de landbouwontwikkelingsgebieden. Daarin voorziet het bouwplan niet.

De conclusie is dat de rechtbank, mede in aanmerking genomen het verslag van het onderzoek van de StAB van 18 februari 2014, terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat het besluit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hetgeen [appellant] voor het overige nog naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

6. [appellant] heeft, wat het aspect geluid betreft, betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat geen overschrijdingen van de in de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening 1998 (hierna: de Handreiking) vermelde richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de dagperiode mochten worden toegestaan, omdat geen sprake is van een bestaande inrichting als bedoeld in de Handreiking.

Dit betoog slaagt niet, reeds omdat uit Hoofdstuk 4 van de Handreiking volgt dat ook voor nieuwe inrichtingen op basis van een bestuurlijke afweging kan worden afgeweken van de richtwaarden in de Handreiking. Voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de daartoe door het college gemaakte bestuurlijke afweging onvoldoende is, bestaat geen grond, nu [appellant] ook dit betoog in hoger beroep niet heeft onderbouwd.

7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning ten onrechte is verleend, omdat bij de voorbereiding van het besluit geen passende beoordeling is gemaakt als bedoeld in artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998).

7.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

7.1.1. De rechtbank heeft terecht het betoog van het college dat deze beroepsgrond van [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat deze niet reeds als zienswijze op het ontwerpbesluit naar voren is gebracht, niet gevolgd.

Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten.

De activiteit planologisch strijdig gebruik, waarop deze beroepsgrond ziet, heeft [appellant] in zijn zienswijzen reeds bestreden.

Nu hij daarover zienswijzen over het ontwerp van het besluit naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om het beroep ten aanzien van deze grond niet-ontvankelijk te verklaren.

7.2. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

7.2.1. [appellant] beroept zich op artikel 19j van de Nbw 1998. De bepalingen van de Nbw 1998 hebben met name ten doel om het algemene belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 in zaak nr. 201008514/1/M3 (www.raadvanstate.nl) volgt dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Nbw 1998 beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

7.2.2. [appellant] heeft niet betwist dat het meest nabij gelegen beschermde natuurgebied op een afstand van ongeveer 12 kilometer van zijn perceel ligt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 9 april 2014 in zaak nr. 201303953/1/R2; www.raadvanstate.nl), bestaat gelet op deze afstand geen duidelijke verwevenheid van het individuele belang van [appellant] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn directe leefomgeving met de algemene belangen die de Nbw 1998 beoogt te beschermen, zodat moet worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen die [appellant] heeft als omwonende van het perceel [locatie] te Slagharen.

De stelling van [appellant] ter zitting dat de Nbw 1998 wel strekt ter bescherming van zijn belangen omdat niet is uitgesloten dat hij in de toekomst mogelijk een nieuw agrarisch bedrijf op zijn perceel begint en hij in dat geval een vergunning krachtens de Nbw 1998 nodig heeft, slaagt niet. Daartoe wordt overwogen dat daargelaten de juistheid van die stelling, de Nbw 1998 niet beoogt belangen in een mogelijke toekomstige situatie te beschermen.

Aan het relativiteitsvereiste is derhalve niet voldaan. Aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond wordt derhalve niet toegekomen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Bolleboom

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015

641.