Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3024

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
201501620/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:541, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2014 heeft het college een aan [appellant] verleende bewonersvergunning ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501620/1/A3.

Datum uitspraak: 30 september 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 februari 2015 in zaak nr. 14/3613 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2014 heeft het college een aan [appellant] verleende bewonersvergunning ingetrokken.

Bij besluit van 7 mei 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. el Fizazi, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2014 kan het college op aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur of parkeerplaatsen voor belanghebbenden.

Ingevolge het vierde lid kan het college nadere voorschriften en beperkingen vaststellen met betrekking tot:

a. het verlenen, het intrekken en het weigeren van vergunningen;

b. de geldigheid van vergunningen;

c. het gebruik van vergunningen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2014 (hierna: Uitvoeringsbesluit) kan het college een vergunning intrekken indien de vergunninghouder niet (meer) voldoet aan de voorwaarden die aan het gebruik van de vergunning zijn gesteld.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, trekt het college een vergunning in, indien zich een wijziging voordoet in één van de omstandigheden die heeft meegewogen bij het verlenen van de vergunning.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, verleent het college op aanvraag een bewonersvergunning aan een bewoner, indien de aanvrager woonachtig is in een gebouw of gebouwencomplex zonder een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening.

2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 maart 2014 heeft het college de permanente bewonersvergunning van [appellant] ingetrokken krachtens de artikelen 4, tweede lid, aanhef en onder d, en 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit. Daartoe heeft het college van belang geacht dat de bewonersvergunning destijds ten onrechte is verleend aangezien [appellant] over een bij zijn wooncomplex behorende parkeervoorziening beschikt.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de intrekking van de bewonersvergunning ten onrechte is gebaseerd op artikel 4, tweede lid, aanhef en onder d, van het Uitvoeringsbesluit, aangezien de omstandigheid dat [appellant] woonachtig is in een complex met een bijbehorende parkeervoorziening geen gewijzigde omstandigheid is. Ter zitting heeft het college verklaard dat de grondslag voor intrekking artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit had moeten zijn. Volgens de rechtbank is er geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de bewonersvergunning in te trekken. De rechtbank heeft de onjuiste rechtsgrondslag in het besluit gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank het gebrek in de besluitvorming ten onrechte heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Allereerst voert hij aan dat de rechtbank het college ter zitting heeft voorgehouden dat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit mogelijk een grondslag voor intrekking van de bewonersvergunning biedt. Een dergelijke fundamentele wijziging is mogelijk in bezwaar, maar niet ter zitting. Ten tweede is voormelde bepaling geen geschikte grondslag voor intrekking, aangezien het daarbij gaat om het niet (langer) voldoen aan voorwaarden die aan het gebruik van de vergunning zijn gesteld. De bewonersvergunning maakt geen deel uit van de processtukken, waardoor de rechtbank niet tot het oordeel kon komen dat hij niet langer aan de aan de bewonersvergunning verbonden voorwaarden voldoet. Verder heeft de rechtbank miskend dat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, in tegenstelling tot artikel 4, tweede lid, een belangenafweging vergt. Het college heeft de belangen niet afgewogen. In plaats daarvan is de rechtbank haar rechtsprekende taak te buiten gegaan door zelf een invulling te geven aan die belangenafweging, aldus [appellant].

4.1. Niet in geschil is dat [appellant] woonachtig is in een wooncomplex met bijbehorende parkeervoorziening. Gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit heeft [appellant] dan ook geen recht op een bewonersvergunning.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de intrekking van de bewonersvergunning ten onrechte is gebaseerd op artikel 4, tweede lid, aanhef en onder d, van het Uitvoeringsbesluit en dat er in zoverre een gebrek kleeft aan dat besluit. Met het oog op de finale beslechting van het geschil heeft de rechtbank ter zitting terecht de mogelijkheid bezien of het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kon worden gepasseerd.

[appellant] wordt niet gevolgd in het aangevoerde dat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit geen geschikte grondslag voor intrekking is. Ingevolge die bepaling kan het college de vergunning intrekken als de vergunninghouder niet voldoet aan de voorwaarden die aan het gebruik van de vergunning zijn gesteld. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het hierbij slechts gaat om voorwaarden die in de bewonersvergunning zijn neergelegd. Uit artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit volgt de voorwaarde voor een bewonersvergunning dat de bewoner niet over een eigen parkeervoorziening beschikt. Nu vaststaat dat [appellant] woonachtig is in een wooncomplex met bijbehorende parkeervoorziening en derhalve niet voldoet aan voornoemde voorwaarde, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit neergelegde intrekkingsgrond van toepassing is.

[appellant] heeft erop gewezen dat het voor hem belangrijk is zijn auto dicht bij zijn woning te kunnen parkeren in verband met mee te nemen materialen. Ter zitting bij de rechtbank heeft het college verklaard dat in de gemeente Rotterdam parkeerplaatsen schaars zijn en dat het belang van [appellant] niet zodanig zwaarwegend is dat dit moet leiden tot het behoud van de bewonersvergunning terwijl bij zijn wooncomplex een parkeervoorziening aanwezig is. De rechtbank heeft terecht in het door [appellant] aangevoerde geen aanleiding gezien om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit neergelegde bevoegdheid gebruik had kunnen maken. Voor het oordeel dat de rechtbank zelf de belangenafweging heeft verricht in plaats van het college bestaat geen grond gelet op de door het college ter zitting gegeven verklaring.

Nu het college bevoegd was om de bewonersvergunning krachtens artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit in te trekken en het niet aannemelijk is dat [appellant] door het in stand laten van het besluit van 7 mei 2014 is benadeeld, mocht de rechtbank het gebrek met betrekking tot de grondslag van de intrekking in de besluitvorming met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Van Altena w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015

582-805.