Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3025

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
201500929/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:7852, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2013 heeft het college de op 8 mei 2000 aan [appellante] verleende monumentenvergunning, de op 24 juli 2000 aan haar verleende bouwvergunning en de op 24 juli 2000 aan haar verleende sloopvergunning voor de verbouwing en restauratie van het pand op het perceel [locatie] te Wageningen. Bij uitspraak van 18 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2016/6476
JOM 2015/976
OGR-Updates.nl 2015-0241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500929/1/A1.

Datum uitspraak: 30 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 december 2014 in zaak nr. 14/1082 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wageningen.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2013 heeft het college de op 8 mei 2000 aan [appellante] verleende monumentenvergunning, de op 24 juli 2000 aan haar verleende bouwvergunning en de op 24 juli 2000 aan haar verleende sloopvergunning voor de verbouwing en restauratie van het pand op het perceel [locatie] te Wageningen.

Bij uitspraak van 18 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. N.A. de Kock, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.F. Maat, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De aan [appellante] in 2000 verleende vergunningen hebben betrekking op de verbouwing en restauratie van het monumentale pand op het perceel [locatie] te Wageningen. Bij besluit van 17 december 2013 heeft het college die vergunningen ingetrokken.

[appellante] heeft het pand op 31 december 2012 aan De Stichting Gemeente Wageningen Knapt Op (hierna: de Stichting) verkocht. [appellante] heeft desalniettemin nog belang bij de beoordeling van het door haar ingestelde hoger beroep dan wel beroep nu de ingetrokken vergunningen aan haar zijn verleend en zij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade lijdt als gevolg van het besluit waarbij de vergunningen zijn ingetrokken.

2. Ingevolge artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, voor zover gedurende 26 weken, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

3. De bij besluit van 8 mei 2000 en afzonderlijke besluiten van 24 juli 2000 door het college verleende vergunningen worden gelet op de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld met een omgevingsvergunning. Vaststaat dat niet binnen de in artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo genoemde termijn handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunningen, zodat het college, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, bevoegd is om de verleende vergunningen in te trekken.

4. Tussen partijen is in geschil of het college in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Het college heeft aan het besluit tot intrekking ten grondslag gelegd dat er gedurende dertien jaar geen gebruik is gemaakt van de verleende vergunningen, (her)bouw dan wel restauratie op dit moment volgens de vorige en huidige eigenaresse van het pand financieel niet haalbaar is en dat (her)bouw dan wel restauratie op basis van de verleende vergunningen binnen een redelijke termijn is uitgesloten. Voorts heeft het college aan de intrekking ten grondslag gelegd dat gebruikmaking van de vergunningen überhaupt uitgesloten lijkt gelet op het feit dat de Stichting zich oriënteert op alternatieven ten behoeve van de ontwikkeling van het pand dan wel een alternatieve uitvoering van het bouwplan voor ogen heeft. Het college heeft daarnaast bij zijn besluitvorming betrokken dat het na lange(re) tijd niet geconfronteerd wil worden met bouwmogelijkheden die in strijd zijn met nieuwe ontwikkelingen dan wel wijziging van wettelijke voorschriften. Voorts heeft het bij zijn besluitvorming betrokken dat er een nieuw bestemmingsplan zal worden vastgesteld en dat het bouwplan dat met de vergunningen mogelijk wordt gemaakt daar niet in past.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid tot intrekking van de aan haar verleende vergunningen mocht overgaan. Daartoe voert zij aan dat zij, nu de Stichting concrete plannen heeft voor het pand en de financiering daarvan bijna rond is, aannemelijk heeft gemaakt dat er alsnog binnen korte termijn gebruik zal worden gemaakt van de vergunningen. Voorts voert zij aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen, dat het belang van monumentenzorg zich verzet tegen de intrekking van de vergunningen en dat het algemeen belang niet door intrekking wordt gediend. Bovendien is het deels aan het college te wijten dat zij niet eerder gebruik heeft kunnen maken van de vergunningen. Ten slotte voert zij aan dat het college door met haar in gesprek te gaan en gedurende dertien jaar de vergunningen niet in te trekken, bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de vergunningen niet zullen worden ingetrokken. In dit verband merkt zij op dat het college in het kader van de aankoop van het pand door haar zou zijn toegezegd dat er een subsidie beschikbaar zou zijn. Het college heeft volgens haar in een later stadium toegezegd dat er subsidie zou worden verstrekt indien er zou zijn voldaan aan de door het college gestelde voorwaarden. Zij verwijst verder naar de gevoerde overleggen waarbij er een gesprek op initiatief van de wethouder heeft plaatsgevonden.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 11 april 2012 in zaak nr. 201107848/1/A1), is de intrekking van een bouwvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Hetzelfde geldt voor de intrekking van de sloopvergunning. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt het college beleidsvrijheid toe, hetgeen tot gevolg heeft dat de rechter terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Bij toepassing van voormelde bevoegdheden moeten alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daartoe behoren naast de door het college gestelde belangen ook de (financiële) belangen van vergunninghouder. In dat kader dient tevens de vraag te worden beantwoord of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 mei 2013 in zaak nr. 201209445/1/A1), wordt in de inwerkingtreding van de Wabo geen aanleiding gezien om bij de belangenafweging in het kader van de beslissing een omgevingsvergunning voor bouwen in te trekken andere maatstaven aan te leggen. Voorts heeft de Afdeling in voormelde uitspraak overwogen dat de enkele omstandigheid dat de houder van een bouwvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten voldoende is om de intrekking van een ongebruikte bouwvergunning te rechtvaardigen.

De Afdeling overweegt dat het voorgaande ook geldt voor de intrekking van de monumentenvergunning.

5.2. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om de vergunningen in te trekken. Zoals [appellante] terecht stelt, dient zij aannemelijk te maken dat er op korte termijn alsnog gebruik gemaakt zal worden van de verleende vergunningen, in welke opdracht zij niet is geslaagd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het plan van de Stichting waarnaar [appellante] in dit kader verwijst, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet kan worden gerealiseerd met behulp van de verleende vergunningen nu deze zien op een ander bouwplan dan de Stichting voor ogen heeft. De verleende vergunningen zien op het realiseren van een woongebouw met een aantal wooneenheden terwijl de Stichting voornemens is om het pand te verbouwen ten behoeve van een brouwerij, proeflokaal en woonunit. Dat de financiering van die verbouwing van het pand van de Stichting bijna rond is, kan haar dan ook niet baten. Bovendien blijkt uit de door [appellante] overgelegde stukken dat voor de financiering onder meer een bijdrage van de gemeente Wageningen is vereist terwijl de gemeente vooralsnog niet bereid is een bijdrage te leveren. Er bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat het aan het college te wijten is dat [appellante] nog geen gebruik heeft gemaakt van de vergunningen. Daartoe wordt overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aan het college te wijten is. Het college heeft voorts het belang van een actueel vergunningenbestand in redelijkheid mogen meewegen bij zijn besluitvorming. Daarbij wordt betrokken dat een nieuw bestemmingsplan zal worden vastgesteld en het bouwplan dat met de vergunningen mogelijk wordt gemaakt daar niet in past. Ten aanzien van het belang van monumentenzorg wordt voorts overwogen dat het monument als gevolg van de intrekking van de vergunningen niet verloren zal gaan. Bovendien heeft het college ter zitting toegelicht dat het in beginsel bereid is mee te werken aan behoud van het pand. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het belang bij het intrekken van de vergunningen in redelijkheid niet zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van [appellante] bij behouden van de vergunningen.

Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt overwogen dat dit geen aanleiding geeft tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 mei 2012 in zaak nr. 201106121/1/A1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Hiervan is niet gebleken. Dat het college gedurende dertien jaar geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de vergunningen in te trekken maakt niet dat bij [appellante] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vergunningen niet zouden worden ingetrokken. Weliswaar hebben in die dertien jaar gesprekken met het college, ambtenaren van de gemeente en een wethouder plaatsgevonden, maar daarmee zijn geen toezeggingen gedaan dat de vergunningen niet zullen worden ingetrokken indien de gesprekken nergens toe leiden. Hetzelfde geldt voor de gestelde toezeggingen ten aanzien van de subsidie nu zij daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat is toegezegd dat indien de subsidie niet of niet geheel zou worden verstrekt de hier aan de orde zijnde vergunningen niet zullen worden ingetrokken.

Het betoog faalt.

6. [appellante] heeft bij aangetekende brief van 14 augustus 2015 [persoon A] als getuige ter zitting bij de Afdeling opgeroepen en daarvan op de voet van artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mededeling gedaan. Bij brief van 13 augustus 2015 heeft [appellante] medegedeeld dat zij [persoon B] en [persoon C] als getuigen mee zal naar de zitting van de Afdeling om als getuigen te worden gehoord. [persoon A], [persoon B] en [persoon C] zijn niet ter zitting bij de Afdeling verschenen.

De Afdeling heeft ervan afgezien om het onderzoek ter zitting te schorsen dan wel het onderzoek te heropenen om alsnog de getuigen te horen. Daartoe wordt overwogen dat op het hoger beroep kan worden beslist op basis van de tot het dossier behorende stukken en hetgeen partijen daaromtrent naar voren hebben gebracht. Het horen van de getuigen kan redelijkerwijs niet aan de beoordeling van de zaak bijdragen.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015

414-712.